24-6-2020 Audiëntie – Gebed, verwondering voor het mysterie van het leven
Het gebed in de leerschool van David

In “de wereld die zich voor zijn ogen aandient, speelt” zich voor koning David “achter het verloop der dingen een groter mysterie af”, zegt paus Franciscus: “Precies daar ontstaat gebed: uit de overtuiging dat het leven niets is dat ons overvalt, maar een verbazingwekkend mysterie dat in ons poëzie wekt, muziek, dankbaarheid, lof, beklag of smeking”.
Paus Franciscus wijdt zijn achtste catechese over het gebed aan koning David en benadrukt dat gebed “onze band helpt versterken met God, die de ware reisgezel van de mens is, te midden van de duizenden moeilijkheden in het leven, goede of slechte”.
Het gebed van David is de “enige rode draad” die “eenheid brengt in al wat zich voordoet” in het leven. “Het is de stem die nooit dooft.” Zo “leert hij ons om alles in gesprek te brengen met God; zowel vreugde als fouten, liefde als lijden, vriendschap als ziekte. Alles kan een woord worden tot het “Gij” dat altijd naar ons luistert”.

Dierbare broeders en zusters, goeie dag!
In onze catechesereeks over het gebed, ontmoeten wij vandaag koning David. Sinds zijn jeugd, door God bemind, wordt hij gekozen voor een unieke zending die een centrale rol zal spelen in de geschiedenis van het volk Gods en van ons geloof. In de Evangeliën wordt Jezus meermaals “Zoon van David” genoemd. Inderdaad, zoals David is Hij in Betlehem geboren. De Messias is volgens de beloften de afstammeling van David: een koning, helemaal naar het hart van God, die in volmaakte gehoorzaamheid aan de Vader, trouw Zijn heilsplan verwezenlijkt (cf Catechismus van de Katholieke Kerk, 2579).

De geschiedenis van David begint op de heuvels rond Betlehem, waar hij de kudde van zijn vader Jesse hoedt. Hij is nog jong, de laatste van vele broers. Zodat, wanneer de profeet Samuel op bevel van God, de nieuwe koning gaat zoeken, het lijkt dat zijn vader deze jongste zoon vergeten heeft (cf 1 Sam 16,1-13). Hij werkte in de buitenlucht: wij stellen ons hem voor als vriend van de wind, van de geluiden in de natuur, van de zonnestralen. Er is slechts één gezelschap dat zijn ziel troost: zijn harp. En in de lange eenzame dagen, speelt en zingt hij graag voor zijn God. Hij speelde ook met zijn slinger.

David is eerst en vooral een herder: een man die voor dieren zorgt, die ze verdedigt wanneer gevaar opduikt en in hun onderhoud voorziet. Wanneer David zich volgens de wil van God om het volk zal moeten bekommeren, zullen deze taken daar niet erg van verschillen. Het is om die reden dat het beeld van de herder dikwijls voorkomt in de Bijbel. Jezus noemt zichzelf ook “de goede herder”, Zijn gedrag is anders dan die van een huurling; Hij geeft Zijn leven voor Zijn schapen, Hij leidt hen, Hij kent elk van hen bij naam (cf Joh 10,11-18).

David heeft van zijn eerste beroep veel geleerd. Wanneer de profeet Natan hem zijn zware zonde zal verwijten (cf 2 Sam 12,1-15), begrijpt David dan ook onmiddellijk dat hij een slechte herder geweest is, dat hij een andere man van het enige schaap beroofd heeft waar hij van hield, dat hij geen nederige dienaar meer is, maar een machtswellusteling, een stroper die doodt en rooft.

Een tweede kenmerk van de roeping van David is zijn dichtersziel. Uit deze kleine opmerking leiden wij af dat David geen onbeschaafde man was, wat dikwijls kan gebeuren wanneer een individu verplicht is zich lang van de samenleving te isoleren. Integendeel, hij is een gevoelige persoon, die houdt van muziek en zang. Zijn harp zal hem altijd vergezellen: soms om een vreugdelied tot God te verheffen (cf 2 Sam 6,16), soms om zijn beklag uit te drukken of zijn zonde te belijden (cf Ps 51,3).

De wereld die zich voor zijn ogen afspeelt, is geen zwijgzaam tafereel: zijn blik begrijpt dat zich achter het verloop der dingen een groter mysterie afspeelt. Precies daar ontstaat gebed: uit de overtuiging dat het leven niets is dat ons overvalt, maar een verbazingwekkend mysterie dat in ons poëzie wekt, muziek, dankbaarheid, lof, beklag of smeking. Als iemand die poëtische dimensie niet heeft, als het hem aan poëzie ontbreekt, dan loopt zijn ziel mank. Daarom ziet de traditie in David de grote schrijver van de psalmen. In het begin verwijzen zij dikwijls en expliciet naar de koning van Israël en naar sommige, meer of minder waardige gebeurtenissen in zijn leven.

David heeft dus een droom: een goede herder te zijn. Soms lukt hij daarin, soms niet. Maar belangrijk in de context van de heilsgeschiedenis, is dat hij de profetie is van een andere koning, van wie hij de aankondiging en voorafbeelding is.

Kijken wij naar David, denken wij aan David. Een heilige en een zondaar, vervolgd en vervolger, slachtoffer en boosdoener, allemaal tegenstellingen. David was dat allemaal tegelijk. En ook wij, wij tonen in ons leven dikwijls tegengestelde gezichten. Alle mensen zondigen in de loop van hun leven en dikwijls door incoherentie. Er is één enkele rode draad in het leven van David, die eenheid brengt in al wat zich voordoet: zijn gebed. Het is de stem die nooit dooft. De heilige David bidt; de zondige David bidt; de vervolgde David bidt; David die vervolgt, bidt; David bidt als slachtoffer en David bidt zelfs als boosdoener. Het is de rode draad in zijn leven. Een man van gebed. Het is de stem die nooit dooft, die jubelt of klaagt. Het is altijd gebed, alleen de melodie verandert. Zo leert David ons om alles in gesprek te brengen met God; zowel vreugde als fouten, liefde als lijden, vriendschap als ziekte. Alles kan een woord worden tot het “Gij” dat altijd naar ons luistert.

David, die de eenzaamheid gekend heeft, was in werkelijkheid nooit alleen! In de grond is dat de kracht van iedereen die aan het gebed plaats geeft in zijn leven. Gebed geeft u waardigheid en David is waardig omdat hij bidt. Maar het is een booswicht die bidt, die berouw heeft en zijn waardigheid terugvindt dank zij het gebed. Gebed geeft ons waardigheid: het kan onze band verzekeren met God, die de ware reisgezel is van de mens, te midden van de duizenden moeilijkheden in het leven, goede of slechte, maar altijd met gebed. Dank U, Heer. Ik ben bang, Heer. Help mij, Heer. Vergeef mij, Heer. David had zo’n vertrouwen dat wanneer hij achtervolgd werd en moest vluchten, niet toeliet dat iemand hem zou verdedigen: als mijn God mij vernedert, dan weet Hij het. De waardigheid van het gebed laat ons in Gods hand. Door liefde doorboorde handen: de enige veilige handen die we hebben.

Terug naar overzicht