Alle rijkdom moet een sociale dimensie hebben

7-11-2018 Alle rijkdom moet een sociale dimensie hebben
Commentaar bij het 7e gebod: gij zult niet stelen

“Elke rijkdom moet, om goed te zijn, een sociale dimensie hebben”, verklaart paus Franciscus. “Niemand is de absolute meester van zijn bezit, maar een beheerder ervan. Bezit is een verantwoordelijkheid.” En hij zegt ook, “ieder bezit dat onttrokken wordt aan de logica van Gods Voorzienigheid is verraad, verraad in de diepste betekenis van het woord”.
Paus Franciscus vervolgt zijn catechese over de Tien Geboden met commentaar bij het zevende Woord: “gij zult niet stelen” met “een ruimere lezing” over “eigendom in het licht van de christelijke wijsheid”.
“Wat ik werkelijk bezit, is wat ik kan geven”, zegt de paus met nadruk. “Eigendom is een gelegenheid om het creatief te verveelvoudigen en edelmoedig te gebruiken, en zo te groeien in liefde en vrijheid.” “Wat ons rijk maakt, is niet het bezit, maar de liefde.”

Dierbare broeders en zusters, goeie dag!

Onze uitleg vervolgend bij de Decaloog, komen wij vandaag bij het zevende Woord, “gij zult niet doden”.
Wanneer wij dit gebod horen, denken wij aan diefstal en respect voor het bezit van de anderen. Er bestaat geen cultuur waarin diefstal en machtsmisbruik over bezit, toegelaten zijn; mensen zijn namelijk heel gevoelig om hun bezit te verdedigen.

Misschien loont het de moeite ons open te stellen voor een ruimere lezing van dit Woord en het thema van de eigendom erin op te nemen in het licht van de christelijke wijsheid.

In de sociale leer van de Kerk spreekt men over de universele bestemming van bezittingen. Wat betekent dat? Luisteren we naar wat de Catechismus van de Katholieke Kerk zegt: “In den beginne heeft God aan de menselijke gemeenschap het gezamenlijk beheer van de aarde en haar natuurlijke hulpbronnen toevertrouwd om er zog voor te dragen, om ze door haar arbeid te onderwerpen en om van haar vruchten te genieten. De goederen van de schepping zijn bestemd voor de hele mensheid” (2402). En ook: “De universele bestemming van de aardse goederen blijft de voornaamste norm, zelfs als het bevorderen van het algemeen welzijn de eerbiediging van het privé-bezit vereist, zowel wat het recht op privé-bezit betreft als het gebruik ervan” (2403).

Maar de Voorzienigheid heeft geen wereld “aan de lopende band” voorzien, er zijn verschillen, verschillende omstandigheden, verschillende culturen en zo kan men leven omdat de enen voorzien voor de anderen. De wereld heeft veel rijkdommen om de basisbehoeften van iedereen te verzekeren. En toch lijden veel mensen op een ergerniswekkende manier gebrek en bederven de rijkdommen die zonder criteria gebruikt worden. Doch, er is maar één wereld! Er is maar één mensheid. Vandaag is de rijkdom van de wereld in handen van een minderheid, van een klein aantal, terwijl armoede, of eerder miserie en lijden, het lot zijn van velen, van de meerderheid.

Als er honger op aarde is, is dat niet omwille van tekort aan voedsel! Integendeel, omwille van de markteconomie wordt het soms vernietigd, weggeworpen. Wat ontbreekt, is een vrije en scherpzinnige ondernemingsgeest, die een gepaste productie verzekert en een solidaire aanpak, die een evenwichtige verdeling verzekert. De Catechismus zegt nog: “Wat het gebruik betreft van de aardse goederen die de mens rechtmatig bezit: hij mag deze niet uitsluitend beschouwen als zijn privé-eigendom, maar evenzeer als gemeenschappelijk bezit, in deze zin dat ze niet alleen hemzelf maar ook anderen tot voordeel kunnen strekken” (2404). Elke rijkdom moet, om goed te zijn, een sociale dimensie hebben.

Het is in dit perspectief dat de positieve en ruime betekenis verschijnt van het gebod “gij zult niet stelen”. “Iemand die een goed in eigendom bezit, is als het ware een rentmeester van de voorzienigheid” (ibid.). Niemand is de absolute meester van zijn bezit, maar een beheerder ervan. Bezit is een verantwoordelijkheid:’ ik heb alles’ … – dat is een verantwoordelijkheid die ge hebt. Ieder bezit dat onttrokken wordt aan de logica van Gods Voorzienigheid is verraad, verraad in de diepste betekenis van het woord. Wat ik werkelijk bezit, is wat ik kan geven. Dat is de maat om te evalueren hoe ik mijn rijkdom kan beheren, goed of slecht; deze zin is belangrijk: wat ik werkelijk bezit, is wat ik kan geven. Als ik kan geven, ben ik open, dan ben ik rijk niet alleen door wat ik bezit, maar ook door  edelmoedig te zijn. Edelmoedigheid, dus als plicht om rijkdom te geven, zodat iedereen er deel aan heeft. Als ik er namelijk niet in slaag iets te geven, is het omdat die zaak mij bezit, omdat zij macht heeft over mij en ik er slaaf van ben. Eigendom is een gelegenheid om bezit creatief te vermenigvuldigen en edelmoedig te gebruiken, en zo te groeien in liefde en vrijheid.

Christus zelf, al is Hij God, “heeft zich niet willen vastklampen aan de gelijkheid met God: Hij heeft zich van zichzelf ontdaan” (Fil 2,6-7) en Hij heeft ons met Zijn armoede verrijkt (cf 2 Kor 8,9). Terwijl de mensheid zich moeite getroost om meer te hebben, koopt God haar vrij door zich arm te maken: deze gekruisigde Mens heeft voor iedereen een onschatbare losprijs betaald namens God de Vader, die “rijk aan erbarming” is (Ef 2,4; cf Jak 5,11). Wat ons rijk maakt, is niet het bezit, maar de liefde. Zo dikwijls hebben wij het Godsvolk horen zeggen: “de duivel komt binnen langs de zakken”. Men begint met liefde voor geld, honger naar bezit, en daar is de ijdelheid: ‘ah, ik ben rijk en ga er prat op’. En tenslotte, komen hoogmoed en zelfvoldaanheid. Dat is de manier waarop de duivel in ons werkt. Maar de toegangsdeur, zijn de zakken.

Dierbare broeders en zusters, Jezus Christus onthult ons nog maar eens de volle betekenis van de Schriften. “Gij zult niet stelen” wil zeggen: bemin met uw bezit, maak van uw middelen gebruik om te beminnen zoals ge kunt. Dan wordt uw leven goed en wordt bezit werkelijk een gave. Want het leven is geen tijd om te bezitten maar om te beminnen. Dank u.

Noot:

  • Enc. Laudato si’, 67: “Elke gemeenschap kan van het goede van de aarde afnemen wat voor haar noodzakelijk is om te overleven, maar zij heeft ook de plicht haar te beschermen en de continuïteit van haar vruchtbaarheid te waarborgen voor de toekomstige generaties; want tenslotte, “van de Heer is de aarde” (Ps 24,1), aan Hem behoort “de aarde met al wat erop is” (Deut 10,14). Daarom wijst God iedere aanmatiging van absolute eigendom af: “Het land behoort aan Mij; gij zijt er vreemdelingen en gasten” (Lev 25,23).
  • Terug naar overzicht
    By | 2018-11-12T16:50:29+00:00 8 november 2018|Woord van de paus|0 Comments