12-5-2021 Audiëntie – De strijd van het gebed

Gebed doet wonderen, zegt paus Franciscus en wanneer God “ons die genade niet geeft, geeft Hij ons een andere, die we mettertijd zullen zien”.
“In het gebed moet men altijd strijden als men een genade wil vragen. Ja, soms vragen wij een genade die wij nodig hebben, maar wij vragen ze gewoon, zonder begeestering, zonder ervoor te strijden. Het is niet zo dat men ernstige dingen moet vragen. Gebed is een strijd.”
Gebed is niet “comfortabel”: “Gebed brengt zeker diepe vrede, maar niet zonder innerlijke strijd, die soms hard is … Telkens wij willen bidden, komen ons onmiddellijk vele andere activiteiten voor de geest, die op dat moment belangrijker en dringender lijken. Dat overkomt mij ook: ik ga een beetje bidden … en nee, ik moet dit en dat doen … wij ontvluchten het gebed … Wij verkiezen in eender welk deel van de wereld te zijn, maar niet daar, biddend op een bank in de kerk.”

Dierbare broeders en zusters, goeie dag!

Het christelijk gebed is zoals het christelijk leven, geen wandeling. Niemand van de grote bidders die wij in de Bijbel en de Kerkgeschiedenis tegenkomen, had een comfortabel gebed. Ja, men kan bidden als papegaaien – blablabla – maar dat is geen gebed. Gebed geeft zeker diepe vrede, maar niet zonder innerlijke strijd, die soms hard kan zijn, die soms lang kan duren. Bidden is niet gemakkelijk en daarom vluchten wij voor het gebed. Telkens wij willen bidden, komen ons onmiddellijk vele andere activiteiten voor de geest, die op dat moment belangrijker en dringender lijken. Dat overkomt mij ook: ik ga een beetje bidden … en nee, ik moet dit en dat doen … wij ontvluchten het gebed, ik weet niet waarom, maar het is zo. Bijna iedere keer dat we het gebed hebben uitgesteld, bemerken we nadien dat die dingen niet zo wezenlijk waren en dat wij misschien tijd verloren hebben. Zo bedriegt de vijand ons.

Alle mannen en vrouwen van God spreken niet alleen over de vreugde van het gebed, maar ook over de moeilijkheid en moeite die het kan meebrengen: het is soms een harde strijd om het geloof in de tijd en de manier van bidden te bewaren. Sommige heiligen streden daar jaren mee zonder er smaak in te vinden, zonder het nut ervan te zien. Stilte, gebed, concentratie zijn moeilijke oefeningen en soms verzet de menselijke natuur zich daartegen. Wij verkiezen in eender welk deel van de wereld te zijn, maar niet daar, biddend op een bank in de kerk. Wie wil bidden moet zich herinneren dat geloof niet gemakkelijk is, en soms verloopt het in een bijna totale duisternis, zonder referentiepunt. Er zijn sombere ogenblikken in het geloofsleven en daarom noemen sommige heiligen ze “de donkere nacht”, omdat men niets verneemt. Maar ik blijf bidden.

De Katechismus somt een lange reeks vijanden op van het gebed, die het moeilijk maken om te bidden, of die u in moeilijkheden brengen (cf nrs. 2726-2728). Sommigen twijfelen eraan of zij werkelijk de Almachtige kunnen bereiken: waarom zwijgt God? Als God almachtig is, zou Hij twee woorden kunnen spreken en hier een einde aan maken. Ten overstaan van de ongrijpbare natuur van het goddelijke, verdenken sommigen het gebed ervan dat het niet meer is dan een gewone psychologische ingreep, iets dat misschien nuttig is, maar niet echt en evenmin noodzakelijk. Men zou zelfs kunnen pratikeren zonder te geloven, en zo voort, en voor alles wordt een uitleg gevonden.

De ergste vijanden van het gebed zijn echter in ons. De Katechismus noemt ze op: “ontmoediging bij bepaalde vormen van dorheid, droefheid omdat wij niet alles geven aan de Heer want wij hebben “vele goederen”, teleurstelling omdat wij niet verhoord worden zoals wij willen, gekwetste trots die niet wil toegeven dat wij onwaardige zondaars zijn, en het onvermogen om te aanvaarden dat bidden berust op een gratuite gave, enz.” (nr. 2728). Dit is duidelijk een samengevatte lijst die kan aangevuld worden.

Wat doen op het ogenblik van de bekoring, wanneer alles lijkt te wankelen? Als wij de geschiedenis van de spiritualiteit van nabij bekijken, merken wij onmiddellijk dat de meesters van de ziel duidelijk de pas beschreven situaties voor de geest hadden. Om ze te overwinnen, heeft ieder van hen een bijdrage geleverd: een wijs woord of een suggestie om het hoofd te bieden aan de tijd die met moeilijkheden bezaaid is. Het gaat niet om theorieën, bedacht aan een bureau, maar over raadgevingen vanuit de ervaring, die aantonen dat het belangrijk is om weerstand te bieden en in het gebed te volharden.

Het zou interessant zijn ten minste enkele van die raadgevingen onder ogen te nemen, want elk ervan verdient bestudeerd te worden. Bijvoorbeeld, de Geestelijke Oefeningen van de heilige Ignatius van Loyola zijn een boekje van grote wijsheid, dat leert om ons leven op orde te stellen. Het helpt in te zien dat de christelijke roeping een keuze is om te strijden, een beslissing om zich onder het vaandel van Jezus Christus te plaatsen en niet onder dat van de duivel, zodat men het goede probeert te doen ook als dat moeilijk wordt.

In tijden van beproeving is het goed zich te herinneren dat wij niet alleen zijn, dat iemand over ons waakt en ons beschermt. De heilige Antonius abt, stichter van het christelijk monnikendom, moest in Egypte ook het hoofd bieden aan verschrikkelijke momenten waarin het gebed zich transformeerde in een harde strijd. Zijn biograaf, de heilige Athanasius, bisschop van Alexandrië, vertelt dat één van de ergste gebeurtenissen de heilige kluizenaar overkwam rond zijn 35e, een middelbare leeftijd die voor veel mensen een crisis betekent. Antonius werd door deze beproeving verstoord maar bood weerstand. Toen hij uiteindelijk zijn sereniteit terugvond, richtte hij zich tot zijn Heer op een bijna verwijtende toon: “Waar waart Gij? Waarom hebt Gij niet onmiddellijk een einde gemaakt aan mijn lijden?”. En Jezus antwoordde: “Antonius, Ik was daar. Maar Ik wou u zien strijden” (Leven van Antonius, nr. 10). Strijden in het gebed. En gebed is dikwijls een strijd.

Ik denk aan iets dat ik van nabij heb meegemaakt in het vorige bisdom. Er was een echtpaar dat een meisje had van negen jaar dat getroffen was door een ziekte die de dokters niet kenden. Op het einde zei de dokter in het ziekenhuis tot de moeder: “Mevrouw, roep uw man”. Haar man was op zijn werk. Het waren arbeiders die alle dagen werkten. En hij zei tot de vader: “Uw dochter zal de nacht niet halen. Het is een infectie, wij kunnen niets doen”. Misschien ging deze man niet alle dagen naar de Mis, maar hij had een groot geloof. Hij ging al wenend naar buiten, liet zijn vrouw met het meisje in het ziekenhuis achter, nam de trein en legde de 70 km af naar de basiliek van de Heilige Maagd in Lujan, patrones van Argentinië. De basiliek was al gesloten. Het was bijna 10 uur ’s avonds – hij greep het hek van de basiliek vast en bad heel de nacht tot de Heilige Maagd, vechtend voor de gezondheid van zijn dochtertje. Het is geen uitgevonden gebeurtenis. Ik heb het gezien! Ik heb het meegemaakt. Deze man streed. Tenslotte, ging hij ’s morgens om 6 uur, zodra de kerk openging, de Heilige Maagd groeten. Heel de nacht “gestreden” en dan naar huis. Toen hij aankwam, zocht hij zijn vrouw maar vond haar niet en hij dacht: “Zij is vertrokken. Nee, dat kan de Heilige Maagd me niet aandoen”. Hij vond haar glimlachend terug en ze zei: “Ik weet niet wat er gebeurd is, de dokters zeiden me dat het gekeerd is en dat ons kind genezen is”. Strijdend met zijn gebed heeft deze man die genade van de Heilige Maagd verkregen. De Heilige Maagd heeft hem verhoord. En ik heb dat gezien: gebed doet wonderen, want gebed gaat precies naar het tedere hart van God die als een vader van ons houdt. En als Hij ons de genade niet geeft, zal Hij ons een andere geven, die wij mettertijd zullen zien. In het gebed moet men altijd strijden als men een genade wil vragen. Ja, soms vragen wij een genade die wij nodig hebben, maar wij vragen ze gewoon, zonder begeestering, zonder ervoor te strijden. Het is niet zo dat men ernstige dingen moet vragen. Gebed is een strijd en de Heer is altijd met ons.

Als wij in een ogenblik van verblinding Zijn aanwezigheid niet kunnen gewaarworden, zullen wij het in de toekomst wel kunnen. Ook wij zullen dezelfde zin herhalen als de aartsvader Jakob: “Waarlijk, Jahwe is op deze plaats en ik wist het niet” (Gen 28,26). Op het einde van ons leven zullen wij, als we achterom kijken, ook kunnen zeggen: “Ik dacht dat ik alleen was, maar nee, ik was niet alleen, Jezus was met mij”. Dat zullen wij allemaal kunnen zeggen.

Terug naar overzicht