God vraagt nooit zonder eerst te geven

27-6-2018 Audiëntie over de geboden
God vraagt nooit zonder eerst te geven

“Men komt aan de Berg Sinaï nadat men de Rode Zee is doorgegaan”, legt paus Franciscus uit in deze nieuwe catechese over de geboden.
De paus maakt gebruik van een Rabbijnse commentaar over de Tien Woorden om de band uit te leggen tussen de Rode Zee en de Sinäi: “de Decaloog begint met Gods edelmoedigheid” want “God vraagt nooit zonder eerst te geven” en “God denkt aan mij”.
De paus wijst voluntarisme af – een vorm van pelagianisme, dat hij ook in
Gaudete et exsultate afwijst, in het spoor van Placuit Deo, een document van de Geloofsleer over dit onderwerp – dat plichten oplegt zelfs voordat men de ervaring heeft opgedaan van een God die bemint en bevrijdt. De paus waarschuwt: “christelijke vorming is niet gebaseerd op de kracht van de wil maar op het aanvaarden van het heil, op het feit zich te laten beminnen”.De paus citeert ook Benedictus XVI – over de vereniging van de wil met die van God – en de Kerkvaders voor wie “vergetelheid de wortel is van alle kwalen”.

Dierbare broeders en zusters, goeie dag!

Wij gaan door met de catechese over de geboden, die zoals wij zeiden, eerder dan geboden, woorden zijn van God tot Zijn volk opdat het de goede weg zou gaan. Woorden vol liefde, van een Vader. De Tien Woorden beginnen zo: “Ik ben Jahwe uw God, die u heb weggeleid uit Egypte, het slavenhuis” (Ex. 20,2). Dit begin lijkt vreemd voor de wetten in de echte zin van het woord, die volgen. Maar zo is het niet.

Waarom spreekt God hier over zichzelf en over de bevrijding? Omdat men aan de Berg Sinaï komt nadat men de Rode Zee is doorgegaan: de God van Israël redt eerst, en vraagt daarna vertrouwen (1). Dat wil zeggen dat de Decaloog begint met Gods edelmoedigheid, dat God nooit vraagt zonder eerst te geven. Nooit. Eerst redt Hij, eerst geeft Hij, daarna vraagt Hij. Zo is onze Vader. God is goed.

En wij begrijpen het belang van die eerste mededeling: “Ik ben Jahwe uw God”. Het is een bezitsvorm, er is een relatie, Hij behoort ons toe. God is geen vreemdeling: Hij is uw God (2). Dat belicht heel de Decaloog en openbaart ook het geheim van het christelijk handelen, want het is dezelfde houding van Jezus die zegt: “zoals de Vader Mij heeft liefgehad, zo heb ook Ik u liefgehad” (Joh 15,9). Christus wordt door de Vader bemind en Christus bemint ons met dezelfde liefde. Hij gaat niet uit van zichzelf, maar van de Vader. Dikwijls mislukken onze werken omdat wij van onszelf uitgaan en niet uit dankbaarheid. Waar komt iemand aan, die van zichzelf uitgaat? Bij zichzelf! Hij kan niet vooruitgaan, hij keert bij zichzelf terug. Dat is precies de egoïstische houding waarvan mensen bij wijze van grap zeggen: die mens is een ik, ik met ik en ik voor mij. Hij gaat uit van zichzelf en keert naar zichzelf terug.

Het christenleven is vooral het dankbare antwoord aan een edelmoedige Vader. Christenen die slechts plichten vervullen, tonen dat zij van God, die onze God is, geen persoonlijke ervaring hebben. Ik moet dit doen en dat doen … alleen plichten. Maar iets ontbreekt u! Wat is het fundament van dit moeten? Het fundament van dit moeten is de liefde van God de Vader, die eerst geeft en dan beveelt. Eerst de wet, dan de relatie – dat helpt niet op de weg van het geloof. Hoe kan een jongere verlangen christen te zijn, als wij uitgaan van verplichtingen, engagement, samenhang en niet van bevrijding? Doch christen zijn is een weg van bevrijding! De geboden bevrijden u van uw egoïsme en zij bevrijden u omdat de liefde van God u doet vooruitgaan. Christelijke vorming is niet gebaseerd op de kracht van de wil maar op het aanvaarden van het heil, op het feit zich te laten beminnen: eerst de Rode Zee, dan de Berg Sinaï. Eerst het heil: God redt Zijn volk uit de Rode Zee. Daarna op de Sinaï: daar zegt Hij wat het moet doen. Het volk beseft dat het zo handelt omdat het gered werd door een Vader die van hem houdt.

Dankbaarheid is een karakteristiek van het hart dat bezocht werd door de Heilige Geest; om God te gehoorzamen, dient men zich eerst Zijn weldaden te herinneren. De heilige Basilius zegt: “wie deze weldaden niet in de vergetelheid laat vallen, richt zich op de goede deugd en ieder werk van gerechtigheid” (Korte Regel, 56). Waar brengt ons dat alles? Bij een geheugenoefening (3) : hoeveel mooie dingen heeft God voor ieder van ons gedaan! Hoe edelmoedig is onze hemelse Vader! Ik zou u nu een kleine oefening willen voorstellen: dat ieder in de stilte van zijn hart een antwoord geeft. Hoeveel mooie dingen heeft God voor mij gedaan? Dat is de vraag. Dat ieder hierop  antwoordt in stilte. Hoeveel mooie dingen heeft God voor mij gedaan? Ziedaar, Gods bevrijding. God doet veel mooie dingen en bevrijdt ons.

Nochtans kan iemand voelen dat hij nog geen echte ervaring heeft van bevrijding door God. Dat kan. Het kan, dat men in zichzelf kijkt en er alleen plichtsgevoel vindt, een spiritualiteit van dienaars en niet van kinderen. Wat doen in zo’n geval? Wat het uitverkoren volk gedaan heeft. Het boek Exodus zegt: “Vanuit hun slavenbestaan drong hun gejammer door tot God, en God luisterde naar hun klagen: Hij was zijn verbond met Abraham, Isaak en Jakob indachtig. God zag goedgunstig neer op de Israëlieten en Hij was met hen begaan” (Ex 2,23-25). God denkt aan mij.

De bevrijdende werking van God, die aan het begin staat van de Decaloog, dat wil zeggen de geboden, is Zijn antwoord op gejammer. Wij redden ons niet op ons eentje, maar wij kunnen om hulp roepen: Heer, red mij! Heer, leer mij de weg! Heer, liefkoos mij! Heer, geef mij een beetje vreugde! Een kreet om hulp. Het is aan ons om te vragen bevrijd te worden van egoïsme, van zonde, van de ketens van de slavernij. Dat roepen is belangrijk, het is een gebed, het besef van wat in ons nog onderdrukt en niet bevrijd is. Er zijn zo veel dingen in onze ziel die niet bevrijd zijn. Red mij! Help mij! Bevrijd mij! Dat is een mooi gebed tot de Heer. God verwacht die roep, omdat Hij onze ketens kan en wil verbreken. God heeft ons niet in het leven geroepen om onderdrukt te blijven, maar vrij te zijn en in dankbaarheid te leven, door blij te gehoorzamen aan Degene die ons zoveel gegeven heeft, oneindig meer dan wij Hem ooit zouden kunnen geven. Dat is mooi! God zij altijd gezegend voor al wat Hij in ons gedaan heeft, doet en zal doen!

Terug naar overzicht
By | 2018-07-13T10:56:28+00:00 29 juni 2018|Woord van de paus|0 Comments