15-9-2019 Angelus – Een zin om op kerkdeuren te schrijven

De zin die wij op de deur van de kerken zouden kunnen schrijven? “Hier ontvangt Jezus de zondaars en nodigt Hij hen uit op Zijn maaltijd”, luidt het antwoord van paus Franciscus tijdens de Angelustoespraak.
De paus mediteerde over het Evangelie van deze dag en zei dat God “niet berust”: “Hij neemt juist u ter harte die de schoonheid van Zijn liefde nog niet kent, u die Jezus nog niet tot het centrum van uw leven gemaakt hebt, u die uw zonde nog niet kunt overstijgen, u die niet in de liefde geloofd, misschien door de slechte dingen die in uw leven gebeurd zijn”.
Hij waarschuwde tegen het risico te “geloven in een God die eerder streng dan barmhartig is, een God die het kwaad eerder overwint door macht dan door vergeving”: “God redt uit liefde, niet door kracht; door zich aan te bieden, niet door zich op te dringen”.
En de paus waarschuwde eveneens: “Wij vergissen ons wanneer wij denken rechtvaardig te zijn, wanneer wij denken dat de slechten de anderen zijn”.
Wat doen om het kwaad te overwinnen? Gods vergeving aanvaarden, want “God wist het kwaad uit … met God heeft geen enkele zonde het laatste woord”.

Dierbare broeders en zusters, goeie dag!

Het Evangelie van vandaag (Lc 15,1-32) begint met enkele personen die kritiek hebben op Jezus, wanneer ze Hem in het gezelschap zien van tollenaars en zondaars, en zij zeggen verontwaardigd: “Die man ontvangt zondaars en eet met hen” (v. 2). Deze zin blijkt in feite een buitengewone verkondiging te zijn. Jezus ontvangt zondaars en eet met hen. Dat overkomt ons in elke Mis, in elke kerk: Jezus is blij dat Hij ons kan ontvangen aan Zijn tafel, waar Hij zich voor ons geeft. Dat is de zin die wij op de deur van onze kerken zouden kunnen schrijven: “Hier ontvangt Jezus de zondaars en nodigt Hij hen uit op Zijn maaltijd”. En de Heer antwoordt aan degenen die Hem bekritiseerden, met drie buitengewone parabels, die Zijn voorkeur tonen voor degenen die zich ver van Hem voelen. Vandaag zou het goed zijn dat iedereen zijn Evangelie zou nemen en in de heilige Lucas hoofdstuk 15, de drie parabels zou lezen, zij zijn prachtig.

In de eerste zegt Hij: “Wanneer iemand onder u honderd schapen heeft en er één van verliest, laat hij dan niet de negenennegentig in de wildernis achter om op zoek te gaan naar het verlorene, totdat hij het vindt?” (v. 4). Iemand van u? Iemand met gezond verstand, nee: die zou twee keer tellen en één schaap opofferen om de 99 te behouden. God daarentegen berust niet, Hij neemt juist u ter harte die de schoonheid van Zijn liefde nog niet kent, u die Jezus nog niet tot het centrum van uw leven gemaakt hebt, u die uw zonde nog niet kunt overstijgen, u die niet in de liefde geloofd, misschien door de slechte dingen die in uw leven gebeurd zijn.

In de tweede parabel, bent u dat kleine geldstuk. De Heer berust er niet in het te verliezen en zoekt het zonder respijt: Hij wil u zeggen dat ge kostbaar bent in Zijn ogen, uniek. Niemand kan u in het hart van God vervangen. Gij hebt uw plaats daar …

En in de derde parabel, is er een vader die op de terugkeer van de verloren zoon wacht: God wacht op ons, Hij wordt het niet moe, Hij verliest de moed niet. Want wij zijn dat, ieder van ons is die zoon die opnieuw omhelsd wordt, het geldstuk dat teruggevonden wordt, het schaapje dat gestreeld en op Zijn schouders gelegd wordt. Hij verwacht elke dag dat wij dichter bij Zijn liefde komen. En gij zegt: ik heb te veel uitgestoken! – wees niet bang: God houdt van u en weet dat alleen Zijn liefde u kan veranderen. Maar deze oneindige liefde van God voor ons, zondaars, wat de kern van het Evangelie is, kan afgewezen worden.

Dat is wat de oudste zoon van de parabel doet. Hij heeft eerder een meester dan een vader voor de geest. Dat is ook voor ons een gevaar: eerder geloven dat God streng is dan barmhartig, een God die het kwaad eerder door macht dan door vergeving overwint. Zo is het niet. God redt uit liefde, niet door kracht; door zich aan te bieden, niet door zich op te dringen. Maar de oudste zoon die de barmhartigheid van de vader niet aanvaardt, maakt nog een grotere fout: hij denkt rechtvaardig te zijn … en hij beoordeelt alles op grond van zijn rechtvaardigheid. Daarom windt hij zich op tegen zijn broer en maakt hij zijn vader een verwijt: “En nu die zoon van u is gekomen … hebt ge voor hem het gemeste kalf laten slachten” (v. 30). Die zoon van u: hij noemt hem niet mijn broer, maar uw zoon. Hij voelt zich een enige zoon. Ook wij hebben het verkeerd voor wanneer wij denken rechtvaardig te zijn, wanneer wij denken dat de slechten de anderen zijn. Denken we van onszelf niet dat we goed zijn, want op ons eentje, zonder de hulp van God die goed is, kunnen wij het kwaad niet overwinnen …

Wat doen om het kwaad te overwinnen? Gods vergeving aanvaarden, de vergeving van onze broeders aanvaarden. Dat gebeurt telkens we gaan biechten. Daar ontvangen wij de liefde van de Vader die onze zonde overwon: de zonde bestaat niet meer, God vergeet ze. Wanneer God vergeeft, verliest Hij Zijn geheugen, Hij vergeet onze zonden. Hij vergeet, Hij is zo goed voor ons. Niet zoals wij, die nadat we “dat is niets” gezegd hebben, ons bij de eerste gelegenheid het onrecht met intrest herinneren. Nee, God wist het kwaad uit, Hij hernieuwt van binnenuit en laat zo opnieuw vreugde in ons ontstaan. Geen droefheid, geen duisternis in het hart, geen wantrouwen, maar vreugde. Moed, met God heeft geen enkele zonde het laatste woord.

Moge de Maagd Maria, die de knopen ontwart, ons bevrijden van de verwaandheid te denken dat we rechtvaardig zijn en ons de behoefte doen voelen naar de Heer te gaan, die op ons wacht om ons te vergeven.

Terug naar overzicht