23-3-2020 Geloof, volharding en moed
Drie voorwaarden voor echt gebed

In zijn homilie geeft paus Franciscus commentaar bij het Evangelie van Sint-Jan (4,43-54) waarin een Koninklijke beambte, van wie de zoon ziek is, Jezus opzoekt om Hem de genezing van zijn kind te vragen.
Geloof en volharding “gaan samen”, zo vervolgt de paus, “want als ge geloof hebt, zijt ge zeker dat de Heer u zal geven wat ge vraagt. En als de Heer u laat wachten, klop dan, klop, klop. Uiteindelijk zal de Heer u genadig zijn”. Wanneer de Heer ons laat wachten, legt hij uit, is het “voor ons welzijn”, opdat we het gebed “ernstig zouden nemen”. Er is “veel” moed nodig “om te bidden en voor de Heer te blijven staan”, zegt de paus tenslotte.

Deze vader vraagt gezondheid voor zijn zoon (cf Joh 4,43-54). De Heer geeft iedereen zowat een standje, ook deze man: “Als gij geen wondertekenen ziet, dan gelooft gij niet” (v. 48). De beambte blijft niet zwijgen maar gaat door en zegt Hem: “Heer, kom toch eer mijn kind sterft!” (v. 49). En Jezus antwoordt hem: “Ga maar, uw zoon leeft” (v. 50). Dat zijn de drie dingen die nodig zijn voor waarachtig gebed.
Het eerste is geloof: als ge geen geloof hebt … Wel, dikwijls is gebed slechts het opzeggen van woorden, mondgebed maar zonder het geloof van het hart.
Ofwel is het een zwak geloof … Denken we aan een andere papa, met een bezeten zoon. Jezus antwoordt hem: “alles kan voor wie gelooft”. En de vader zegt duidelijk: “Ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp!” (v. 23-24). Gebed met geloof. Of wij buiten bidden of hier, de Heer is er: heb ik geloof of is het een gewoonte? Laten we aandachtig zijn als we bidden: laten we beseffen dat de Heer aanwezig is, dat ik met de Heer aan het spreken ben en dat Hij bekwaam is om het probleem op te lossen. De eerste voorwaarde voor echt gebed, is geloof.

De tweede voorwaarde die Jezus ons leert, is volharding. Sommigen vragen iets maar de genade volgt niet. Zij volharden niet, omdat zij in de grond niet nodig hebben wat zij vragen, of omdat zij er het geloof niet toe hebben. Jezus leert ons de parabel van een man die ’s nachts bij zijn buur brood komt vragen: volharding doet op de deur kloppen (cf Lc 11,5-8). Of de weduwe met de onrechtvaardige rechter: zij dringt aan en blijft aandringen. Dat is volharding (cf Lc 18,1-8).

Geloof en volharding gaan samen, want als ge geloof hebt, zijt ge zeker dat de Heer u zal geven wat ge vraagt. En als de Heer u laat wachten, klop dan, klop, klop. Uiteindelijk zal de Heer u de genadig zijn. Maar de Heer doet dat niet opdat we naar Hem zouden verlangen of omdat Hij zegt: het is beter dat ge wacht. Nee. Hij doet het voor ons welzijn, opdat we het gebed ernstig zouden nemen. Het gebed ernstig nemen, niet als papegaaien: bla bla bla en dat is het … Jezus verwijt ons dat: doe niet zoals de heidenen “want deze menen dat zij door hun veelheid van woorden verhoring zullen vinden” (Mt 6,7-8). Nee. Dat is volharding. Dat is geloof.

En het derde dat Jezus in het gebed wil, is moed. Men kan zich de vraag stellen: is er moed nodig om te bidden en voor de Heer te blijven staan? Ja. De moed om daar te staan, naar voor te komen en te vragen … bijna te dreigen – als ik dat zo mag zeggen. De moed van Mozes tegenover God, toen God het volk wou verdelgen en hem tot leider van een ander volk maken. Hij zegt: nee, ik samen met het volk (cf Ex 32,7-14). Moed. De moed van Abraham, wanneer hij onderhandelt over het lot van Sodom: en als er maar 30 zijn, 25, 20 … Dat is moed (cf Gen 18,22-23). De deugd van moed is erg nodig. Niet alleen in het apostolaat, maar ook in het gebed.

Terug naar overzicht