En vergeef ons onze schulden

10-4-2019 Audiëntie – En vergeef ons onze schulden

De meest gevaarlijke houding in elk christenleven? “Hoogmoed”, is het antwoord van paus Franciscus. “Mensen die zich volmaakt voelen, die anderen bekritiseren, zijn hoogmoedige mensen. Niemand onder ons is volmaakt, niemand.” “Echte liefde, is wanneer wij kunnen beminnen, maar met Gods genade.”
Paus Franciscus gaat verder met zijn catechese over het Onze Vader en mediteert over de vraag “vergeef ons onze schulden”. “Er zijn zonden die men ziet en zonden die men niet ziet. Er zijn opvallende zonden die van zich doen spreken, maar er zijn ook geniepige zonden, die zich in het hart nestelen, zelfs zonder dat wij het merken. De ergste van die zonden is hoogmoed, die ook mensen kan aantasten die een intens religieus leven leiden.”
Paus Franciscus geeft als voorbeeld een zusterklooster “in de jaren 1600-1700 in de tijd van het jansenisme: zij waren absoluut perfect en er werd over hen gezegd dat zij zuiver als engelen waren maar hoogmoedig als duivelen. Triestig. Zonde verdeelt de broederlijkheid, zonde doet ons denken dat we beter zijn dan anderen, zonde doet ons geloven dat wij als God zijn”.
“Dat is de eerste waarheid van elk gebed: ook al waren wij volmaakt, al waren wij doorzichtige heiligen die nooit van de goede weg afdwalen, wij blijven altijd kinderen die alles aan hun Vader te danken hebben … Ook al maken wij allemaal moeilijke dagen mee, wij moeten er altijd aan denken dat het leven een genade is, een wonder dat God uit het niets gehaald heeft.”
“Niemand van ons houdt zo veel van God als Hij van ons houdt”, insisteert de paus.

Dierbare broeders en zusters, goeie dag!
Na aan God het dagelijks brood gevraagd te hebben, snijdt het Onze Vader het domein van de relaties met de anderen aan. En Jezus leert ons aan de Vader te vragen: “Vergeef ons onze zonden, zoals ook wij vergeven aan onze schuldenaren” (Mt 6,12). Zoals wij brood nodig hebben, zo hebben wij ook vergeving nodig. En dat alle dagen.

Een christen die bidt, vraagt eerst aan God dat zijn zonden vergeven worden, het kwaad dat hij deed. Dat is de eerste waarheid van elk gebed: ook al waren wij volmaakt, ook al waren wij doorzichtige heiligen die nooit van de goede weg afdwalen, wij blijven altijd kinderen die alles aan hun Vader te danken hebben. De gevaarlijkste houding van elk christenleven, wat is dat? Hoogmoed. Het is de houding van iemand die voor God gaat staan en denkt dat zijn rekeningen met Hem altijd in orde zijn: een hoogmoedige gelooft dat alles met hem in orde is.

Zoals de farizeeër in de tempel, uit de parabel, die denkt te bidden maar in feite zichzelf looft ten overstaan van God: “ik dank U, Heer, dat ik niet ben zoals de anderen”. En mensen die zichzelf volmaakt vinden, die anderen bekritiseren, zijn hoogmoedige mensen. Niemand van ons is volmaakt, niemand. Integendeel, de tollenaar die achter in de tempel blijft staan, een zondaar door iedereen geminacht, hij blijft aan de ingang van de tempel staan en voelt zich onwaardig er binnen te gaan en vertrouwt zich toe aan Gods barmhartigheid. En Jezus geeft deze commentaar: “deze ging gerechtvaardigd naar huis en niet die andere” (Lc 18,14), dat wil zeggen vergeven, gered. Waarom? Omdat hij niet hoogmoedig was, omdat hij zijn grenzen en zijn zonden erkende.

Er zijn zonden die zichtbaar zijn en zonden die men niet ziet. Er zijn opvallende zonden die van zich doen spreken, maar er zijn ook geniepige zonden, die zich in het hart nestelen zelfs zonder dat wij het merken. De ergste daarvan is de hoogmoed, die ook mensen kan aantasten die een intens religieus leven leiden. Er was eens een bekend zusterklooster in de jaren 1600-1700, in de tijd van het jansenisme: zij waren absoluut perfect en men zei van hen dat zij zuiver waren als engelen maar hoogmoedig als duivelen. Triestig. De zonde verdeelt de broederlijkheid, de zonde doet ons denken dat wij beter zijn dan de anderen, de zonde doet ons gelovigen dat wij als God zijn.

Ten overstaan van God zijn wij echter allemaal zondaars en hebben wij reden om ons op de borst te slaan – allemaal! – zoals de tollenaar in de tempel. In zijn Eerste Brief schrijft de heilige Johannes: “Als wij beweren zonder zonde te zijn, bedriegen wij onszelf en woont de waarheid niet in ons” (1 Joh 1,8). Als ge uzelf wilt bedriegen, zeg dan dat ge geen zonden hebt; zo bedriegt ge uzelf.

Wij zijn allemaal schuldenaars, vooral omdat wij in dit leven veel gekregen hebben: het leven, een vader en een moeder, vriendschap, de wonderen van de schepping … Ook al maken wij allemaal moeilijke dagen mee, wij moeten ons allemaal herinneren dat het leven een genade is, een wonder dat God uit het niets gehaald heeft.

In de tweede plaats zijn wij schuldenaars – ook al slagen wij erin lief te hebben – omdat niemand van ons in staat is het op eigen kracht alleen te doen. Echte liefde is kunnen beminnen met Gods genade. Niemand van ons straalt een eigen licht uit. Er is wat de theologen van vroeger een mysterium lunae noemen, dat is niet alleen zo voor de Kerk, maar ook voor ieders geschiedenis. Wat betekent dat mysterium lunae? Die als de maan, die geen eigen licht heeft: zij weerkaatst het licht van de zon. Ook wij hebben geen eigen licht: het licht dat wij hebben, is een weerkaatsing van Gods genade, van Gods licht. Als ge bemint, is het omdat iemand anders naar u geglimlacht heeft toen ge kind waart, en u leert antwoorden met een glimlach. Als ge bemint, is het omdat iemand anders u tot liefde gewekt heeft, en u doet begrijpen dat de zin van het bestaan in Hem ligt.

Proberen wij te luisteren naar de geschiedenis van iemand die mislopen is: een gevangene, een veroordeelde, een gedrogeerde … wij kennen zoveel mensen die verkeerde wegen gingen. Zonder vooroordeel over hun verantwoordelijkheid, die altijd persoonlijk is, vraagt ge u soms af wie schuld heeft aan hun fout, of het alleen hun geweten is, of de geschiedenis van haat en verwaarlozing die sommigen met zich meedragen.

Dat is het mysterie van de maan: wij beminnen, vooral omdat wij bemind werden, wij vergeven omdat wij vergeven werden. En als iemand niet belicht werd door het licht van de zon, wordt hij ijzig als de grond in de winter.

Hoe zouden wij in de keten van liefde die ons is voorafgegaan, ook niet de providentiële aanwezigheid van Gods liefde erkennen? Niemand van ons houdt zoveel van God als Hij van ons houdt. Het volstaat voor een kruisbeeld te gaan staan om de wanverhouding te zien: Hij heeft ons bemind en bemint ons altijd het eerst.
Bidden wij dan: Heer, zelfs de heiligste onder ons houdt niet op Uw schuldenaar te zijn. O Vader, ontferm U over ons!

Terug naar overzicht
By |2019-04-22T21:53:31+02:00 13 april 2019|Woord van de paus|0 Comments