17-4-2019 Audiëntie – De paradoxale vraag van Jezus aan Zijn Vader
Het kruis is de plaats waar God ons verrast als nooit tevoren

“Voor welke eer leef ik? voor die van mij of die van God?” Deze vraag legt paus Franciscus ons voor wanneer hij commentaar geeft bij de paradoxale vraag van Jezus aan Zijn Vader, voor Hij het lijden ingaat: “verheerlijk Uw Zoon”. Het is namelijk wanneer Jezus op het kruis verheven is, dat God “eindelijk Zijn heerlijkheid openbaart” en “ons als nooit tevoren verrast”, zegt de paus.
Dan ontdekken wij “ dat de heerlijkheid van God geheel liefde is: zuivere, dwaze en ondenkbare liefde, boven elke limiet en maat”.
Paus Franciscus vervolgt zijn catechese over het gebed van het Onze Vader met een meditatie over drie van de laatste woorden die Christus tijdens Zijn lijden tot Zijn Vader richt.
De paus evoceert ook “het meest liefkozende en zoetste woord”, dat Jezus tot Zijn Vader in Getsemane spreekt: “Papa”.
“Denken ook wij eraan zo te bidden: “Vader”, in plaats van “alleen te blijven”, “wanneer wij in ons Getsemane binnengaan.”
Ingaand op het woord van Christus: “Vergeef hun, want zij weten niet wat zij doen”, moedigt de paus aan “in de ontmoeting met de Vader, vergeving te vinden en de moed om te vergeven”. Vergeving, zegt de paus, is “de hoogst mogelijke gave die de kring van het kwaad doorbreekt”.

Dierbare broeders en zusters, goeie dag!
In deze weken denken wij na over het Onze Vader. Nu, op de vooravond van het Paastriduüm, staan wij stil bij enkele woorden waarmee Jezus in Zijn lijden tot Zijn Vader heeft gebeden.

De eerste aanroeping komt na het laatste avondmaal wanneer de Heer “de ogen ten hemel sloeg en zei: Vader, het uur is gekomen. Verheerlijk uw Zoon (…) – en daarna – verheerlijk Mij thans bij Uzelf en geef Mij de heerlijkheid, die Ik bij U had eer de wereld bestond” (Joh 17,1.5). Jezus vraagt de heerlijkheid, een verzoek dat paradoxaal lijkt wanneer de Passie zo nabij is. Over welke heerlijkheid gaat het? In de Bijbel wijst heerlijkheid op de openbaring van God, het onderscheidend teken van Zijn heilzame aanwezigheid onder de mensen. Jezus is nu Degene die de aanwezigheid en het heil van God definitief manifesteert.

En Hij doet het met Pasen: op het kruis verheven, is Hij verheerlijkt (cf Joh 12,23-33). Het is daar dat God tenslotte Zijn heerlijkheid openbaart: Hij neemt de laatste sluier weg en verrast ons als nooit tevoren. Wij zullen namelijk ontdekken dat de heerlijkheid van God geheel liefde is: zuivere, dwaze en ondenkbare liefde, boven elke limiet en maat.

Broeders en zusters, maken wij het gebed van Jezus tot het onze: vragen wij aan de Vader de sluiers van onze ogen weg te nemen opdat wij in deze dagen, wanneer we naar het Kruisbeeld kijken, het feit kunnen aanvaarden dat God liefde is. Zo dikwijls stellen wij Hem voor als een baas en niet als een Vader, zo dikwijls denken wij dat Hij eerder een strenge rechter is dan een barmhartige Verlosser! Maar met Pasen, heft God iedere afstand op door zich te tonen in de nederigheid van een liefde die onze liefde vraagt. Wij geven Hem bijgevolg eer wanneer wij alles met liefde doen, wanneer wij alles doen met het hart, alsof het voor Hem was (cf Kol 3,17). De ware heerlijkheid is de heerlijkheid van de liefde, want het is de enige die leven geeft aan de wereld. Zeker, deze heerlijkheid is het tegendeel van wereldse eer, wanneer men bewonderd, geloofd, toegejuicht wordt: wanneer ik in het midden van de belangstelling sta.

Doch de heerlijkheid van God is daarentegen paradoxaal: geen applaus, geen publiek. In het centrum staat niet het ik maar de andere: met Pasen zien wij namelijk dat de Vader de Zoon verheerlijkt terwijl de Zoon de Vader verheerlijkt. Niemand verheerlijkt zichzelf. Wij kunnen ons vandaag de vraag stellen: voor welke eer leef ik? voor die van mij of die van God? Verlang ik alleen van anderen te ontvangen of ook aan anderen te geven?

Na het laatste avondmaal gaat Jezus naar de hof van Getsemane; en ook daar bidt Hij tot Zijn Vader. Terwijl Zijn leerlingen niet wakker kunnen blijven en Judas met de soldaten komt, begint Jezus zich beangstigd te voelen. Hij voelt heel de angst voor wat Hem te wachten staat: verraad, minachting, lijden, mislukking. Hij is bedroefd en daar, in die afgrond, in die troosteloosheid, spreekt Hij het meest liefkozende en zoetste woord tot Zijn Vader: “Abba”, “Papa” (cf Mc 14,33-36). In de beproeving leert Jezus ons de Vader te omhelzen, want door tot Hem te bidden, vinden wij de kracht om door te gaan in het lijden. Bij vermoeienis, is gebed verlichting, vertrouwen, troost.

Door iedereen verlaten, in innerlijke troosteloosheid, is Jezus niet alleen, Hij is met de Vader. In ons Getsemane, verkiezen wij daarentegen dikwijls alleen te blijven, in plaats van “Vader” te zeggen en ons, zoals Jezus, aan Hem toe te vertrouwen, ons over te geven aan Zijn wil die ons ware goed is.

Maar wanneer wij in de beproeving opgesloten blijven in onszelf, graven wij een tunnel in ons, een pijnlijke, introverte weg die slechts één richting uitgaat: steeds dieper in onszelf. Het grootste probleem is niet het lijden, maar de manier waarop wij ermee omgaan. Eenzaamheid biedt geen uitweg: gebed wel, omdat gebed relatie is, vertrouwen. Jezus vertrouwt alles en zichzelf helemaal toe aan Zijn Vader, Hij geeft Hem wat Hij voelt, Hij steunt op Hem in de strijd. Wanneer wij in ons Getsemane gaan – wij hebben of hadden of zullen allemaal ons Getsemane hebben – denken wij dan hieraan: wanneer wij er binnengaan, wanneer wij in ons Getsemane gaan, denken wij eraan zo te bidden: “Vader”.

Tenslotte, richt Jezus een derde gebed tot Zijn Vader, voor ons: “Vader, vergeef hun, want zij weten niet wat zij doen” (Lc 23,34). Jezus bidt voor degenen die boosaardig voor Hem waren, voor Zijn moordenaars. Het Evangelie preciseert dat dit gebed zich verheft op het ogenblik van de kruisiging. Het was waarschijnlijk het ogenblik van de ergste pijn, toen men de nagels in Zijn polsen en voeten sloeg. Daar, op het hoogtepunt van het lijden, stijgt de liefde ten top: dan komt de vergeving, dat wil zeggen de hoogst mogelijke gave die de kring van het kwaad doorbreekt. Als wij deze dagen het Onze Vader bidden, kunnen wij één van deze genaden vragen: onze dagen beleven voor Gods eer, dat wil zeggen met liefde; ons in de beproeving aan de Vader toevertrouwen en tot de Vader“Papa” zeggen; en in de ontmoeting met de Vader vergeving vinden en moed om te vergeven – dat gaat samen. De Vader vergeeft ons en geeft ons de moed te kunnen vergeven.

Terug naar overzicht