12-6-2019 Audiëntie – Eenheid onder broeders volgt uit authentieke zelfgave
De schoonheid om van de Verrezen Heer te getuigen

“Eenheid onder broeders” is “de unieke atmosfeer die mogelijk is door authentieke zelfgave”, zegt paus Franciscus. “Gemeenschap overstijgt verdeeldheid, isolement en de mentaliteit die de ruimte voor privacy verabsoluteert”, zij is “het eerste getuigenis dat de apostelen geven”, gaat de paus verder. In de Handelingen van de Apostelen “manifesteren (de Twaalf) niet hun veronderstelde volmaaktheid aan de wereld, maar door de genade van de eenheid tonen zij een Ander die voortaan op een nieuwe manier te midden van Zijn volk leeft”, de Heer Jezus.
Paus Franciscus gaat verder met zijn catechese over de Handelingen van de Apostelen. Hij richt zijn meditatie op de passage (1,21-22.26) die vertelt over de verkiezing van Mattias door de Elf, om Judas te vervangen.
Door te kiezen voor een “leven onder de heerschappij van de Verrezene”, “kiezen (de apostelen) voor het leven en voor zegen, en worden verantwoordelijk door ze op hun beurt in de geschiedenis te verspreiden, van generatie op generatie, van het volk van Israël tot de Kerk”. Zij zijn lichtende getuigen van de levende God die in de geschiedenis werkzaam is”, benadrukt de paus die uitnodigt te “de schoonheid te herontdekken om van de Verrezen Heer te getuigen, door houdingen los te laten die naar onszelf verwijzen, door Gods gaven niet voor onszelf te behouden en niet toe te geven aan middelmatigheid”.

Dierbare broeders en zusters, goeiedag!
Wij zijn een weg ingeslagen van catecheses die een reis volgen: de reis van het Evangelie, verteld door het boek van de Handelingen van de Apostelen. Dit boek toont namelijk de reis van het Evangelie, hoe het Evangelie verder gegaan is, steeds verder … Alles begint bij de verrijzenis van Christus. Inderdaad, zij is geen gebeurtenis onder vele andere, maar de bron van het nieuwe leven. De leerlingen weten het, en gehoorzaam aan het gebod van Jezus blijven zij verenigd, eensgezind en volhardend in het gebed. Zij drukken zich aan tegen Maria, hun Moeder, en bereiden zich voor om de macht van God te ontvangen, niet passief, maar door de gemeenschap onder hen te consolideren.

Deze eerste gemeenschap werd gevormd door min of meer 120 broeders en zusters: een aantal dat het getal 12 bevat, emblematisch voor Israël omdat het de 12 stammen vertegenwoordigt, en emblematisch voor de Kerk omwille van de twaalf apostelen, door Jezus gekozen. Maar nu, na de pijnlijke gebeurtenissen van de passie, zijn de apostelen van de Heer niet meer met twaalf maar met elf. Eén van hen, Judas, is er niet meer: door wroeging verpletterd, heeft hij zich het leven ontnomen.

Hij begon zich reeds van de gemeenschap met de Heer en de anderen af te scheiden, op zijn eentje te handelen, zich te isoleren, zich aan geld te hechten zodat hij de armen misbruikte, de gratuïteit van de zelfgave uit het oog verloor, en uiteindelijk zijn geest en hart liet aantasten door het virus van de hoogmoed zodat hij van een vriend (Mt 26,50) een vijand werd en “de gids is geworden van hen die Jezus gevangen namen” (Hand 1,16). Judas had de grote genade ontvangen deel uit te maken van de groep vertrouwelingen van Jezus en deel te hebben aan Zijn ambt, maar op een zeker punt kreeg hij de pretentie zelf zijn leven te “redden”, met het gevolg dat hij het verloor (cf Lc 9,24). Hij behoorde niet langer van harte tot Jezus en plaatste zichzelf buiten de gemeenschap met Hem en de Zijnen. Hij was niet langer een leerling en plaatste zich boven de Meester. Hij heeft Hem verkocht en met het “loon van zijn misdaad” heeft hij zich een stuk grond verworven dat geen vrucht droeg maar doordrongen was van zijn bloed (cf Hand 1,18-19).

Ja, Judas verkoos de dood boven het leven (cf Deut 30,19; Sir 15,17) en volgde het voorbeeld van de boosdoeners wiens weg is als de duisternis en die hun ondergang tegemoet gaan (cf Pred 4,19; Ps 1,6); de Elf kozen voor het leven en voor zegen, en werden verantwoordelijk door ze op hun beurt in de geschiedenis te verspreiden, van generatie op generatie, van het volk van Israël tot de Kerk.

De evangelist Lucas toont ons dat door de ene van de Twaalf die opgaf, die een wonde geslagen had in de gemeenschap, zijn taak moest overgaan op iemand anders. En wie zou die kunnen opnemen? Petrus noemt de voorwaarden: het nieuwe lidmaat moet van in het begin een leerling van Jezus geweest zijn, dat wil zeggen vanaf het doopsel in de Jordaan tot aan het einde, dat is de hemelvaart (cf Hand 1,21-22). De groep van de Twaalf moet opnieuw gevormd worden. Op dat moment wordt de praktijk ingevoerd van gemeenschappelijke onderscheiding, die erin bestaat met Gods ogen naar de werkelijkheid te kijken, in een optiek van eenheid en gemeenschap.

Er zijn twee kandidaten: Jozef Barsabbas en Mattias. Dan bidt heel de gemeenschap als volgt: “Gij Heer, die aller harten kent, wijs degene aan die Gij van deze twee hebt uitverkoren om de plaats te bezetten … waaraan Judas ontrouw werd” (Hand 1,24-25). En door het lot wijst de Heer Mattias aan, die bij de Elf gevoegd wordt. Zo wordt het lichaam van de Twaalf opnieuw gevormd, teken van gemeenschap, en de gemeenschap overwint verdeeldheid, isolement en de mentaliteit die privacy verabsoluteert; ook een teken dat de gemeenschap het eerste getuigenis van de apostelen is. Jezus had het gezegd: “Hieruit zullen allen kunnen opmaken dat gij mijn leerlingen zijt: als gij de liefde onder elkaar bewaart” (Joh 13,35).

In de Handelingen van de Apostelen manifesteren de Twaalf de stijl van de Heer. Het zijn de geloofwaardige getuigen van het heilswerk van Christus en zij manifesteren voor de wereld niet hun veronderstelde volmaaktheid maar tonen door de genade van de eenheid een Ander, die voortaan op een nieuwe manier te midden van Zijn volk leeft. En wie is Hij? Het is de Heer Jezus. De apostelen kiezen ervoor te leven onder de heerschappij van de Verrezen Heer in de eenheid onder broeders, de enig mogelijke atmosfeer door authentieke zelfgave.

Ook wij moeten de schoonheid herontdekken om van de Verrezen Heer te getuigen, door houdingen los te laten die naar onszelf verwijzen, door Gods gaven niet voor onszelf te behouden en niet te zwichten voor middelmatigheid. De nieuwe samenstelling van het apostelcollege toont hoezeer eenheid en vrijheid ten opzichte van zichzelf in het DNA van de christengemeenschap geschreven staan, zodat men niet bang is voor verscheidenheid, men zich niet vastklampt aan dingen en gaven, en men “martyres” wordt, dat wil zeggen lichtende getuigen van de levende God die werkzaam is in de geschiedenis.

Terug naar overzicht