1-2-2020 Opdracht van de Heer: het geheim van het godgewijde leven en van een gelukkige oude dag
Wij worden blind als wij de Heer niet dagelijks zien

Paus Franciscus wijst in zijn homilie op de vooravond van het feest van de Opdracht van de Heer in de Tempel van Jeruzalem, ook de Werelddag van het Godgewijde Leven, op het geheim van het godgewijde leven en van een gelukkige oude dag.
De paus nodigt ons uit te zien wat de bejaarde Simeon en de profetes Hanna, volgens het Evangelie van de heilige Lucas (2,22-40) doen.
De paus suggereert deze genade te vragen: “Om een juiste kijk op het leven te hebben, vragen wij, Gods genade voor ons te kunnen zien, zoals Simeon”.

“Mijn ogen hebben thans uw Heil aanschouwd” (Lc 2,30). Dat zijn de woorden van Simeon die het Evangelie voorstelt als een eenvoudige man: “een wetgetrouw en vroom man” – zegt de tekst (v. 25). Maar van alle mensen die in de tempel waren, was hij de enige die in Jezus de Redder heeft gezien. Wat heeft hij gezien? Een kind: een klein, kwetsbaar en gewoon kind. Maar daarin heeft hij het heil gezien, omdat de Heilige Geest hem in dat teder pasgeboren kind, “de Gezalfde des Heren” (v. 26) heeft doen herkennen. Door Hem in zijn armen te nemen, heeft hij door het geloof gemerkt dat God Zijn beloften in Hem vervult. En hij, Simeon, kon in vrede gaan: hij had de genade gezien die meer waard is dan het leven (cf Ps 63,4) en verwachtte nu niets meer.

Ook u, dierbare godgewijde broeders en zusters, u bent eenvoudige mannen en vrouwen die de schat gezien hebben die meer waard is dan alle bezit ter wereld. Omwille van Hem, heeft u waardevolle dingen achtergelaten, zoals bezit en het stichten van een gezin. Waarom heeft u dat gedaan? Omdat u verliefd werd op Jezus, in Hem heeft u alles gezien, en door Zijn blik in beslag genomen, heeft u al het overige achtergelaten. Het godgewijde leven is die blik. Het is zien wat telt in het leven. Het is de gave van de Heer met open armen ontvangen, zoals Simeon. Dat is wat de ogen van godgewijden zien: Gods genade, uitgestort in hun handen. Een godgewijde is degene die elke dag naar zichzelf kijkt en zegt: alles is gave, alles is genade. Dierbare broeders en zusters, wij verdienen het religieuze leven niet, het is een geschenk dat wij uit liefde kregen.

Mijn ogen hebben uw Heil aanschouwd. Het zijn de woorden die wij elke avond in de Completen herhalen. Daarmee besluiten wij de dag. Heer, mijn heil komt van U, mijn handen zijn niet leeg, maar vol van Uw genade. De genade kunnen zien, is het vertrekpunt. Achteruit kijken, zijn geschiedenis herlezen en er de trouwe gav. van God in zien: niet alleen in de grote momenten van het leven, maar ook in de kwetsbaarheid, in zwakheid en miserie. De verleider, de duivel insisteert op onze miserie, onze lege handen: na al die jaren, zijt ge er niet beter op geworden, hebt ge niet gerealiseerd wat ge had gekund, hebben ze u niet laten doen waarvoor ge aanleg had, bent ge niet altijd trouw geweest, bent ge niet bekwaam … en zo voort. Ieder van ons kent dat verhaal en die woorden goed.

Wij zien dat dit gedeeltelijk waar is en volgen gedachten en gevoelens die ons desoriënteren. En wij lopen het gevaar het noorden te verliezen, namelijk Gods belangeloosheid. Omdat God altijd van ons houdt en zich aan ons geeft, ook in onze miserie. De heilige Hiëronymus gaf zoveel dingen aan de Heer en de Heer vroeg steeds meer. Hij zei Hem: “Maar, Heer, ik heb U alles gegeven, alles, wat ontbreekt er nog?” – “Uw zonden, uw miserie, geef Mij uw miserie”. Wanneer wij onze blik op Hem gericht houden, stellen wij ons open voor de vergeving die ons vernieuwt en worden wij bevestigd door Zijn trouw. Vandaag kunnen wij ons de vraag stellen: op wie richt ik mijn blik: op de Heer of op mijzelf? Wie vooral Gods genade kan zien, ontdekt het tegengif voor het gebrek aan vertrouwen en voor een wereldse kijk.

Want deze bekoring bedreigt het religieuze leven: een wereldse kijk. Het is de blik die Gods genade niet meer ziet als de protagonist van het leven en die op zoek gaat naar een vervangmiddel: een beetje succes, gevoelsmatige troost, eindelijk doen wat ik wil. Maar als het godgewijde leven niet meer rond Gods genade draait, plooit het terug op het ik. Het verliest zijn elan, installeert zich, stagneert. En wij weten wat dan gebeurt: men eist ruimte en rechten op, men laat zich meeslepen door roddel en boosaardigheid, men verontwaardigt zich over iedere kleinigheid die niet gaat en zet klaaglitanieën in, jeremiades – dat is de klaagbroeder en klaagzuster: over de broeders, de zusters, de gemeenschap, de Kerk, de samenleving. Men ziet de Heer niet meer in alle dingen, maar alleen de wereld met haar dynamiek en het hart ergert zich. Zo neemt men kleine gewoontes aan en wordt men pragmatisch terwijl droefheid en gebrek aan vertrouwen van binnen toenemen en ontaarden in berusting. Dat is waar een wereldse kijk naartoe leidt. De grote Theresia zei tegen haar zusters: “helaas de zuster die herhaalt ‘men was onrechtvaardig tegen mij’, helaas!”.

Om een juiste kijk op het leven te hebben, vragen wij, Gods genade voor ons te kunnen zien, zoals Simeon. Het Evangelie herhaalt tot drie keer dat hij vertrouwd was met de Heilige Geest, die op hem rustte, die hem een godsspraak gaf, die hem dreef (vv. 25-27). Hij was vertrouwd met de Heilige Geest, met de liefde van God. Als het godgewijde leven stevig in de liefde van de Heer blijft, ziet het schoonheid. Het ziet dat armoede geen titanische inspanning is, maar een hogere vrijheid, die ons God en de anderen geeft als ware rijkdommen. Zij ziet dat kuisheid geen strenge steriliteit is, maar de weg om lief te hebben zonder te bezitten. Zij ziet dat gehoorzaamheid niet een discipline is, maar de overwinning op onze anarchie, volgens de stijl van Jezus. Nu we het hebben over armoede en gemeenschapsleven – in een gebied in Italië, dat door een aardbeving getroffen was, werd een benedictijnenklooster vernietigd en heeft een ander klooster zusters opgenomen. Maar zij zijn er niet lang gebleven: zij waren niet gelukkig, zij dachten aan het klooster dat zij achtergelaten hadden en aan de mensen ginder. Tenslotte, besloten zij terug te keren en het klooster in twee caravans in te richten. In plaats van een groot klooster, met comfort, waren zij als vlooien, daar allemaal samen, maar gelukkig in hun armoede. Dat is vorig jaar gebeurd. Mooi is dat!

Mijn ogen hebben uw Heil aanschouwd. Simeon heeft Jezus gezien, klein, nederig, gekomen om te dienen en niet om gediend te worden en Simeon noemt zichzelf ook ‘dienaar’. Hij zegt namelijk: “Uw dienaar laat gij, Heer, nu naar uw woord in vrede gaan” (v. 29). Wie de blik op Jezus gericht houdt, leert leven om te dienen. Hij wacht niet tot de anderen beginnen, maar gaat op zoek naar de naaste, zoals Simeon die Jezus in de tempel zocht. Waar is mijn naaste in het godgewijde leven? Dat is de vraag: waar is de naaste? Eerst en vooral, in de eigen gemeenschap. Jezus te kunnen zoeken in de broeders en zusters die wij gekregen hebben, is een genade die moet gevraagd worden. Daar begint men de naastenliefde in praktijk te brengen: waar ge leeft, door de broeders en zusters te aanvaarden met hun armoede, zoals Simeon de gewone en arme Jezus aanvaardt. Vandaag zien velen de anderen alleen als een obstakel en complicatie. Wij hebben een blik nodig die de naaste zoekt, die dichter komt bij degene die veraf is. Mannelijke en vrouwelijke religieuzen, mannen en vrouwen die leven om Jezus na te volgen, zijn geroepen om Zijn blik in de wereld te brengen, de blik van het medelijden, de blik die op zoek gaat naar wie veraf zijn, die niet veroordeelt maar aanmoedigt, die bevrijdt, die troost, de blik van het medelijden. Dat is een leitmotiv van het Evangelie. Zo dikwijls wordt van Jezus gezegd: “Hij gevoelde medelijden”. Dat is de verlaging van Jezus tot bij ieder van ons.

Mijn ogen hebben uw Heil aanschouwd. De ogen van Simeon hebben het heil gezien omdat hij het verwachtte (cf v. 25). Het waren ogen die verwachtten, die hoopten. Zij zochten het licht en hebben het licht der volken gezien (cf v. 32). Het waren vermoeide ogen, maar verlicht door hoop. De blik van godgewijde mensen kan niet anders dan een blik van hoop zijn. Kunnen hopen. Als men rond zich kijkt, is het gemakkelijk de hoop te verliezen: de dingen die niet gaan, de daling van de roepingen … En dan weegt de bekoring van een wereldse kijk, die de hoop tenietdoet. Maar laat ons naar het Evangelie kijken, naar Simeon en Hanna: het waren bejaarde, eenzame mensen en toch hadden zij de hoop niet verloren, omdat zij in contact bleven met de Heer. Hanna “verbleef voortdurend in de tempel en diende God dag en nacht door vasten en gebed” (v. 37). Dat is het geheim: zich niet verwijderen van de Heer, de bron van hoop. Wij worden blind als wij de Heer niet alle dagen zien, als wij Hem niet aanbidden. De Heer aanbidden!

Dierbare broeders en zusters, danken wij God voor de gave van het godgewijde leven en vragen wij een nieuwe blik die de genade kan zien, die de naaste kan zoeken, die kan hopen. Dan zullen ook onze ogen het heil zien.

Terug naar overzicht