20-5-2020 Audiëntie – De goedheid en schoonheid van al wat bestaat
Gebed, poort van de hoop

Dierbare broeders en zusters, goeie dag!

Wij gaan verder met de catechese over het gebed en overwegen het mysterie van de schepping. Het leven, gewoon het feit dat wij bestaan, opent het hart van de mens voor gebed.

De eerste bladzijde van de Bijbel gelijkt op een groot danklied. Het scheppingsverhaal wordt door refreinen geritmeerd, die voortdurend de goedheid en schoonheid bezingen van al wat bestaat. God roept met Zijn woord tot leven en alles komt tot het bestaan. Door Zijn woord scheidt Hij het licht van de duisternis, laat Hij dag en nacht afwisselen, laat Hij de seizoenen elkaar opvolgen, ontplooit Hij een kleurenpalet en een verscheidenheid aan planten en dieren. In dit overweldigend woud dat de chaos snel inpalmt, verschijnt de mens het laatst. En deze verschijning ontlokt een overweldigende jubel die de voldoening en de vreugde doet aanzwellen: “God bezag alles wat Hij gemaakt had, en Hij zag dat het heel goed was. Het werd avond en het werd ochtend; dat was de zesde dag” (Gen 1,31). Het is goed, maar ook heel mooi de schoonheid van heel de schepping te zien!

De schoonheid en het mysterie van de schepping brengen in het hart van de mens een eerste beweging voort waaruit gebed opwelt (cf Catechismus van de Katholieke Kerk, 2566). Dat is wat Psalm 8 zegt, die wij in het begin gehoord hebben: “Als ik naar de hemel kijk, het kunstwerk van uw vingers, als ik maan en sterren zie, die Gij daar hebt gezet: ach, wat is de mens dan, dat Gij naar hem omziet, ’t mensenkind, dat Gij zo voor hem zorgt?” (vv.4-5). Wie bidt, ziet het mysterie van het bestaan rond hem, hij ziet de sterrenhemel boven zich – die de astrofysica vandaag in heel zijn immensiteit toont – en hij vraagt zich af welk liefdesplan achter zo een machtig werk moet liggen! … Wat is de mens in die onbegrensde uitgestrektheid? “Hoe onbeduidend”, zegt een andere psalm (89,48): een wezen dat geboren wordt, een wezen dat sterft, een uiterst kwetsbaar schepsel. En toch, in heel het universum is de mens het enige bewuste schepsel dat zo een schoonheid uitstraalt. Een wezen dat geboren wordt, dat sterft, dat er vandaag is en morgen niet meer, en het enige dat besef heeft van die schoonheid. Wij beseffen die schoonheid!

Het gebed van de mens is nauw verbonden met een gevoel van verwondering. De grootheid van de mens is minuscuul tegenover de afmetingen van het universum. Zijn grootste overwinningen lijken maar klein … Doch, de mens is niet niets. Zijn gebed bevestigt zijn onweerstaanbaar gevoel voor barmhartigheid. Niets bestaat bij toeval: het geheim van het universum ligt in een welwillende blik die de onze kruist. De psalm zegt dat wij een beetje minder dan een god gemaakt werden, gekroond met waardigheid en schoonheid (cf 8,6). De grootheid van de mens is zijn relatie met God: dat is zijn inhuldiging. Van nature zijn wij bijna niets, klein, maar door roeping, zijn wij kinderen van de grote Koning!

Het is een ervaring die velen van ons hebben. Als de geschiedenis van het leven, met al zijn bitterheid, de gave van het gebed in ons soms dreigt te verstikken, volstaat het naar de sterrenhemel te kijken, naar een zonsondergang, een bloem … en een sprankel van dankzegging leeft op. Misschien ligt deze ervaring aan de basis van de eerste bladzijde uit de Bijbel.

Wanneer het groot Bijbelverhaal van de schepping geschreven werd, maakte het volk van Israël moeilijke tijden door. Een vijandige macht heeft zijn grondgebied bezet: velen zijn gedeporteerd en zijn nu slaven in Mesopotamië. Zij hebben geen vaderland meer, noch een tempel, noch een sociaal en religieus leven, niets. En toch, het is precies vanuit het grote scheppingsverhaal dat iemand terug redenen tot dankzegging vindt en God looft voor het bestaan. Gebed is de eerste kracht van de hoop. Gij bidt en uw hoop groeit, het doet u doorgaan. Ik zou zeggen dat gebed de deur van de hoop opent. De hoop is er, maar met gebed gaat de deur open. Omdat mensen van gebed de fundamentele waarheden bewaren. Zij zeggen eerst tegen zichzelf en daarna tot de anderen dat dit leven ondanks ontmoediging en beproeving, ondanks de moeilijke dagen, vervuld is van een genade waarover men zich kan verwonderen. En daarom moet het altijd verdedigd en beschermd worden. Mannen en vrouwen die bidden, weten dat hoop sterker is dan ontmoediging. Zij geloven dat liefde machtiger is dan de dood en dat zij ooit zeker zal overwinnen, zelfs al kennen wij het uur niet en ook niet de manier waarop. Mannen en vrouwen van gebed weerkaatsen licht op hun gezicht, want zelfs op de donkerste dagen, houdt de zon niet op te schijnen. Gebed verlicht u, het verlicht uw ziel, uw hart en uw gezicht. Ook in de donkerste periodes, zelfs in tijden van het grootste lijden.

Wij dragen allemaal vreugde in ons. Heeft u daar al eens aan gedacht? Dat ge vreugde in u draagt? Of verkiest ge slecht nieuws of droevig nieuws? Wij kunnen allemaal vreugde brengen. Dit leven is de gave die God ons deed: en het is te kort om het in droefheid en bitterheid door te brengen. Laten wij God loven door gewoon tevreden te zijn dat wij bestaan. Laat ons naar het universum kijken, naar de schoonheid en als wij naar onze kruisen kijken, laat ons dan zeggen: Gij bestaat, Gij hebt ons zo voor U gemaakt. Het is nodig deze onrust van het hart te voelen, zij doet ons God danken en loven. Wij zijn kinderen van de grote Koning, van de Schepper, die Zijn handtekening kunnen lezen in heel de schepping – deze schepping die wij vandaag niet beschermen, maar waarin Gods handtekening ligt die haar uit liefde gemaakt heeft. Moge de Heer ons dat altijd dieper laten begrijpen en ons aansporen om “dank U” te zeggen. Dit “dank U” is een mooi gebed.

Terug naar overzicht