11-1-2023 De zending is de zuurstof van het christelijke leven

In zijn 1ste catechese over de passie voor evangelisatie in de algemene audiëntie sprak de paus over de roeping tot het apostolaat.

Geliefde broeders en zusters, goedendag!

We beginnen vandaag een nieuwe reeks catecheses gewijd aan het dringende en beslissende thema voor het christelijke leven: de hartstocht voor de evangelisatie, dat wil zeggen de apostolische ijver. Het gaat over een levensbelangrijke zaak voor de Kerk. De gemeenschap van de leerlingen van Jezus wordt  als apostolisch geboren, ze wordt missionair geboren, niet proselitisch. Van bij het begin moeten we dit onderscheiden. Missionair zijn, apostolisch zijn, evangeliseren is niet hetzelfde als proselitisme. Het ene heeft met het andere niets te maken. De Heilige Geest boetseert de Kerk als op uittocht. De Kerk gaat naar buiten – om niet op zichzelf teruggeplooid te zijn – maar extrovert, besmettelijke getuigen van Jezus die ook besmet. Ze is erop gericht haar licht te laten stralen tot aan de uiteinden van de aarde. Het kan echter gebeuren dat de apostolische ijver, het verlangen om anderen met de goede boodschap van het Evangelie te bereiken, vermindert, lauw wordt. Soms lijkt het te verdwijnen, met gesloten christenen die niet aan de anderen denken. Wanneer het christelijke leven het zicht op de einder van de evangelisatie verliest, de einder van de verkondiging, wordt het ziek, sluit zich op in zichzelf, wordt zelfgenoegzaam, verdort.

Zonder apostolische ijver verwelkt het geloof. De zending daarentegen is de zuurstof van het christelijke leven: zij versterkt het en zuivert het.

We gaan dus een traject afleggen om de hartstocht van de evangelisatie opnieuw te ontdekken. We beginnen bij de Schriften en bij de lering van de Kerk om zo te belanden bij de bronnen van de apostolische ijver. Daarna gaan we naar enkele levende bronnen, naar enkele getuigen die in de Kerk opnieuw de hartstocht voor het Evangelie hebben aangewakkerd zodat zij ons kunnen helpen het vuur te doen herleven dat de Heilige Geest steeds in ons wil doen oplaaien.

Roeping van Matteüs

En vandaag zou ik willen beginnen met een evangelisch gebeuren dat in zekere zin symbolisch is. We hebben het beluisterd: de roeping van de apostel Matteüs door hemzelf in zijn evangelie verhaald (cf. 9-13). Alles begint bij Jezus, die een man – zegt de tekst – ziet. In het kort zagen ze Matteüs zoals hij was: ze kenden hem als diegenen die in het belastingkantoor zat (v 9). Hij was inderdaad belastingontvanger. Iemand die voor rekening van het keizerrijk, dat Palestina bezette, de belastingen inde. Met andere woorden, hij was een collaborateur, een verrader van zijn volk. We kunnen  ons inbeelden welk misprijzen de mensen voor hem voelden. Hij was een tollenaar, zo werd hij genoemd. Maar in de ogen van Jezus  was Matteüs een man, met zijn noden en met zijn grootheid.

Let hierop: Jezus staat niet stil bij de bijvoeglijke naamwoorden, maar bij de zelfstandige naamwoorden.

Dit is een zondaar, die is zus en zo … dat zijn bijvoeglijke naamwoorden. Jezus kijkt naar de persoon, naar het hart, dit is een mens, dit is een man, dat is een vrouw. Jezus gaat naar de inhoud, naar het zelfstandige naamwoord, nooit naar het bijvoeglijke naamwoord, daarbij staat Hij niet stil. Terwijl tussen Matteüs en zijn omgeving een afstand bestaat – want zij zagen het bijvoeglijke naamwoord, tollenaar– komt Jezus dichter bij hem want elke mens wordt door God bemind. Ook deze mislukkeling? Ja, ook deze mislukkeling. Het Evangelie zegt het: Ik ben gekomen voor de zondaars, niet voor de zuiveren. Die blik van Jezus is schitterend, want Hij ziet in de ander, wie hij ook weze, een bestemmeling van liefde. Dat is het begin van de evangelische hartstocht. Alles begint met deze blik die we van Jezus leren.

Blik

We kunnen ons de vraag stellen: hoe is onze blik op anderen gericht? Hoe vaak zien we de gebreken en niet de noden; hoe vaak klasseren we mensen op grond van wat ze doen of denken! Ook als christenen zeggen we soms: dat is een van de onzen of die is niet van de onzen? Dat is niet de blik van Jezus. Die kijkt steeds met barmhartigheid, ja zelfs met voorliefde. Christenen zijn geroepen om te handelen zoals Christus, te kijken, zoals Hij, vooral naar hen die ver weg zijn. Immers, het verhaal van de roeping van Matteüs eindigt met Jezus die zegt: Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars (v 13). Als ieder van ons zich rechtvaardig acht, dan is Jezus veraf. Hij komt onze begrensdheden en tekorten nabij, om ons te genezen.

Beweging

Dus, alles begint met de blik van Jezus: Hij zag een man, Matteüs. Dan volgt – een tweede fase – een beweging. Eerst de blik, Jezus zag, dan de tweede stap, de beweging. Matteüs zat in het belastingkantoor. Jezus zegt hem: Volg Mij. De man stond op en volgde Hem (v 9). Het valt op dat de tekst zegt: De man stond op. Waarom is dit detail zo belangrijk? Omdat in die tijd wie gezeten was, gezag uitoefende over de anderen die recht stonden om naar hem te luisteren of, zoals in dit geval, belastinggeld te betalen. Wie gezeten was, had macht.

Het eerste wat Jezus doet is Matteüs losmaken van de macht, van het gezeten zijn om anderen te ontvangen! Hij zet hem in beweging naar de anderen.

Hij ontvangt niet. Neen, hij gaat naar de anderen; Hij doet hem een positie van meerderwaardigheid verlaten om hem gelijk te stellen met de broeders en het perspectief te geven van de einders van de dienst. Dat doet Hij en dat is fundamenteel voor de christenen: wij leerlingen van Jezus, wij Kerk, zullen wij gezeten tot de mensen komen of staan we recht, zetten we ons samen met de anderen in beweging om anderen te zoeken? Het is geen christelijke houding te zeggen: Maar dat ze komen, ik ben hier, laat ze maar komen. Neen, ga jij ze zoeken, zet jij de eerste stap.

Doel

Een blik – Jezus zag – een beweging – Matteüs stond op – en het derde, een doel. Nadat hij opstond en Jezus gevolgd had, waarheen zal Matteüs dan gegaan zijn? We zouden ons kunnen verbeelden dat, na de verandering van leven bij deze man, de Meester hem zou brengen tot nieuwe ontmoetingen, tot nieuwe geestelijke ervaringen. Neen, of toch niet meteen. Vooreerst gaat Jezus naar diens woning. Daar bereidt Matteüs een groot feestmaal, waaraan vele tollenaars en zondaars met Jezus en zijn leerlingen aanliggen (Mt 9, 10), m.a.w. mensen zoals hij. Matteüs komt terug in zijn milieu, maar hij keert veranderd terug en samen met Jezus. Zijn apostolische ijver begint niet elders, op een zuivere plaats, een ideale plek, ver weg. Neen het begint waar hij woont, met de mensen die hij kent.

Dat is de boodschap voor ons: we moeten niet wachten tot we volmaakt zijn en een lange weg in het spoor van Jezus hebben afgelegd om over Hem te getuigen.

Onze verkondiging begint vandaag, daar waar we leven. Zij begint niet door ons pogen anderen te overtuigen, overtuigen neen. Wel door elke dag te getuigen van de schoonheid van de Liefde die ons gezien heeft en ons opgericht heeft. Het zal deze schoonheid zijn, het delen van deze schoonheid dat mensen zal overtuigen. Niet onszelf meedelen, maar de Heer zelf. Wij zijn zij die de Heer verkondigen. Wij verkondigen niet onszelf, ook verkondigen we niet een politieke partij, een ideologie, neen. Wij verkondigen Jezus. Men moet Jezus in contact brengen met de mensen, zonder ze te overtuigen. Wel zorgen dat Jezus kan overtuigen. Zoals paus Benedictus ons heeft geleerd: De Kerk bedrijft geen proselitisme. Zij groeit veeleer door aantrekking (Homilie bij de opening van de Vde algemene vergadering van het episcopaat van Latijns-Amerika en de Caraïben, Aparecida, 13 mei 2007). Dit niet vergeten: wanneer jullie christenen proselitisme ziet bedrijven, werken met een lijst van mensen die gaan komen … dan zijn dat geen christenen, het zijn als christenen vermomde heidenen. Hun hart is heidens.

De Kerk groeit niet door proselitisme, maar door aantrekking.

Eens, zo herinner ik mij, zijn in een ziekenhuis in Buenos Aires de zusters die daar werkten weggegaan omdat zij met te weinig waren om dat ziekenhuis te dragen. Er kwam daar een gemeenschap van zusters uit Korea. Ze kwamen aan, zeg maar op maandag – ik herinner mij de dag niet meer. Nadat ze de woning van de zusters hadden ingenomen, kwamen ze de dag erna, op dinsdag de patiënten van het ziekenhuis bezoeken, zonder één woord Spaans te kunnen spreken. Ze spraken alleen Koreaans en toch waren de patiënten blij. Ze zegden: Dapper zijn ze die zusters, dapper, dapper. Wat heeft zo’n zuster je dan gezegd? Niets, maar door haar blik heeft ze met mij gesproken, ze heeft mij Jezus gegeven.

Niet zichzelf meedelen, maar, met de blik, met gebaren, Jezus meedelen. Dat is aantrekking, het tegendeel van proselitisme.

Dit aantrekkelijk getuigenis, dit blije getuigenis is het doel waartoe Jezus ons brengt met zijn blik van liefde en met de beweging van de uittocht die zijn Geest in het hart opwekt. Wij kunnen ons de vraag stellen of onze blik op die van Jezus gelijkt om de mensen aan te trekken, om ze dichter bij de Kerk te brengen. Laten we hieraan denken.

Terug naar overzicht