18-10-2020 Angelus – Belasting betalen en van God getuigen
De kracht van het doopsel

Paus Franciscus gaf naar gewoonte commentaar bij het Evangelie van deze zondag en herinnert eraan dat men zeker belasting moet betalen maar tegelijk aan God geven wat van God is.
Op geldstukken uit Jezus’ tijd staat de beeltenis van de Romeinse keizer, terwijl het beeld van God sinds altijd en voorgoed in elke mens is ingeprent.
Op deze Wereldmissiezondag insisteert de paus op de levenskracht van het doopsel: “iedereen is krachtens het doopsel geroepen een levendige aanwezigheid te zijn in de samenleving”.

Dierbare broeders en zusters, goeie dag!
Het Evangelie van deze zondag (Mt 22,15-21) toont ons Jezus die het aan de stok heeft met de hypocrisie van Zijn tegenstanders. Ze geven Hem veel complimenten – aanvankelijk zelfs veel complimenten – maar stellen daarna een listige vraag om Hem in moeilijkheden te brengen en ten overstaan van het volk in diskrediet te brengen. Zij vragen Hem: “is het geoorloofd belasting te betalen aan de keizer of niet?” (v. 17).

In die tijd werd de overheersing van het Romeinse Rijk in Palestina moeilijk verdragen – en het is te begrijpen, het waren bezetters – ook omwille van godsdienstige redenen. Voor de bevolking was de cultus aan de keizer, die benadrukt werd door zijn beeltenis op de geldstukken, een belediging aan de God van Israël. Jezus’ gesprekspartners zijn overtuigd dat er geen alternatief is op hun vraag: het is ja of nee. Met deze vraag waren zij zeker Jezus in hun valstrik te vangen.

Doch Hij doorziet hen en bevrijdt zich daaruit. Hij vraagt hun Hem een geldstuk te tonen, het geldstuk voor de belastingen. Hij neemt het ter hand en vraagt hun van wie de beeltenis is. Zij antwoorden, die “van de keizer”. En dan antwoordt Jezus: “geeft dan aan de keizer wat de keizer toekomt, en aan God wat God toekomt” (v. 21).

Met dit antwoord plaatst Jezus zich boven de polemiek. Hij erkent enerzijds dat belasting moet betaald worden – dat geldt ook voor ons, wij moeten onze belasting betalen – want de beeltenis op het geldstuk is van hem. Doch Hij herinnert er vooral aan dat elke mens een andere beeltenis in zich draagt – in zijn hart, zijn ziel: het beeld van God, en het is dus aan Hem en Hem alleen dat iedereen zijn eigen bestaan, zijn leven, schuldig is.

In dit antwoord van Jezus vindt men niet alleen het criterium voor het onderscheid tussen de politieke en religieuze sfeer, maar er duiken ook duidelijke richtlijnen op voor de zending van de gelovigen, zoals eerbied voor de rechtvaardige wetten van de Staat. En tegelijk moet het primaat van God in het leven van de mens en de geschiedenis geaffirmeerd worden, door het recht van God te eerbiedigen in wat Hem toebehoort.

Daaruit vloeit de zending van de Kerk en de christenen: over God spreken en van Hem getuigen bij de mannen en vrouwen van hun tijd. Iedereen is krachtens het doopsel geroepen een levendige aanwezigheid te zijn in de samenleving door haar te bezielen met het Evangelie en dank zij het levenssap van de Heilige Geest. Het gaat erom zich deemoedig en tegelijk moedig te engageren, door zijn bijdrage te doen aan de opbouw van de beschaving van de liefde waar gerechtigheid en broederlijkheid heersen.

Moge de Maagd Maria iedereen helpen om elke hypocrisie te vermijden en eerlijke en constructieve burgers te zijn. Moge Zij ons steunen, ons, de leerlingen van Christus, in de zending om te getuigen dat God het centrum en de zin is van het leven.

Terug naar overzicht