2-5-2019 Audiëntie – En breng ons niet in beproeving

“Een vader legt geen valstrik voor zijn kinderen”, zegt de paus in zijn commentaar op de bede uit het Onze Vader: “breng ons niet in beproeving”. De paus erkent de onduidelijkheid van de moderne vertaling maar is formeel: “wij moeten uitsluiten dat God de hoofdrol speelt in de bekoringen/beproevingen die zich voordoen op de weg van de mens”. De bekoring “komt van satan” en tot hen die denken dat satan niet bestaat, zegt de paus: “kijk naar wat het Evangelie leert: Jezus werd met de duivel geconfronteerd, Hij werd door satan op de proef gesteld”.
Paus Franciscus gaat verder met zijn catechese over het Onze Vader en heeft het over de voorlaatste bede van dit gebed: “breng ons niet in beproeving”. Hij doet opmerken: “ons gesprek met onze Hemelse Vader gaat nu bij wijze van spreken over de kern van het drama, namelijk op het terrein waarop onze vrijheid geconfronteerd wordt met de valstrikken van de boze”.
Maar op dat terrein is de mens nooit alleen. In ogenblikken van beproeving en bekoring, legt de paus uit, “wanneer het kwaad zich in het leven van de mens aandient”, “strijdt God aan zijn zijde om hem ervan te bevrijden”, omdat “God, Vader is!”. Hij “vecht altijd voor ons, niet tegen ons”. “In de moeilijkste momenten van ons leven, in ogenblikken van het grootste leed, in de meest bange ogenblikken, waakt God met ons, strijdt God met ons, is Hij altijd dicht bij ons.”

Dierbare broeders en zusters, goeie dag!
Wij vervolgen onze catechese over het Onze Vader en komen aan bij de voorlaatste bede: “breng ons niet in beproeving” (cf Mt 6,13). Het Onze Vader begint sereen: het doet ons ernaar verlangen dat het grote plan van God zich onder ons zou kunnen verwerkelijken. Daarna kijkt het naar het leven en doet het ons vragen wat wij dagelijks nodig hebben: ons “dagelijks brood”. Vervolgens richt het gebed zich naar onze menselijke relaties, die dikwijls door egoïsme bezoedeld zijn: wij vragen vergeving en engageren ons te vergeven. Maar het is met deze voorlaatste bede dat ons gesprek met de Hemelse Vader, bij wijze van spreken, tot de kern van het drama gaat, dat wil zeggen het terrein waarop onze vrijheid geconfronteerd wordt met de valstrikken van het kwaad.

Zoals wij weten, is de oorspronkelijke Griekse verwoording in de Evangelies moeilijk om exact weer te geven en alle moderne vertalingen lopen een beetje mank. Maar wij kunnen unaniem convergeren op één element: hoe men de tekst ook begrijpt, wij moeten uitsluiten dat God de hoofdpersoon is in de bekoringen/ beproevingen die zich voordoen op de weg van de mens. Alsof God op de loer lag om valstrikken te leggen voor Zijn kinderen.
Zo een interpretatie is vooreerst in tegenspraak met de tekst zelf en staat ver van het beeld van God dat Jezus ons geopenbaard heeft. Vergeten wij niet: het Onze Vader begint met “Vader”. En een vader legt geen valstrikken voor zijn kinderen. Christenen hebben niets te maken met een afgunstige God, die de rivaal is van de mens of zich ermee zou amuseren hem op de proef te stellen. Dat is het beeld van veel heidense goden.
In de Brief van de apostel Jakobus lezen wij: “Niemand mag zeggen, als hij bekoord wordt: Ik word door Gods toedoen bekoord. God brengt niemand in verzoeking, zo min als Hijzelf door het kwade kan worden bekoord” (1,13). Het is eerder het tegendeel: de Vader maakt het kwaad niet, aan geen enkel kind dat Hem een vis vraagt, geeft Hij een slang (cf Lc 11,11) – leert Jezus ons – en wanneer het kwaad zich in het leven van de mens aandient, vecht Hij aan zijn zijde om hem ervan te bevrijden. Een God die altijd voor ons strijdt, niet tegen ons. Dat is de Vader! Het is in die zin dat wij het Onze Vader bidden.

Deze twee momenten – beproeving en bekoring – waren mysterieus aanwezig in het leven van Jezus zelf. In deze ervaring heeft de Zoon van God zich helemaal tot onze broeder gemaakt, zodanig dat het bijna ergerniswekkend is. En het zijn juist deze passages uit het Evangelie die ons tonen dat de moeilijkste beden uit het Onze Vader, die de tekst besluiten, reeds verhoord zijn: God heeft ons niet alleen gelaten, maar manifesteert zich in Jezus als de “God-met-ons” tot in de uiterste consequenties. Hij is met ons wanneer Hij ons het leven geeft, Hij is met ons tijdens het leven, Hij is met ons in de mislukkingen, wanneer wij zondigen, maar Hij is altijd met ons omdat Hij Vader is en Hij ons niet in de steek kan laten.

Als wij bekoord worden kwaad te doen, door onze broederschap met de anderen te negeren en absolute macht verlangen over alle en iedereen, heeft Jezus deze bekoring voor ons reeds bestreden: de eerste bladzijden van het Evangelie getuigen ervan. Onmiddellijk nadat Hij het doopsel van Johannes ontvangen heeft, te midden van de menigte zondaars, trekt Jezus zich in de woestijn terug waar Hij door satan op de proef gesteld wordt. Satan was aanwezig. Velen zeggen: maar waarom over de duivel spreken, dat is iets van vroeger, de duivel bestaat niet. Kijk dan naar wat het Evangelie daarover zegt: Jezus werd met de duivel geconfronteerd, Hij werd door satan bekoord. Maar Jezus wijst iedere bekoring af en met succes. Het Evangelie van Matteüs heeft een interessante bemerking die het duel tussen Jezus en de vijand afsluit: “nu liet de duivel Hem met rus en er kwamen engelen om hem hun diensten te bewijzen” (4,11).

Zelfs op het ogenblik van de grootste beproeving, laat God ons niet alleen. Wanneer Jezus zich terugtrekt om in Getsemane te gaan bidden, wordt Zijn hart door onuitsprekelijke angst overmeesterd – dat is wat Hij tot Zijn leerlingen zegt – en ervaart Hij eenzaamheid en verlatenheid. Alleen, met de verantwoordelijkheid op Zijn schouders voor alle zonden ter wereld; alleen, met onuitsprekelijke angst. De beproeving is zo verscheurend dat iets onverwacht gebeurt. Jezus bedelt nooit om liefde voor zichzelf, en toch, in die nacht, is Zijn ziel bedroefd tot stervens toe, en vraagt Hij de nabijheid van Zijn vrienden: “Blijft hier en waakt met Mij” (Mt 26,38).
Wij weten het, de leerlingen slapen, bezwaard door slaperigheid, door angst veroorzaakt. In de doodstrijd, vraagt God aan de mens Hem niet te vergeten, en de mens slaapt. In het ogenblik waarop de mens beproeving kent, waakt God. In de moeilijkste momenten van ons leven, in ogenblikken van het grootste leed, in de meest bange ogenblikken, waakt God met ons, strijdt God met ons, is Hij altijd dicht bij ons. Waarom? Omdat Hij Vader is. Zo beginnen wij het gebed: Onze Vader. En een vader laat zijn kinderen niet in de steek. Die nacht van Jezus’ lijden, van strijd, is de laatste bezegeling van de menswording: God daalt neer om ons in de geschiedenis van onze afgrond en kwellingen te vinden.

Hij is onze troost in het uur van de beproeving: weten dat dit dal, sinds Jezus er doorheen gegaan is, niet meer verlaten is, maar gezegend door de aanwezigheid van de Zoon van God. Hij zal ons nooit verlaten! Verwijder dan van ons, o God, de tijd van beproeving en bekoring. Maar wanneer dit moment voor ons zal komen, toon ons dan, Onze Vader, dat wij niet alleen zijn. Gij zijt de Vader. Toon ons dat Christus de last van het kruis reeds op zich genomen heeft. Toon ons dat Jezus ons oproept het met Hem te dragen door ons met vertrouwen over te geven aan Zijn Vaderliefde.

Terug naar overzicht