27-5-2020 Audiëntie – Gebed, een dijk tegen de branding van het kwaad

Dierbare broeders en zusters, goeie dag!
Wij wijden de catechese vandaag aan het gebed van de rechtvaardigen.

Gods plan met de mensheid is goed, maar in onze dagelijkse geschiedenis ervaren wij dat het kwaad aanwezig is. Het is een ervaring van alle dagen. De eerste hoofdstukken uit het boek Genesis beschrijven de geleidelijke uitbreiding van de zonde in de geschiedenis van de mensen. Adam en Eva (cf Gen 3,1-7) twijfelen aan de goede bedoelingen van God, zij denken te doen te hebben met een jaloerse godheid die hun geluk in de weg staat. Vandaar hun opstandigheid: zij geloven niet langer in een edelmoedige Schepper, die hun geluk verlangt. Hun hart dat bezwijkt voor de bekoring van de boze, raakt in de ban van de almacht: als wij van die boom eten, zullen wij gelijk worden aan God (cf v. 5). Dat is bekoring: ambitie die in het hart dringt. Doch zij ervaren het tegengestelde: hun ogen gaan open en zij ontdekken hun naaktheid (cf v. 7), zij hebben niets. Vergeet dat niet: de bekoorder is een slechte betaler, hij betaalt slecht.

Het kwaad ontketent zich nog meer in de tweede generatie: de geschiedenis van Kaïn en Abel ( 4,1-16). Kaïn is jaloers op zijn broer: hij wordt door nijd verteerd. Al is hij de oudste, hij ziet een rivaal in Abel, iemand die zijn superioriteit ondermijnt. Het kwaad manifesteert zich in zijn hart en Kaïn kan zich niet beheersen. Het kwaad begint in zijn hart: gedachten die de ander altijd slecht, wantrouwig bekijken. Gedachten als: hij is kwaadaardig, hij zal mij kwaad doen. En die gedachte komt op in zijn hart … Zo eindigt de geschiedenis van de eerste broederschap in moord. Ik denk aan de broederschap onder de mensen vandaag … overal oorlog.

In het nageslacht van Kaïn ontwikkelen zich beroepen en kunsten, maar ook geweld, dat verwoord wordt in de klaagzang van Lamech en dat klinkt als een lied van wraak: “word ik gewond, dan dood ik een man; krijg ik een schram, dan neem ik een kind. Wordt Kaïn zevenvoudig gewroken, Lamech zevenenzeventigvoudig!” (4,23-24). Wraak: gij hebt dat gedaan! ge zult ervoor betalen! Doch niet de rechter zegt dat, maar ik. Ik maak mij tot rechter van de situatie. En zo breidt boosheid zich uit als een olievlek, tot alles bedekt is: “Jahwe zag hoezeer op de aarde de boosheid van de mensen was toegenomen en hoezeer de begeerte van hun hart de hele dag naar het kwade uitging” (6,5). De grote fresco’s van de zondvloed (hfd. 6-7) en de toren van Babel (hfd. 11) tonen de noodzaak van een nieuw begin, een nieuwe schepping die in Jezus Christus zal verwezenlijkt worden.

En toch, op deze eerste bladzijden van de Bijbel wordt ook een andere geschiedenis geschreven, minder zichtbaar, veel nederiger en meer opbouwend, over het vrijkopen van de hoop. Ook al gedraagt bijna iedereen zich op een schandelijke manier en worden haat en verovering de grote drijfveer van de mensengeschiedenis, toch zijn er mensen die oprecht tot God kunnen bidden, die de bestemming van de mens op een andere manier kunnen schrijven. Abel offert zijn eerstelingen aan God. Na zijn dood, hadden Adam en Eva een derde zoon, Set, uit wie Enos geboren werd (wat “sterfelijk” betekent) en er staat: “dat was de tijd dat men de naam van Jahwe begon aan te roepen” (4, 26). Dan verschijnt Henoch, iemand die “zijn schreden naar God richtte” en “die verdween omdat God hem wegnam” (cf 5,22.24). En ten slotte is er de geschiedenis van Noach, “een rechtschapen man” die “zijn schreden naar God richtte” (6,9) en voor wie God zijn plan introk om de mensheid van het aardoppervlak te vegen (cf 6,7-8).

Als men die verhalen leest, heeft men de indruk dat gebed de dijk is, de toevlucht van de mens tegen de branding van het kwaad dat in de wereld toeneemt. Eigenlijk bidden wij ook om zelf gered te worden. Het is belangrijk te bidden: alstublieft, Heer, red mij van mijzelf, van mijn ambitie, van mijn hartstochten. De bidders op de eerste bladzijden van de Bijbel zijn bewerkers van vrede: wanneer gebed authentiek is, bevrijdt het van de instincten van geweld en is het als een blik die op God gericht is opdat Hijzelf voor het hart van de mensen zou komen zorgen. In de Catechismus lezen we: “als zodanig wordt het gebed door een menigte van rechtvaardigen in alle godsdiensten beleefd” (nr. 2569). Gebed plant bloemperken op plaatsen waar haat niets anders kon doen dan de woestijn uitbreiden. Gebed is machtig, want het trekt de macht van God aan en de macht van God geeft altijd leven, altijd. Hij is de God van het leven en Hij doet opnieuw geboren worden.

Daarom gaat de heerschappij van God langs de ketting van die mannen en vrouwen, die in de wereld dikwijls niet begrepen of gemarginaliseerd worden. Maar de wereld leeft en groeit dank zij de kracht van God die door het gebed van Zijn dienaren aangetrokken wordt. Zij vormen een ketting die helemaal niet opzichtig is, die zelden de voorpagina haalt in de krant en die nochtans zo belangrijk is om de wereld terug vertrouwen te geven!

Ik herinner mij de geschiedenis van een man: een regeringsleider, een belangrijk man, niet uit deze tijd, maar van vroeger. Een atheïst zonder religieus gevoel in zijn hart maar die als kind zijn grootmoeder had horen bidden en dat was in zijn hart blijven hangen. En in een moeilijke periode van zijn leven, is die herinnering terug naar boven gekomen: mijn grootmoeder bad … En zo is hij beginnen bidden met de formulegebeden van zijn grootmoeder en heeft hij Jezus gevonden. Gebed is een levensketting, altijd: de vele mannen en vrouwen die bidden, zaaien leven. Gebed, klein gebed zaait leven: daarom is het zo belangrijk kinderen te leren bidden. Het doet mij pijn wanneer ik kinderen zie die het kruisteken niet kunnen maken. Men moet hen het kruisteken goed leren maken, want dat is het eerste gebed. Het is belangrijk dat kinderen leren bidden. Daarna vergeten ze het misschien of nemen ze een andere weg, maar de eerste gebeden die men als kind geleerd heeft, blijven in het hart hangen. Ze zijn als levenszaad, zaad voor een gesprek met God.

De weg van God in de geschiedenis gaat langs hen: langs een “rest” van de mensheid die zich niet geschikt heeft naar de wet van de sterkste, maar die aan God vraagt Zijn wonderen te doen, en vooral ons stenen hart om te vormen tot een hart van vlees (cf Ez 36,26). Dat is behulpzaam voor het gebed: want gebed opent de deur voor God, vormt ons hart dat dikwijls van steen is, om tot een mensenhart. Er is veel menselijkheid nodig, en menselijkheid helpt om goed te bidden.

Terug naar overzicht