7-8-2019 Angelus – De kunst te begeleiden
Portret van een Kerk die de hand reikt

Paus Franciscus sprak over “de kunst te begeleiden” die “gekenmerkt wordt door de fijngevoeligheid waarmee men ‘de heilige grond van de ander’ benadert”: “de manier waarop God zich graag toont, in relatie, altijd in gesprek”, “door een ontmoeting tussen personen, wat alleen in liefde kan”.
De paus waarschuwde ook parochies “waar men denkt dat geld belangrijker is dan de sacramenten”: “alstublieft! een arme Kerk: laat ons dat aan de Heer vragen”.
Paus Franciscus hernam na de zomeronderbreking van juli, zijn catechesereeks over de Handelingen van de Apostelen. “De verkondiging van het Evangelie berust niet alleen op woorden maar ook op concrete daden die getuigen van de waarheid van de boodschap”.
Zo heeft de paus “een portret van de Kerk” getekend, naar het voorbeeld van twee apostelen: “die zien wie in moeilijkheden is, die de ogen niet sluiten, die de mensheid in het gelaat kunnen zien om relaties aan te knopen die zin hebben”, “die bij de hand kunnen nemen en begeleiden om op te staan – niet om te veroordelen”. “Vergeten wij niet”, besloot de paus, “altijd een uitgestoken hand om de ander te helpen opstaan; het is de hand van Jezus die door onze hand, de anderen helpt op te staan”.

Dierbare broeders en zusters, goeie dag!

In de Handelingen van de Apostelen, berust de verkondiging van het Evangelie niet alleen op woorden maar ook op concrete daden die getuigen van de waarheid van de boodschap. Het gaat om “wonderbare tekenen” (Hand 2,43) die plaatshebben door toedoen van de apostelen, die bevestigen wat zij zeggen en aantonen dat zij optreden in naam van Christus. Zo gebeurt het dat de apostelen ten beste spreken en Christus “met hen” werkt door met tekens het woord te bevestigen die het vergezellen (cf Mc 16,20). Vele tekens, vele wonderen die de apostelen deden, brachten de Godheid van Jezus werkelijk tot uiting.

Wij staan vandaag voor het eerste verhaal van een wonderlijke genezing in het boek van de Handelingen (3,1-10). Het heeft duidelijk een missionaire doel, het wil geloof wekken. Petrus en Johannes gaan bidden in de Tempel, het centrum van de geloofservaring van Israël, waarmee de eerste christenen nog een sterke band hebben. De eerste christenen baden in de Tempel van Jeruzalem. Lucas merkt het uur op: het negende uur, dat wil zeggen drie uur in de namiddag, uur waarop het offer gebracht wordt als een brandoffer, teken van de gemeenschap van het volk met zijn God; tevens het uur waarop Christus gestorven is en zichzelf “eens voor altijd” geofferd heeft (Hebr 9,12; 10,10). En aan de Tempelpoort die “de schone” genoemd wordt, zien zij een bedelaar, een man die sinds zijn geboorte verlamd is. Waarom was die man bij de poort? Omdat de Wet van Mozes (cf Lev 21,18) aan mensen met een lichamelijk gebrek – wat beschouwd werd als het gevolg van een of andere fout – verbood offers te brengen.

Herinneren wij ons dat het volk met betrekking tot een blindgeborene aan Jezus gevraagd had: “wie heeft gezondigd, hijzelf of zijn ouders, dat hij blind geboren werd?” (Joh 9,2). Volgens deze mentaliteit, is een fout altijd de oorzaak van een misvorming. En bijgevolg, werd hen zelfs de toegang tot de Tempel ontzegd. De lamme, voorbeeld van alle uitgestoten en verworpen mensen van de samenleving, bevindt zich daar om zoals alle dagen een aalmoes te vragen. Hij mocht niet binnen, maar was daar aan de poort, toen zich iets onverwacht voordeed: Petrus en Johannes komen aan en een uitwisseling van blikken komt op gang. De lamme kijkt de twee mannen aan om een aalmoes te vragen, de apostelen kijken hem strak aan en nodigen hem zo uit om anders naar hen te kijken en een andere gave te ontvangen. De lamme kijkt hen aan en Petrus zegt hem: “Zilver of goud heb ik niet: maar wat ik heb geef ik u. In de naam van Jezus Christus de Nazoreeër: gebruik uw voeten!” (v. 6). De apostelen hebben een relatie aangeknoopt. Dat is de manier waarop God zich graag toont: in relatie, altijd in gesprek, ook bij verschijningen, altijd tot het hart spreken. Zo treedt God in relatie met ons, via een ontmoeting tussen personen, en dat kan maar in liefde.

De Tempel was niet alleen het godsdienstig centrum, maar ook een plaats voor economische en financiële handel: de profeten en Jezus zelf hebben zich meer dan eens verzet tegen deze verlaging (cf Lc 19,45-46). Hoe dikwijls denk ik daaraan, wanneer ik parochies zie waar men denkt dat geld belangrijker is dan de sacramenten! Alstublieft! Een arme Kerk: laat ons dat aan de Heer vragen. Als hij de apostelen ontmoet, vindt deze bedelaar geen geld, maar vindt hij de Naam waardoor de mens gered wordt: Jezus Christus de Nazoreeër. Petrus roept de naam van Jezus aan, beveelt de lamme rechtop te staan – de houding van de levenden: rechtop – en hij raakt de zieke aan, dat wil zeggen hij neemt hem bij de hand en richt hem op – een gebaar waarin de heilige Johannes Chrysostomus “een beeld van de verrijzenis” ziet (Homelies over de Handelingen van de Apostelen, 8). En hier verschijnt het beeld van de Kerk, die degene ziet die in moeilijkheden is, die de ogen niet sluit, die de mensheid in het gelaat kan zien om relaties aan te knopen die zin hebben, bruggen van vriendschap en solidariteit te leggen in plaats van hindernissen. Zo verschijnt het gelaat van een “Kerk zonder grenzen, die zich moeder van allen weet” (Evangelii gaudium, 210), die de hand weet te nemen en te begeleiden om op te richten – niet om te veroordelen.

Jezus reikt altijd de hand, Hij probeert altijd op te richten, ervoor te zorgen dat de mensen genezen, gelukkig zijn, God ontmoeten. Het gaat om “de kunst van begeleiding” die gekenmerkt wordt door de fijngevoeligheid waarmee men ‘de heilige grond van de ander’ ‘benadert, door “een heilzaam ritme” te geven aan de tred van de ander, “d.w.z. nabij zijn met een respectvolle blik vol medeleven, maar dan een die tegelijkertijd geneest, bevrijdt en aanmoedigt om te groeien in het christelijk leven” (ibid., 169). En dat is wat de twee apostelen met de lamme doen: zij kijken hem aan, zeggen hem “kijk ons eens aan”, reiken hem de hand, helpen hem recht en genezen hem. Dat is wat Jezus met ieder van ons doet. Denken wij daaraan wanneer wij moeilijke momenten doormaken, momenten van zonde, momenten van droefheid. Jezus is daar en zegt ons: kijk naar Mij: Ik ben daar! Nemen wij de hand van Jezus en laten wij ons helpen om op te staan.

Petrus en Johannes leren ons, niet op eigen middelen te vertrouwen, al zijn zij nuttig, maar op ware rijkdom, namelijk de relatie met de Verrezene. Trouwens, zoals de heilige Paulus zou zeggen, wij zijn “berooid en maken velen rijk; haveloos en de wereld is van ons” (2 Kor 6,10). Al het onze is het Evangelie, dat de macht manifesteert van de Naam van Jezus die wonderen verricht. En wij – ieder van ons – wat bezitten wij? Wat is onze rijkdom, wat is onze schat? Waarmee kunnen wij de anderen verrijken? Vragen wij aan de Vader de gave van een dankbaar geheugen dat zich de weldaden herinnert van Zijn liefde in ons leven, om aan iedereen het getuigenis te geven van lof en dankbaarheid. Vergeten wij niet: altijd een uitgestoken hand om de ander te helpen opstaan; het is de hand van Jezus die door onze hand, de anderen helpt op te staan.

Terug naar overzicht