Een christen bidt met het “gij” en het “wij”

13-2-2019 Audiëntie – Een indrukwekkende afwezigheid in het Onze Vader
Een christen bidt met het “gij” en het “wij”

In het gebed van het Onze Vader dat Jezus aan Zijn leerlingen geleerd heeft, “ontbreekt het woord ik”, verklaart paus Franciscus. Waarom deze “indrukwekkende afwezigheid”? vraagt hij. “Omdat in het gesprek met God geen plaats is voor individualisme.” Inderdaad, legt de paus uit, wij zijn “in gemeenschap, wij zijn broers en zusters, wij zijn een volk dat bidt” en daarom “wordt met gij en wij gebeden”. “In het verborgene van zijn geweten, laat een christen de wereld niet buiten aan de deur van zijn kamer”, maar “draagt” hij haar in zijn gebed.
Paus Franciscus nam zijn catechese over het Onze Vader opnieuw op. “Het ware gebed gebeurt in het verborgene van het hart”, maar “het vervalt nooit tot intimisme”. “Het wij dat Jezus ons geleerd heeft” en dat eigen is aan het christelijk gebed, “belet niet dat men zelf in vrede is, en maakt dat ik mij verantwoordelijk voel voor mijn broeders en zusters”. Daarom, “als iemand zich geen rekenschap geeft dat rondom hem, zoveel mensen lijden, als hij geen medelijden heeft met de tranen van de armen, als hij dat allemaal gewoon geworden is”, dan is de oplossing “de Heer te smeken ons door Zijn Geest aan te raken en ons hart te vertederen”.

Dierbare broeders en zusters, goeie dag!

Wij vervolgen onze weg om steeds beter te leren bidden zoals Jezus het ons geleerd heeft. Wij moeten bidden zoals Hij het ons leerde. Hij heeft gezegd: “als gij bidt, ga dan in uw binnenkamer, sluit de deur achter u en bid tot uw Vader”! Jezus wil dat Zijn leerlingen niet zijn zoals hypocrieten die rechtstaand bidden op de pleinen om door de mensen bewonderd te worden (cf Mt 6,5). Jezus wil geen hypocrisie. Het echte gebed is dat wat men in het verborgene van het geweten, van het hart doet: ondoordringbaar, alleen zichtbaar voor God. Ik en God. Hij heeft een afkeer van valsheid: met God, is het onmogelijk de schijn op te houden. Het is onmogelijk, tegenover God kan men niet met opmaak verschijnen, God kent ons zo, naakt in ons geweten, en men kan niet doen alsof. Aan de oorsprong van het gesprek met God, is er een stil gesprek, zoals de blikken van twee geliefden die elkaar kruisen: de mens en God wisselen een blik uit, dat is gebed. “Maar vader, ik zeg niets …” Kijk naar God en laat u door Hem bekijken: dat is gebed, dat is mooi gebed! En toch, al is het gebed van een leerling geheel vertrouwelijk, het vervalt nooit tot intimisme. In het verborgene van zijn geweten, laat een christen de wereld buiten aan de deur van zijn kamer, maar in zijn hart draagt hij de mensen, situaties en problemen, al die dingen, hij draagt ze allemaal in zijn gebed.

Er is in de tekst van het Onze Vader een indrukwekkende afwezigheid. Als ik u zou vragen wat die indrukwekkende afwezigheid in de tekst van het Onze Vader is, zal het niet gemakkelijk zijn te antwoorden. Er ontbreekt een woord. Denk eens na: wat ontbreekt in het Onze Vader? Denk eens na, wat ontbreekt er? Een woord. Een woord waar iedereen in onze tijd – maar misschien altijd – veel belang aan hecht. Welk woord ontbreekt in het Onze Vader dat wij alle dagen bidden? Om tijd te winnen, zal ik het u zeggen: het woord ik ontbreekt. Er wordt nooit ik gezegd. Jezus leert hoe te bidden: met vooral het Gij op de lippen, omdat christelijk gebed een gesprek is: “Uw Naam worde geheiligd, Uw Rijk komen, Uw wil geschiede”. En niet: mijn naam, mijn rijk, mijn wil. Ik, nee! Dat gaat niet. En daarna gaat het over in wij. Heel het tweede deel van het Onze Vader wordt in de eerste persoon meervoud gesproken: “geef ons heden ons dagelijks brood en vergeef ons onze schulden zoals ook wij vergeven aan onze schuldenaren en breng ons niet in beproeving maar verlos ons van het kwade”. Zelfs de meest elementaire vragen van de mens – zoals voedsel om zijn honger te stillen – zijn in het meervoud. In het christelijk gebed vraagt niemand brood voor zichzelf: geef mij heden mijn dagelijks brood, nee! Geef ons: hij smeekt voor iedereen, voor alle armen ter wereld. Dat mag men niet vergeten, het woord ik ontbreekt. Er wordt gebeden met het gij en het wij. Dat is een goede les van Jezus, vergeet het niet.

Waarom? Omdat er geen plaats is voor individualisme in het gesprek met God. De eigen problemen worden niet tentoongesteld alsof wij de enigen op aarde zijn die lijden. Er wordt geen gebed tot God gericht, dat niet het gebed is van een gemeenschap van broeders en zusters, het wij: wij zijn in gemeenschap, wij zijn broeders en zusters, wij zijn een volk dat bidt, wij. Eens vroeg een gevangenisaalmoezenier mij: zeg mij, vader, welk woord staat tegenover het ik? – En ik zei naïef: gij. – Dat is het begin van de oorlog. Het woord tegenover ik, is wij, waar vrede is, allemaal samen. Dat was een mooie les die ik van die priester kreeg.

In het gebed brengt een christen al de moeilijkheden van de mensen die naast hem leven: wanneer de avond valt, vertelt hij aan God het verdriet dat hij die dag ontmoet heeft; hij brengt alle gezichten – van vriend en vijand – voor Hem; hij verjaagt ze niet alsof zij gevaarlijke verstrooiingen zijn. Als iemand zich geen rekenschap geeft dat rond hem zoveel mensen lijden, als hij geen medelijden heeft met de tranen van de armen, als hij dat allemaal gewoon geworden is, dan betekent dit dat zijn hart … hoe is het? Slap? Nee, erger: van steen. Het is in dat geval goed de Heer te smeken ons aan te raken door Zijn Geest en ons hart te vertederen: Verteder mijn hart, Heer. Dat is een mooi gebed: Heer, verteder mijn hart, opdat het alle problemen, alle verdriet van de anderen zou kunnen begrijpen en op zich nemen. Christus is niet ongedeerd langs de ellende van de wereld gegaan: telkens Hij eenzaamheid bemerkte, pijn naar lichaam of geest, voelde Hij sterk medelijden, zoals de ingewanden van een moeder. Medelijden voelen – vergeten wij dat zo christelijke woord niet: medelijden voelen, is een sleutelwoord in het Evangelie. Dat is wat de goede Samaritaan aanzet om naar de gewonde man langs de weg te gaan, in tegendeel tot anderen die een stenen hart hebben.

Wij kunnen ons de vraag stellen: wanneer ik bid, sta ik dan open voor de kreet van zoveel mensen dichtbij en ver weg? Of denk ik aan het gebed als aan een soort verdoving, om rustiger te kunnen zijn? Dit is mijn vraag aan u, dat ieder daarop een antwoord geeft. In het laatste geval, zou ik het slachtoffer zijn van een verschrikkelijke dubbelzinnigheid. Mijn gebed zou zeker geen christelijk gebed meer zijn. Omdat het wij dat Jezus ons leerde, mij belet op mijn eentje in vrede te zijn en het mij verantwoordelijk doet voelen voor mijn broeders en zusters.

Er zijn mensen die God blijkbaar niet zoeken, maar Jezus doet ons ook voor hen bidden omdat God die mensen meer dan alle anderen zoekt. Jezus is niet gekomen voor de gezonden maar voor de zieken, voor de zondaars (cf Lc 5,31) – dat wil zeggen voor iedereen want wie denkt gezond te zijn, is het feitelijk niet. Als wij voor rechtvaardigheid werken, laten we ons dan niet beter voelen dan de anderen: de Vader laat Zijn zon zowel opgaan voor de goeden als de slechten (cf Mt 5,45). De Vader bemint iedereen! Leren wij dat van God, die altijd goed is voor iedereen, in tegenstelling tot ons die slechts voor sommigen goed kunnen zijn, met degenen die ons bevallen.

Broeders en zusters, heiligen en zondaars, wij zijn allemaal broeders, bemind door dezelfde Vader. Op de avond van ons leven, zullen wij over de liefde geoordeeld worden, over de manier waarop wij bemind hebben. Niet over een louter sentimentele liefde, maar een liefde vol medelijden en concreet, volgens de regel van het Evangelie – vergeet het niet! – “al wat gij gedaan hebt voor een dezer geringsten van mijn broeders hebt gij voor Mij gedaan” (Mt 25,40). Zo spreekt de Heer.
Dank u.

Terug naar overzicht
By |2019-02-21T20:31:28+01:00 15 februari 2019|Woord van de paus|0 Comments