26-5-2021 Audiëntie – De zekerheid gehoord te worden

“In het gebed is het God die ons moet bekeren, het is niet aan ons om God te bekeren”, benadrukt paus Franciscus die ons in deze audiëntie uitnodigt tot “nederigheid”.
Mediterend over gebeden zonder verhoring, stelt hij vast dat “vele mensen zeker willen zijn dat God met hen is, maar weinige onder hen maken zich zorgen of zij effectief met God zijn”.
De paus stelt vast, “Hoe dikwijls hebben wij een genade gevraagd, een wonder, laat het ons zo zeggen, en er gebeurt niets. Daarna, hebben de dingen zich met de tijd geregeld, maar op de manier van God, de goddelijke manier, niet zoals wij het op dat moment hadden gewild. De tijd van God is niet onze tijd.”
“Het kwaad is heer van de voorlaatste dag … Het kwaad is nooit heer van de laatste dag, nee. De voorlaatste, het ogenblik dat de nacht het donkerst is, juist voor de dageraad. Dan is er de bekoring dat het kwaad ons doet geloven dat het gewonnen heeft … Maar het kwaad is nooit heer van de laatste dag. God is Heer van de laatste dag. Deze behoort alleen aan God toe. De Heer is er op de laatste dag en Hij lost alles op.”

Dierbare broeders en zusters, goeie dag!

Er bestaat een radicale contestatie van het gebed, die komt door iets dat wij allemaal waarnemen: wij bidden, wij vragen, en toch lijken onze gebeden soms niet gehoord te worden: wat wij gevraagd hebben – voor ons of voor anderen – wordt niet gerealiseerd. Wij hebben deze ervaring heel dikwijls. Als het motief waarvoor wij baden, edel is (zoals de voorspraak voor de gezondheid van een zieke, of voor het einde van een oorlog), kan het ergernisgevend lijken wanneer het niet gerealiseerd wordt. Bijvoorbeeld voor een oorlog: wij bidden dat een oorlog zou eindigen, oorlogen in zo veel delen van de wereld – denken wij aan Jemen, aan Syrië. Landen die al jaren in oorlog zijn! Landen die door oorlog gekweld worden. Wij bidden en zij eindigen niet. Hoe komt dat? “Sommige mensen houden zelfs op met bidden, omdat hun verzoek, naar zij denken, niet verhoord wordt” (Katechismus van de Katholieke Kerk, nr. 2734). Maar als God Vader is, waarom luistert Hij dan niet naar ons? Hij, die verzekerd heeft dat Hij goede dingen geeft aan Zijn kinderen die Hem erom vragen (cf Mt 7,10), waarom beantwoordt Hij ons verzoek niet? Wij hebben allemaal dergelijke ervaringen: wij hebben gebeden, gebeden, voor de ziekte van een vriend, een vader, een moeder, en toch zijn ze gestorven. God heeft ons niet verhoord. Een ervaring die wij allemaal kennen.

De Katechismus geeft ons een goede synthese op deze vraag. Hij waarschuwt ons tegen het risico geen authentieke geloofservaring te hebben, maar de band met God tot iets magisch om te vormen. Gebed is geen toverstokje: het is een gesprek met de Heer. Wanneer wij bidden kunnen wij inderdaad het gevaar lopen dat wij God niet dienen, maar willen dat Hij ons dient (cf nr. 2735). Dat is een gebed dat opeist, dat de gebeurtenissen volgens ons plan zou willen leiden, dat geen andere plannen toelaat dan wat wij wensen. Jezus was daarentegen zeer wijs door het Onze Vader op onze lippen te leggen. Zoals wij weten, bestaat dit gebed alleen uit vragen, maar de eerste vragen zijn geheel voor God. Zij vragen dat niet ons plan met de wereld verwezenlijkt wordt, maar Zijn wil. Het is beter Hem te laten doen: “Uw Naam worde geheiligd, Uw Rijk kome, Uw wil geschiede” (Mt 6,9-10).

De apostel Paulus herinnert ons eraan dat wij zelfs niet weten wat wij moeten vragen (cf Rom 8,26). Wij vragen overeenkomstig onze behoeften, de dingen die wij willen, maar is dat beter voor ons of juist niet? Paulus zegt ons: wij weten zelfs niet wat wij moeten vragen. Wanneer wij bidden, moeten wij nederig zijn. Dat is de eerste houding om te bidden. Zoals het op vele plaatsen de gewoonte is dat vrouwen een sluier dragen om in de kerk te gaan bidden, of dat men wijwater neemt voordat men gaat bidden, zo moeten wij voor te gaan bidden, nadenken over wat het best past, zodat God mij kan geven wat het meest geschikt is. Hij weet het. Wanneer wij bidden, moeten wij nederig zijn, zodat onze woorden inderdaad gebed zijn en geen geklets dat God afwijst. Men kan ook bidden om verkeerde motieven: bijvoorbeeld, om onze vijand in de oorlog te overwinnen, zonder zich af te vragen wat God over deze oorlog denkt. Het is gemakkelijk op een vaandal te schrijven “God met ons”. Vele mensen willen zeker zijn dat God met hen is, maar weinige onder hen maken zich zorgen of zij effectief met God zijn. In het gebed is het God die ons moet bekeren, het is niet aan ons om God te bekeren. Dat is nederigheid: ik ga bidden, maar bekeer Gij, Heer, mijn hart zodat het vraagt wat past, zodat het vraagt wat het beste is voor mijn geestelijke gezondheid.

Toch blijft de ergernis: wanneer mensen met een oprecht hart bidden, wanneer zij dingen vragen die overeenstemmen met het Rijk Gods, wanneer een moeder bidt voor haar zieke kind, waarom lijkt God dan soms niet te luisteren? Om op die vraag te antwoorden, dient men rustig de Evangelies te overwegen. De verhalen uit het leven van Jezus staan vol gebeden: vele mensen die gekwetst zijn in hun lichaam en hun geest, vragen Hem om genezing. Iemand bidt voor een vriend die niet meer kan gaan. Er zijn vaders en moeders die Hem hun zieke zoon of dochter brengen. Al die gebeden zijn van leed doordrongen. Het is een immens koor dat smeekt: heb medelijden met ons!

Wij zien dat het antwoord van Jezus soms onmiddellijk volgt, in andere gevallen wordt het echter uitgesteld: het lijkt dat God niet antwoordt. Denken we aan de Kananese vrouw die tot Jezus smeekt voor haar dochter: deze vrouw moet lang aandringen om verhoord te worden (cf Mt 15,21-28). Zij heeft ook de nederigheid om een woord van Jezus te aanhoren dat een beetje beledigend lijkt: we moeten het brood niet aan de honden geven. Doch die vrouw geeft weinig om de vernedering: het is de gezondheid van haar dochter die telt. En zij gaat door: ja, honden eten ook wat van de tafel valt. En dat bevalt Jezus. De moed in het gebed. Of denken we aan de lamme die door vier vrienden gedragen wordt: eerst vergeeft Jezus zijn zonden en pas nadien geneest Hij zijn lichaam (cf Mc 2,1-12). Bij bepaalde gelegenheden, volgt de oplossing van het drama niet onmiddellijk. Ook wij hebben in ons leven die ervaring. Denken we even terug: hoe dikwijls hebben we een genade gevraagd, een wonder, laat het ons zo zeggen, en er gebeurt niets. Daarna, hebben de dingen zich met de tijd geregeld, maar op de manier van God, de goddelijke manier, niet zoals wij het op dat moment gewild hadden. De tijd van God is niet onze tijd.

Vanuit dit gezichtspunt, verdient de genezing van het dochtertje van Jaïrus bijzondere aandacht (cf Mc 5,21-33). Een vader komt aangelopen. Zijn dochter is ziek en daarom roept hij de hulp in van Jezus. De Meester aanvaardt onmiddellijk, maar op weg naar huis doet zich een andere genezing voor en onmiddellijk komt het nieuws dat het meisje dood is. Dat lijkt het einde, en toch zegt Jezus tegen de vader: wees niet bang, maar blijf geloven! (v. 36). Blijf geloven: het is geloof dat het gebed ondersteunt. En inderdaad, Jezus zal dit meisje uit de slaap van de dood wekken. Maar gedurende een zekere tijd moest de man in het duister gaan, met alleen het vlammetje van het geloof. Heer, geef mij geloof! Vermeerder mijn geloof! Een genade om te vragen, de genade van geloof. In het Evangelie zegt Jezus dat geloof bergen verzet. Maar echt geloof. Jezus laat zich overwinnen door het geloof van Zijn armen, van Zijn mensen, Hij voelt bijzondere tederheid ten overstaan van dit geloof. En Hij luistert.

Het gebed dat Jezus in Getsemane tot de Vader richt, lijkt ook niet verhoord te worden. “Vader, als het mogelijk is, laat deze beker aan Mij voorbijgaan.” Het lijkt dat de Vader Hem niet gehoord heeft. De Zoon zal de beker van het lijden tot op de bodem moeten leegdrinken. Maar Stille Zaterdag is niet het laatste hoofdstuk, want op de derde dag, dat wil zeggen op zondag, is er de verrijzenis. Het kwaad is heer van de voorlaatste dag. Denk daaraan. Het kwaad is nooit heer van de laatste dag, nee. De voorlaatste, het ogenblik dat de nacht het donkerst is, juist voor de dageraad. Dan is er de bekoring dat het kwaad ons doet geloven dat het gewonnen heeft. Hebt ge ’t gezien? Ik heb gewonnen! Het kwaad is heer van de voorlaatste dag. De laatste dag is er de verrijzenis. Maar het kwaad is nooit heer van de laatste dag. God is Heer van de laatste dag. Die behoort alleen aan God. Het is de dag waarop alle menselijke verzuchtingen naar heil zullen vervuld worden. Leren wij dit nederig geduld om te wachten op de genade van de Heer, te wachten op de laatste dag. Heel dikwijls is de voorlaatste dag heel lelijk, want menselijk lijden is lelijk. Maar de Heer is er op de laatste dag en Hij lost alles op.

Terug naar overzicht