21-10-2020 Audiëntie – Het gebed van de Psalmen (2)
De goddeloosheid van het praktisch atheïsme

Paus Franciscus aarzelt niet het “praktisch atheïsme” – zoals hij het noemt – te hekelen van wie de armen over het hoofd ziet.
In zijn catechese doet hij namelijk opmerken dat “God het atheïsme niet verdraagt van wie het beeld van God negeert dat in elke mens geprent staat. Dit atheïsme van alle dagen: ik geloof in God, maar met de anderen hou ik afstand en ik permitteer mij anderen te haten. Dat is praktisch atheïsme. De mens niet erkennen als beeld van God is een heiligschennis, een gruwel, de ergste belediging tegen de tempel en het altaar”. Dat is de goddeloosheid waarover de Psalmen spreken!
De paus besluit met dit gebed: “Dierbare broeders en zusters, moge het gebed van de psalmen ons helpen niet in de bekoring van goddeloosheid te vallen, dat wil zeggen te leven en misschien ook te bidden alsof God en de armen niet bestaan”.

Dierbare broeders en zusters, goeie dag!
(…)
Wij vervolledigen vandaag de catechese over het psalmgebed. Eerst en vooral bemerken wij dat in de Psalmen dikwijls een negatieve figuur verschijnt, de goddeloze, dat wil zeggen hij of zij die leeft alsof God niet bestaat. Iemand zonder enige referentie naar wat ons overstijgt, zonder enige rem op zijn arrogantie, die geen oordeel vreest over wat hij denkt en doet.

Daarom presenteert het Boek der Psalmen het gebed als de fundamentele realiteit van het leven. De referentie naar het absolute en transcendente – die meesters in ascese, de heilige vreze Gods noemen – is wat ons ten volle mens maakt, de limiet die ons redt van onszelf, door te beletten dat wij ons als een verslindend roofdier op dit leven werpen. Gebed betekent voor de mens, heil.

Zeker, er bestaat ook verkeerd gebed, gebed om door anderen bewonderd te worden. Gebed van wie alleen naar de Mis gaan om te laten zien dat zij katholiek zijn of hun nieuwste kledij of om sociaal een goed figuur te slaan. Zij bidden verkeerd. Jezus gaat daar sterk tegen in (cf Mt 6,5-6; Lc 9,14). Maar wanneer de echte gebedsgeest oprecht ontvangen wordt en neerdaalt in het hart, doet deze ons de werkelijkheid zien met de ogen van God zelf.

Wanneer men bidt, krijgt alles diepgang. Het is eigenaardig, wij beginnen het gebed misschien met iets onooglijk, maar dat verkrijgt diepgang, gewicht, alsof God het in de hand neemt en transformeert. De slechtste dienst die men God en ook de mens kan bewijzen, is terneergeslagen te bidden, als een routine. Bidden als papegaaien. Nee, bidden doet men met het hart. Gebed is het centrum van het leven. Door het gebed worden onze broeder, zuster, ook onze vijand, belangrijk. Een oud gezegde van de eerste christelijke monniken zegt: “Zalig de monnik die, na God, alle mensen als God beschouwt” (Evagrius Ponticus, Verhandeling over het gebed, nr. 123). Wie God aanbidt, bemint Zijn kinderen. Wie God eerbiedigt, eerbiedigt de mensen.

Daarom is gebed geen kalmeringsmiddel om de angst in het leven tot bedaren te brengen; in ieder geval, een gebed van dat genre is zeker niet christelijk. Integendeel, gebed confronteert ieder met zijn verantwoordelijkheid. Dat zien wij duidelijk in het Onze Vader, dat Jezus Zijn leerlingen heeft aangeleerd. Om deze manier van bidden te leren, is het Boek der Psalmen een grote leerschool. Wij hebben gezien dat de Psalmen niet altijd geraffineerde en vriendelijke woorden gebruiken en zij dragen dikwijls de littekens van het bestaan. Toch werden die gebeden voordien in de Tempel van Jeruzalem gebruikt en daarna in de synagogen; zelfs de meest vertrouwelijke en persoonlijke. De Catechismus van de Katholieke Kerk drukt het zo uit: “De veelvormige uitdrukkingen van het psalmgebed komen zowel in de tempelliturgie als in het hart van de mens tot leven” (nr. 2588). Het persoonlijk gebed put vooreerst uit dat van het volk van Israël en het voedt zich ermee, en vervolgens uit dat van het volk van de Kerk.

Zelfs de psalmen in de eerste persoon enkelvoud, die de meest intieme gedachten en problemen van een individu weergeven, zijn een collectief patrimonium, zodat zij gebeden worden door en voor iedereen. Het gebed van een christen heeft die adem, die geestelijke spanning die de tempel en de wereld samenhoudt. Gebed kan beginnen in het halfduister van een kerkschip maar zijn loop beëindigen in de straten van de stad. En omgekeerd, het kan tijdens de dagelijkse bezigheden ontkiemen en zijn voltooiing vinden in de liturgie. Kerkdeuren zijn geen afsluitingen, maar doordringbare vliezen, klaar om de kreet van iedereen op te vangen.

In het gebed van het Boek der Psalmen, is de wereld altijd aanwezig. De Psalmen geven bijvoorbeeld stem aan de Goddelijke belofte van heil aan de zwaksten: “De nood van armen en het klagen van geringen, Ik duld het niet meer, zegt de Heer” (12,6). Ofwel waarschuwen zij voor het gevaar van wereldse rijkdom, want “geen mens blijft in leven met al zijn weelde, hij is als vee dat eens wordt geslacht” (49,21). Of openen zij de horizont voor de blik van God op de geschiedenis: “Hij doet de plannen van naties teniet, verijdelt wat volken beramen. Maar eeuwig van kracht is het plan van de Heer, wat Hij beraamt, geldt voor alle geslachten” (33,10-11).

Waar God is, moet de mens uiteindelijk ook zijn. De Heilige Schrift is categorisch: “Wij hebben lief, omdat Hij ons het eerst heeft liefgehad. Maar als iemand zegt dat hij God liefheeft, terwijl hij zijn broeder haat, is hij een leugenaar. Want als hij zijn broeder die hij ziet niet liefheeft, kan hij God niet liefhebben die hij nooit heeft gezien. Dit gebod hebben wij dan ook van Hem gekregen: wie God liefheeft moet ook zijn broeder liefhebben” (1 Joh 4,19-21).

De Schrift aanvaardt het geval dat iemand die God oprecht zoekt en er toch nooit in slaagt Hem te ontmoeten. Maar zij zegt eveneens dat men de tranen van de armen nooit mag negeren, onder straf God niet te ontmoeten. God verdraagt het atheïsme niet van iemand die het beeld van God negeert dat in iedere mens geprent staat. Dit atheïsme van alle dagen: ik geloof in God, maar met de anderen hou ik afstand en ik permitteer mij anderen te haten. Dat is praktisch atheïsme. De mens niet erkennen als beeld van God is een heiligschennis, een gruwel, de ergste belediging tegen de tempel en het altaar.

Dierbare broeders en zusters, moge het gebed van de psalmen ons helpen niet in de bekoring van goddeloosheid te vallen, dat wil zeggen te leven en misschien ook te bidden alsof God en de armen niet bestaan.

Terug naar overzicht