20-6-2021 Angelus – De nederige kracht van het gebed

“Hoe dikwijls blijven wij op de problemen gefixeerd in plaats van tot de Heer te gaan en onze zorgen op Hem te leggen!”, betreurt paus Franciscus, die ons aanmoedigt “God te storen”.
“Geloof begint bij het feit te geloven dat wij niet selfsupporting zijn, bij het feit te voelen dat wij God nodig hebben”, zegt hij in zijn meditatie over het Evangelie van de gestilde storm: “Wanneer wij tot Hem roepen, kan Hij wonderen doen in ons. Dat is de nederige en buitengewone kracht van het gebed, dat wonderen doet”.

Dierbare broeders en zusters, goeie dag!

Het Evangelie van vandaag verhaalt het gebeuren van de storm die Jezus stilt (cf Mc 4,35-41). De boot waarmee de leerlingen het meer oversteken, wordt belaagd door de wind en de golven. Zij vrezen met al hun dromen en plannen te zinken. Jezus is bij hen op de boot, maar achteraan op een kussen en Hij slaapt. De leerlingen maken zich zorgen en roepen vol angst tot Hem: “Meester, raakt het U niet dat wij vergaan?” (v. 38).

Wie weet hoe dikwijls ook wij, belaagd door de beproevingen van het leven, tot de Heer geroepen hebben: “waarom blijft Ge zwijgen en doet Ge niets voor mij?” Vooral wanneer wij de indruk hebben te verdrinken omdat de liefde of het plan waarop wij veel hoop gesteld hadden, ten onder gaat. Of wanneer wij ten prooi zijn aan de onophoudelijke golven van angst. Of wanneer wij ons overspoeld voelen door problemen of verloren in de zee van het leven, zonder weg en zonder haven. Of nog, op momenten dat wij minder kracht hebben om door te gaan, omdat we geen werk hebben of een onverwachte diagnose ons doet vrezen voor onze gezondheid of die van een dierbare. Er zijn vele momenten waarop wij ons in de storm weten, bijna aan het einde van onze krachten.

In die situaties en in zo veel andere, voelen wij ons ook verstikt van angst en lopen wij, zoals de leerlingen, het gevaar het belangrijkste uit het oog te verliezen. Op de boot is Jezus namelijk, ook al slaapt Hij, en Hij deelt met de Zijnen al wat er gebeurt. Als Zijn slaap ons enerzijds verwondert, stelt Hij ons anderzijds op de proef. De Heer is er, Hij is aanwezig. Hij wacht er bij wijze van spreken namelijk op dat wij Hem erbij betrekken, Hem aanroepen, Hem in het midden plaatsen van wat wij meemaken. Zijn slaap stuwt ons om wakker te worden. Want om een leerling van Jezus te zijn, volstaat het niet te geloven dat God er is, dat Hij bestaat, maar moet men zich met Hem op het spel zetten. Men moet zijn stem tot Hem verheffen, tot Hem roepen. Hoor dit goed: men moet tot Hem roepen. Gebed is zo dikwijls een kreet: Heer, red mij! Ik keek naar de uitzending “A sua immagine”, vandaag, de Dag van de Vluchtelingen … al degenen die toekomen met een boot en op het ogenblik dat ze verdrinken, roepen: red ons! In ons leven gebeurt hetzelfde: Heer, red ons! Gebed wordt een kreet.

Vandaag kunnen wij ons de vraag stellen: welke winden beuken in op mijn leven, welke golven ondermijnen mijn vaart en brengen mijn geestelijk leven in gevaar, mijn gezinsleven, zelfs mijn psychisch leven? Laten wij dat allemaal tegen Jezus zeggen, vertellen wij Hem alles. Hij verlangt dat, Hij wil dat wij ons aan Hem vastklampen om een toevlucht te vinden tegen de vloedgolven van het leven. Het Evangelie verhaalt dat de leerlingen bij Jezus komen, Hem wekken en tot Hem spreken (cf v. 38). Dat is het begin van ons geloof: erkennen dat wij alleen niet in staat zijn drijvend te blijven, dat wij Jezus nodig hebben zoals matrozen de sterren, om de weg te vinden. Geloof begint bij het feit te geloven dat wij niet selfsupporting zijn, bij het feit te voelen dat wij God nodig hebben. Wanneer wij de bekoring overwinnen om ons op te sluiten in onszelf, wanneer wij de verkeerde godsdienstigheid overstijgen die God niet wil storen, wanneer wij tot Hem roepen, kan Hij in ons wonderen doen. Dat is de nederige en buitengewone kracht van het gebed, dat wonderen doet.

Jezus die door Zijn leerlingen gesmeekt wordt, stilt de wind en de golven. En Hij stelt hun een vraag, die ons allemaal aangaat: “Waarom zijt gij zo bang? Hoe is het mogelijk dat ge nog geen geloof bezit?” (v. 40). De leerlingen hadden zich door angst laten overmeesteren, omdat zij op de golven gefixeerd blijven, in plaats van naar de Heer te kijken. Angst maakt dat we naar de moeilijkheden kijken, in plaats van naar de Heer, die dikwijls slaapt. Ook voor ons gaat het zo: hoe dikwijls blijven wij gefixeerd op de problemen in plaats van tot de Heer te gaan en onze zorgen op Hem te leggen! Hoe dikwijls laten wij de Heer in een hoekje, achteraan op de boot, om Hem alleen te wekken op het ogenblik dat we Hem nodig hebben! Vragen wij vandaag de genade van een geloof dat het niet moe wordt de Heer te zoeken, aan de deur van Zijn Hart te kloppen!

Moge de Maagd Maria, die in Haar leven nooit opgehouden heeft God te vertrouwen, in ons de vitale behoefte wekken om ons alle dagen aan Hem toe te vertrouwen.

Terug naar overzicht