10-6-2020 Audiëntie – Een nachtelijke afspraak met God om zich te laten omvormen

“Strijden met God: een metafoor van wat bidden is”. Dat is het onderwerp dat Paus Franciscus heeft ontwikkeld, en dat hem aan het hart ligt. Gebed dat transformeert.
De paus wijdde zijn zesde catechese over het gebed aan Jakob, een “man zonder scrupules”, “die van sluwheid zijn grootste hoedanigheid maakt”. En hij legt uit hoe Jakob na zijn fameuze strijd veranderde, een strijd “die blijft aanhouden en waardoor hij bijna bezwijkt”. “Voor één keer” is Jakob “geen meester meer van de situatie” en “heeft hij niets anders aan God aan te bieden dan zijn zwakheid en onmacht, namelijk zijn zonden”: hij is “kwetsbaar” geworden “maar met een nieuw hart”.
“Voordien was Jakob zeker van zichzelf en had hij vertrouwen in zijn handigheid. Hij was ontoegankelijk voor de genade en afkerig van de barmhartigheid”; hij wist niet “dat hij barmhartigheid nodig had”, benadrukt de paus, “maar God heeft gered wat verloren was”.
“Wij hebben allemaal een nachtelijke afspraak met God, in de nacht van ons leven, in al de nachten van ons leven: donkere ogenblikken, zondige momenten, ogenblikken dat we afwijken … Wij beseffen dat wij armzalige mensen zijn” – maar juist dan, op het ogenblik dat wij ons een “armzalige mens” voelen, zullen wij niet moeten vrezen: want op dat moment zal God ons de zegen geven die bestemd is voor hen die zich door Hem laten omvormen.”

Dierbare broeders en zusters, goeie dag!

Wij gaan verder met onze catechese over het onderwerp van het gebed. Het boek Genesis vertelt ons door de geschiedenis van mannen en vrouwen uit verre tijden, gebeurtenissen waarin wij ons leven kunnen weerspiegeld zien. In de periode van de aartsvaders, zien wij ook een man die van sluwheid zijn grootste hoedanigheid maakt: Jakob. Het Bijbelverhaal spreekt ons over de moeilijke band van Jakob met zijn broer Esau. Sinds hun kindertijd, is er een rivaliteit tussen hen die zij nooit zullen overwinnen. Jakob is de tweede – zij waren tweelingen – maar door bedrog slaagt hij erin de zegen van zijn vader en het eerstgeboorterecht te krijgen (cf Gen 25,19-34). Dat is de eerste van een reeks knepen waartoe deze man zonder scrupules in staat was. De naam “Jakob” zelf, verwijst naar iemand die zich listig gedraagt.

Hij is gedwongen voor zijn broer te vluchten, maar alles in het leven lijkt hem te lukken. Hij is handig in zakendoen: hij verrijkt zich en wordt eigenaar van een enorme kudde. Met hardnekkigheid en geduld, lukt het hem de mooiste dochter van Laban te huwen, op wie hij echt verliefd was. Jakob – laat het ons op een moderne manier zeggen – is een selfmade man. Vindingrijk en handig, kan hij krijgen wat hij wil. Maar iets ontbreekt hem. Een levende band met zijn afkomst.

Op een dag roept zijn thuis in zijn vorig vaderland hem, waar Esau nog leefde, de broer met wie hij altijd op slechte voet geleefd heeft. Jakob vertrekt en maakt een lange reis met een grote karavaan mensen en dieren, tot hij aan de laatste etappe komt, aan het wed van de Jabbok. Het boek Genesis biedt ons hier een gedenkwaardige bladzijde (cf 32,23-33). Nadat hij al zijn mensen en vee – en die waren talrijk – de rivier heeft laten oversteken, blijft de aartsvader alleen achter op de oever. En hij denkt na: wat staat hem ’s morgens te wachten? Hoe zal de houding van zijn broer Esau zijn, wiens eerstgeboorterecht hij ontstolen heeft? Jakobs gedachten gaan heen en weer … En terwijl de nacht valt, grijpt hem plots een vreemde en begint een gevecht met hem. De Catechismus legt dit zo uit: “De spirituele traditie van de kerk heeft uit dit verhaal het symbool bewaard van het gebed als gevecht van het geloof en als overwinning van de volharding” (KKK, 2573).

Jakob streed heel de nacht, zonder het overwicht aan zijn tegenstander te laten. Uiteindelijk wordt hij overwonnen, wanneer zijn rivaal hem op de heupzenuw, de ischias treft. Voortaan blijft hij heel zijn leven hinken. Deze mysterieuze strijder vraagt aan de aartsvader diens naam en zegt: “Voortaan zult gij geen Jakob meer heten, maar Israël, want gij hebt met God gestreden en met mensen en gij hebt hen overwonnen” (v. 29). Als om te zeggen: gij zult nooit de man zijn die hinkt, maar rechtop gaat. Hij verandert zijn naam, hij verandert zijn leven, hij verandert zijn gedrag; gij zult Israël heten. Dan vraagt Jakob aan die ander: “Maak mij uw naam bekend”. Deze doet het niet, maar in de plaats daarvan zegent hij hem. En Jakob begrijpt dat hij God “van aangezicht tot aangezicht” ontmoet heeft (cf vv. 30-31).

Met God strijden: een metafoor van wat bidden is. Andere keren gaf Jakob blijk dat hij met God in gesprek kon gaan, dat hij Hem als een bevriende en nabije aanwezigheid kon voelen. Maar die nacht, door een gevecht dat aanhield en waardoor hij bijna bezweek, is de aartsvader veranderd. Verandering van naam, verandering van manier van leven en verandering van persoonlijkheid: hij komt er anders uit. Voor één keer is hij niet meer meester van de situatie – zijn handigheid dient tot niets – hij is niet meer degene die de strategie bepaalt en die berekent. God brengt hem terug bij de waarheid dat hij sterveling is die beeft en bang is, want Jakob was bang in het gevecht. Voor één keer, doet Jakob niets anders dan zijn kwetsbaarheid en onmacht aan God aanbieden, namelijk zijn zondigheid. En het is die Jakob die van God de zegen krijgt, waarmee hij hinkend het beloofde land ingaat: kwetsbaar en kwetsbaar gemaakt, maar met een nieuw hart. Ik heb ooit door een bejaarde man horen zeggen – een goede man, een goede christen, maar een zondaar met veel vertrouwen in God: “God zal mij helpen, Hij zal mij niet in de steek laten. Ik zal naar het paradijs gaan, hinkend, maar ik ga er binnen”. Voordien was Jakob zeker van zichzelf en had hij vertrouwen in zijn eigen handigheid. Hij was ontoegankelijk voor de genade en afkerig van de barmhartigheid; hij wist niet wat barmhartigheid was. “Hier ben ik de baas!” Hij zag niet dat hij barmhartigheid nodig had. Maar God heeft gered wat verloren was. Hij heeft hem doen begrijpen dat hij beperkt is, dat hij een zondaar is die barmhartigheid nodig heeft en Hij heeft hem gered.

Wij hebben allemaal een nachtelijke afspraak met God, in de nacht van ons leven, in al de nachten van ons leven: duistere momenten, zondige momenten, ogenblikken dat wij afwijken. Daar is de afspraak met God, altijd. Hij zal ons verrassen op het ogenblik dat wij ons er niet aan verwachten, waarop wij echt helemaal alleen staan. In die nacht, vechtend met een onbekende, zullen wij beseffen dat wij een armzalig mens zijn, maar juist dan, op het ogenblik dat wij ons een armzalig mens voelen, zullen wij niet moeten vrezen: want op dat moment zal God ons de zegen geven die Hij voorbehoudt aan wie zich door Hem laten omvormen. Een mooie uitnodiging om ons door God te laten omvormen. Hij weet hoe, want Hij kent ieder van ons. “Heer, Gij kent mij”, dat kunnen wij allemaal zeggen. “Heer, Gij kent mij. Verander mij!”

Terug naar overzicht