6-5-2020 Audiëntie – De zo mooie volharding van de blinde Bartimeüs
Nieuwe reeks over het gebed

Dierbare broeders en zusters, goeie dag!

Vandaag beginnen wij met een nieuwe reeks catecheses over het thema van het gebed. Het gebed is de ademhaling van het geloof, het is er de meest authentieke uitdrukking van. Een kreet uit het hart van wie gelooft en zich aan God toevertrouwt.

Denken wij aan de geschiedenis van Bartimeüs, een personage uit het Evangelie (Mc 10,46-52) en wat mij betreft, de meest sympathieke van allemaal. Hij was blind, hij zat neer om langs de weg te bedelen, aan de rand van zijn stad Jericho. Hij was niet anoniem: hij heeft een gezicht en een naam, Bartimeüs, dat wil zeggen zoon van Timeüs. Op een dag hoort hij zeggen dat Jezus daar voorbij zou komen. Jericho was namelijk een kruispunt, waar pelgrims en handelaars voortdurend passeren. Daarom zit Bartimeüs daar: hij zou het onmogelijke gedaan hebben om Jezus te ontmoeten. Velen deden hetzelfde: denken we aan Zacheüs die in een boom klom. Velen wilden Jezus zien. Hij ook.

Zo komt deze man in het Evangelie als een stem die luidkeels roept. Hij ziet niet. Hij weet niet of Jezus dichtbij is of niet, maar hij hoort Hem. Hij merkt het wanneer de menigte aanzwelt en dichterbij komt … Maar hij is helemaal alleen en niemand kijkt naar hem om. En wat doet Bartimeüs? Hij roept. En hij blijft roepen. Hij gebruikt het enige wapen dat hij heeft: zijn stem. Hij begint te roepen: “Jezus, Zoon van David, heb medelijden met mij!” (v. 47). En zo blijft hij roepen.

Dat herhaalde geroep stoort, dat geeft geen goede indruk en velen maken hem verwijten en zeggen dat hij moet zwijgen. Maar Bartimeüs zwijgt niet, integendeel, hij roept nog harder: “Jezus, Zoon van David, heb medelijden met mij!” Deze hardnekkigheid, de zo mooie volharding van iemand die een genade verlangt en aanklopt aan de deur van Gods Hart. Hij roept, hij klopt. De uitdrukking “Zoon van David” is heel belangrijk. Dat betekent: de Messias. Hij erkent de Messias. Het is een geloofsbelijdenis uit de mond van iemand die door iedereen geminacht wordt.

En Jezus hoort zijn geroep. Het gebed van Bartimeüs raakt Zijn hart, het hart van God en de deuren van het heil gaan voor hem open. Jezus laat hem roepen. Hij springt op en degenen die eerst gezegd hadden dat hij moest zwijgen, brengen hem nu bij de Meester. Jezus spreekt hem aan en vraagt dat hij zijn verlangen bekend maakt – dat is belangrijk – en dan wordt de kreet een vraag: “Rabboeni, maak dat ik zien kan!” (v. 51). Jezus zegt: “Ga, uw geloof heeft u genezen” (v. 52). Hij erkent heel de macht van het geloof van deze arme man, die van alles beroofd is en geminacht wordt, maar die Gods barmhartigheid en macht aantrekt. Geloof is als twee geheven handen en een stem die om heil smeekt. De Catechismus zegt dat “nederigheid de grondslag is voor het gebed” (Catechismus van de Katholieke Kerk, nr. 2559). Gebed komt uit de aarde, uit humus – vandaar komt “humilitas”, nederigheid – en het komt uit onze toestand van gebrek, onze voortdurende dorst naar God (cf ibid., 2560-2561).

Geloof is een kreet – we hebben het gezien bij Bartimeüs. Niet geloven is deze kreet verstikken. Het is de houding van de mensen die hem deden zwijgen: dat waren geen gelovige mensen, hij daarentegen wel. Deze kreet verstikken is een door eigenbelang ingegeven tactiek van horen, zien en zwijgen. Geloof is protest tegen een moeilijke toestand waarvan wij de reden niet verstaan. Niet geloven is zich beperken tot het ondergaan van een toestand waaraan wij ons hebben aangepast. Geloof is hopen op redding. Niet geloven is gewoon worden aan het kwaad dat ons verdrukt, en het daarbij laten.

Dierbare broeders en zusters, wij beginnen deze reeks catecheses met de kreet van Bartimeüs, misschien omdat in een figuur als de zijne, alles reeds geschreven staat. Bartimeüs is een man die volhardt. Rondom hem waren mensen die uitlegden dat het nutteloos is te smeken, dat zijn geschreeuw geen antwoord krijgt, het is kabaal dat stoort, meer niet, en dat hij alstublieft zou ophouden met roepen. Maar hij, hij zwijgt niet. En hij krijgt uiteindelijk wat hij wou.

Sterker dan eender welke tegengestelde argumentatie, is er in het hart van de mens een stem die roept. Wij hebben die stem allemaal in ons. Een stem die spontaan naar buiten komt, zonder dat iemand er bevel toe geeft, een stem die zich vragen stelt over de zin van onze weg hier beneden, vooral wanneer wij in het donker zijn. “Jezus, heb medelijden met mij! Jezus, heb medelijden met mij!” Een mooi gebed.

Maar zouden die woorden niet in heel de schepping gegrift staan? Alles roept en smeekt opdat het mysterie van de barmhartigheid zijn definitieve vervulling zou krijgen. Christenen zijn niet de enigen die bidden. Zij delen de kreet van het gebed met alle mannen en vrouwen. Maar de horizon kan nog meer verruimd worden: Paulus zegt dat heel de schepping “kreunt en barensweeën lijdt” (Rom 8,22). Kunstenaars maken zich dikwijls tot vertolkers van deze stille kreet van de schepping, die tot in elk schepsel doordringt, vooral in het mensenhart, want “de mens bedelt om God” (ibid., 2559). Een mooie definitie van de mens: iemand die bedelt om God.
Dank u.

Terug naar overzicht