22-11-2020 Angelus – Gevoel volstaat niet, er zijn werken nodig

“Wij zullen geoordeeld worden over de liefde,” zegt paus Franciscus, “niet over het gevoel, nee; wij zullen geoordeeld worden over de werken, over het medelijden dat nabijheid en zorgzame steun wordt”.
De paus mediteerde over het Evangelie van deze dag, het hoogfeest van Christus Koning van het heelal, “Heer van de geschiedenis … Rechter van allen”. Maar, deze Rechter, zo bemerkt hij, “bekleedt geen geducht koningschap, Hij is een herder vol tederheid en barmhartigheid”.
Hij formuleerde “de vraag voor vandaag”: “Nader ik tot Jezus die aanwezig is in de persoon van zieken, armen, mensen die lijden, gevangenen, zij die hongeren en dorsten naar gerechtigheid? Nader ik tot Jezus die daar aanwezig is?”.

Dierbare broeders en zusters, goeie dag!
Vandaag vieren wij het hoogfeest van Onze Heer Jezus Christus Koning van het heelal, waarmee het liturgisch jaar eindigt – die grote parabel die het Christusmysterie ontvouwt: heel het liturgisch jaar. Hij is de Alfa en de Omega, het begin en de voltooiing van de geschiedenis. En de liturgie van vandaag concentreert zich op de omega, dat wil zeggen het einddoel. Men begrijpt de betekenis van de geschiedenis als we haar hoogtepunt onder ogen nemen: het einde is ook het begin.

En het is precies wat Matteüs doet in het Evangelie van deze zondag (25,31-46), door de redevoering van Jezus over het universele oordeel op het einde te plaatsen van Zijn leven op aarde: Hij, die weldra door de mensen zal veroordeeld worden, is in feite de hoogste Rechter. In Zijn dood en verrijzenis zal Jezus zich Heer tonen van de geschiedenis, Koning van het heelal, Rechter van allen. Maar de christelijke paradox is dat de Rechter geen geducht koningschap bekleedt, Hij is een herder vol tederheid en barmhartigheid.

Jezus maakt in deze parabel over het laatste oordeel inderdaad gebruik van het beeld van de herder. Hij neemt beelden van de profeet Ezechiël over, die sprak over het optreden van God ten gunste van het volk, tegen de slechte herders van Israël in (cf 34,1-10). Deze laatsten waren wreed, het waren uitbuiters, zij verkozen voor zichzelf te zorgen in plaats van voor de kudde. Bijgevolg belooft God persoonlijk zorg te dragen voor Zijn kudde en ze te verdedigen tegen onrechtvaardigheden en misbruik. Deze belofte van God voor Zijn volk heeft zich ten volle verwezenlijkt in Jezus Christus, de Herder: Hij is de Goede Herder. Hij zegt van zichzelf: “Ik ben de goede herder” (Joh 10,11.14).

In de Evangeliepassage van vandaag identificeert Jezus zich niet alleen met de koning-herder, maar ook met de verloren schapen. Wij zouden kunnen spreken over een dubbele identiteit: de koning-herder Jezus identificeert zich ook met de schapen, dat wil zeggen met de kleinste en meest behoeftige broeders. En zo geeft Hij het criterium van het oordeel: het zal gebeuren op basis van de concrete liefde die aan die mensen gegeven of geweigerd wordt, want Hij, de Rechter, is aanwezig in ieder van hen. Hij is de rechter, Hij is God en mens maar Hij is ook de arme, Hij is verborgen, Hij is aanwezig in de persoon van de arme die Hij hier vermeldt. Jezus zegt: “Voorwaar , Ik zeg u: al wat gij gedaan hebt voor een dezer geringsten van mijn broeders hebt gij voor Mij gedaan(of: niet gedaan)” (v. 40.45). Wij zullen over de liefde geoordeeld worden. Het oordeel zal over de liefde gaan. Niet over het gevoel, nee: wij zullen geoordeeld worden over de werken, over het medelijden dat nabijheid en zorgzame steun wordt.

Nader ik tot Jezus die aanwezig is in de persoon van zieken, armen, mensen die lijden, gevangenen, zij die hongeren en dorsten naar gerechtigheid? Nader ik tot Jezus die daar aanwezig is? Dat is de vraag voor vandaag.

Dus op het einde van de wereld zal de Heer Zijn kudde de revue laten passeren en niet alleen als herder maar ook als de schapen waarmee Hij zich identificeert. En Hij zal ons vragen: waart ge een beetje herder zoals Ik? Waart ge een herder voor Mij in die behoeftige mensen of waart ge onverschillig? Broeders en zusters, hoeden wij ons voor de logica van de onverschilligheid, van wat ons onmiddellijk te binnen schiet: de blik afwenden wanneer wij een probleem zien. Denken wij aan de parabel van de Goede Samaritaan. Deze arme man, door rovers gewond, op de grond geworpen, tussen leven en dood, was heel alleen. Een priester gaat voorbij, hij ziet hem en gaat door, de blik afgewend. Een leviet gaat voorbij, ziet hem en keert de blik af. Ben ik voor mijn broeders en zusters in nood, onverschillig zoals die priester, die leviet; wend ik de blik af? Ik zal daarover geoordeeld worden: over de manier waarop ik naderbij kom, waarop ik naar Jezus kijk die aanwezig is in de noodlijdende mens. Dat is de logica, en niet ik zeg dat, het is Jezus: wat ge gedaan hebt voor die en die, hebt ge voor Mij gedaan en wat ge niet gedaan hebt voor die en die, hebt ge niet voor Mij gedaan want Ik was in hen. Moge Jezus ons deze logica leren, deze logica van de nabijheid, nader tot Hem te komen, met liefde, in de persoon van de meest noodlijdende mensen.

Vragen wij aan de Maagd Maria ons te leren heersen door dienstbaarheid. Maria, die ten Hemel opgenomen is, heeft van Haar Zoon de koningskroon ontvangen omdat Zij Hem trouw gevolgd is – Zij was de eerste leerling – op de weg van de Liefde. Leren wij van Haar, nu al het Rijk Gods binnen te gaan, door de deur van nederige en edelmoedige dienstbaarheid. En keren wij alleen naar huis terug met deze zin: Ik was daar. Dank u! Of: ge bent Mij vergeten.

Terug naar overzicht