18-5-2022 De ouderen leren ons te volharden in het geloof!

In zijn tiende catechese over de oude dag tijdens de algemene audiëntie sprak de paus over Job.

Geliefde broeders en zusters, goedendag!

De schriftlezing die we hebben gehoord vormt het slot van het boek Job, een hoogtepunt van de wereldliteratuur. We ontmoeten Job op onze catecheseweg over de oude dag. We ontmoeten hem als getuige van het geloof die een ‘karikatuur’ van God niet aanvaardt, maar zijn protest tegen het kwaad uitschreeuwt opdat God antwoordt en zijn gelaat openbaart. Uiteindelijk antwoordt God, zoals steeds op verrassende wijze: Hij toont aan Job zijn heerlijkheid, maar zonder hem te verpletteren. Integendeel, met verheven tederheid, zoals God steeds doet, met tederheid. Men moet dit boek met zorg lezen, zonder vooroordelen, zonder gemeenplaatsen, om de kracht van de schreeuw van Job te vatten. Het zal ons goed doen, bij hem in de leer te gaan om de bekoring van het moralisme te overwinnen ten aanzien van de wanhoop en de vernedering door de pijn omdat men alles verloren heeft.

Mysterie van Gods tederheid

In dit slotgedeelte van het boek – wij herinneren ons het verhaal. Job die alles in het leven verliest, rijkdom, gezin, zijn zoon en ook zijn gezondheid. Hij blijft achter, vol wonden, in gesprek met drie vrienden, later met nog een vierde, die hem komen groeten. Dat is het verhaal. Het gedeelte van vandaag is het slotdeel, wanneer God eindelijk het woord neemt. Het gesprek van Job met zijn vrienden is als het ware de weg om te komen tot het ogenblik waarop God het woord neemt. Job wordt geprezen omdat hij het mysterie van Gods tederheid, verborgen achter zijn stilte, heeft begrepen. God wijst de vrienden van Job terecht omdat ze deden alsof ze alles weten over God en over het lijden. Ze waren gekomen om Job te troosten, maar uiteindelijk veroordelen ze hem vanuit hun vooringenomen ideeën.

Moge God ons behoeden voor deze schijnheilige en hovaardige vroomheid!

Moge God ons behoeden voor deze moralistische vroomheid, een vroomheid van geboden, die voert tot een zekere hoogmoed en leidt tot farizeïsme en schijnheiligheid.

Boos

Luister hoe de Heer over hen spreekt: ‘Zeer ontstemd ben Ik over u (…), want gij hebt van Mij niet zo’n zuiver beeld gegeven als mijn dienaar Job. (…) Mijn dienaar Job zal voor u bidden. Wellicht ben Ik hem terwille; dan zal Ik u niet straffen voor uw dwaasheid, ofschoon gij van Mij niet zo’n zuiver beeld hebt gegeven als mijn dienaar Job’ (42,7-8). Die uitspraak van God verbaast ons. We hebben immers de bladzijden met het vlammend protest van Job gelezen. Zij hebben ons onthutst. En toch zegt de Heer dat Job goed gesproken heeft. Job heeft goed gesproken ook wanneer hij boos was en wel boos op God. Hij heeft goed gesproken omdat hij geweigerd heeft te aanvaarden dat God een ‘Vervolger’ is. God is anders. En als beloning geeft God aan Job het dubbele van al zijn goederen en vraagt hem te bidden voor zijn slechte vrienden.

Verlosser

Het keerpunt in het ‘geloofsgesprek’ heeft plaats op het hoogtepunt van Job’s uitbarsting, wanneer hij zegt: Want ik weet, ik ben er zeker van: mijn Verdediger leeft, tenslotte zal Hij deze wereld binnentreden. En al ben ik nog zo geschonden, ik zal God zien vanuit dit lijf. Aan mijn zijde zal ik Hem zien, met eigen ogen; ik sterf haast van verlangen. (19,25-27). Dit is een zeer mooi uittreksel. Ik zelf denk hierbij aan het geniale oratorium De Messias van Händel. Na het feest van het Alleluja zingt de sopraan deze passage: Ik weet dat mijn Verlosser leeft, in vrede. Na het mengsel van pijn en vreugde bij Job klinkt iets anders in de stem van de Heer: Ik weet dat mijn Verlosser leeft: uitermate schoon. We mogen het dus zo verstaan: Mijn God, ik weet dat Gij geen Vervolger zijt. Mijn God zal komen en mij gerechtigheid doen. Dit is het eenvoudige geloof in de verrijzenis van God, het eenvoudige geloof in Jezus Christus, het eenvoudige geloof dat de Heer steeds op ons wacht en zal komen.

De parabel van het boek Job vertolkt op dramatische en voorbeeldige wijze wat in het leven werkelijk gebeurt. Dat op een mens, op een gezin of op een volk veel te zware beproevingen neerkomen.

Buitenmatige beproevingen in verhouding tot de kleinheid en de menselijke broosheid. Zoals men zegt: in het leven is de regen voor wie doordrenkt is. Sommige mensen worden overspoeld door een berg kwaad die echt overdreven en onrechtvaardig is. Zo zijn er vele mensen.

Bewondering

Allemaal hebben we dergelijke mensen gekend. We kwamen onder de indruk van hun schreeuw. Vaak hebben ook bewondering gekoesterd voor de standvastigheid van hun geloof en van hun liefde in alle stilte. Ik denk aan de ouders van kindjes met zware handicaps of aan hen die onophoudelijk hulpbehoevend zijn, of aan een gezinslid dat moet toezien … Situaties die vaak verergerd worden door het gebrek aan financiële middelen. In bepaalde historische omstandigheden lijkt deze opeenstapeling van lasten wel als een collectieve afspraak. Dat is wat in de voorbije jaren is gebeurd met de coronapandemie en wat nu gebeurt met de oorlog in Oekraïne.

Recht op protest

Kunnen we deze ‘overdrijvingen’ verklaren als gevolg van een hogere rationaliteit van de natuur of van de geschiedenis? Kunnen we ze godsdienstig zegenen als gerechtvaardigd antwoord op de fouten van slachtoffers die ze hebben verdiend? Neen, dat mogen we niet. Er bestaat, met betrekking tot het mysterie van het kwaad, een soort recht op protest vanwege het slachtoffer. Een recht dat God aan iedereen geeft, meer nog, dat Hijzelf, feitelijk, inspireert. Soms ontmoet ik mensen die bij mij komen en zeggen: Maar Padre, ik heb bij God geprotesteerd omdat ik dit of dat probleem heb …

Weet je, beste, dat protest een vorm van gebed is.

Wanneer kinderen en jongeren protesteren tegen hun ouders dan is dat een wijze om de aandacht te trekken opdat men zorg aan hen zou besteden. Als jij een wonde in je hart hebt, een pijn en je voelt de neiging om te protesteren, protesteer ook tegen God, weet dat God naar je luistert. God is Vader, God verbaast zich niet over ons protest-gebed, neen! God verstaat dat. Wees vrij, wees vrij in je gebed, houd je gebed niet gevangen in voorgegeven termen!

Als volgt moet het gebed zijn, spontaan, zoals een kind met de vader.

Het zegt alles wat opwelt omdat men beseft dat de vader het verstaat. De ‘stilte’ van God, in de eerste fase van het gebeuren, heeft deze betekenis. God gaat een confrontatie niet uit de weg, maar staat bij het begin Job toe zich te ontladen in zijn protest, terwijl God luistert. Wellicht moeten we soms van God dit respect en deze tederheid leren. God houdt niet van die encyclopedie – laten we het zo noemen – vol uitleg en overwegingen die de vrienden van Job aanbrengen. Dat is ‘tongvocht’ en dat is niet juist. Het gaat om een godsdienst die alles verklaart, terwijl het hart koud blijft. Daarvan houdt God niet. Hij houdt meer van het protest of van de stilte van Job.

Ontmoeting

De geloofsbelijdenis van Job – die aan het licht komt uit zijn niet aflatende beroep op God, op de hoogste gerechtigheid – wordt aan het einde aangevuld met een haast mystieke ervaring, zo denk ik, die hem doet zeggen: Ik kende U alleen van horen zeggen, nu heb ik U gezien met eigen ogen (42,5). Veel mensen, velen van ons moeten na een slechte, donkere ervaring, toegeven dat men God beter kent dan eerst! En zoals Job kunnen we zeggen: Ik kende U alleen van horen zeggen, maar nu heb ik U gezien want ik heb U ontmoet. Dit getuigenis is ‘bijzonder geloofwaardig als de oude dag het brengt’, in zijn toenemende broosheid en verlies. Bejaarden hebben zoveel meegemaakt in het leven. Ze hebben ook de onstandvastigheid van menselijke beloften ervaren. Mensen van de wet, mensen van de wetenschap, zelfs mensen van de godsdienst die de vervolger verwarren met het slachtoffer door hieraan de volle verantwoordelijkheid toe te dichten voor het eigen lijden. Ze vergissen zich!

Van wrok naar vasthoudendheid

In bejaarden die de weg van dit getuigenis gaan – dat de wrok om het verlies verandert in vasthoudendheid aan de verwachting omwille van de belofte van God –  gebeurt een verandering van de wrok om het verlies naar een vasthoudendheid om de belofte van God te volgen. Deze bejaarden zijn een onvervangbaar hulpmiddel van de gemeenschap bij de aanpak van het overdreven kwaad. De blik van de gelovigen gericht op de Gekruisigde leert precies dit. Dat ook wij dat zouden mogen leren van de vele grootvaders en grootmoeders, van de vele bejaarden die, zoals Maria, hun gebed, soms hartverscheurend, voegen bij dat van de Zoon van God die zich op het kruis overgeeft aan de Vader. Laten we naar de de ouden kijken, kijken naar de bejaarden, oude vrouwtjes. Laten we met liefde naar hen kijken. Kijken naar hun persoonlijke ervaringen. Zij hebben veel geleden in het leven, zoveel is hen overkomen, maar aan het einde kennen ze vrede, een – zo durf ik zeggen –  haast mystieke vrede, de vrede namelijk van de ontmoeting met God, zodanig dat zij kunnen zeggen: Ik kende je van horen zeggen, maar nu hebben mijn ogen je gezien.

Die bejaarden gelijken op de vrede van de zoon van God op het kruis die zich toevertrouwt aan de Vader.

Terug naar overzicht