9-12-2020 Audiëntie – Het smeekgebed
Verstikken wij het smeekgebed niet dat spontaan in ons opwelt en wachten wij op het antwoord dat zeker komt

Gebed “slaat bressen van licht in de dichtste duisternis. Heer, help mij! Dat opent de weg”. Dit zegt paus Franciscus in zijn catechese over het thema van het gebed.
“Smeekgebed, zegt hij, gaat samen met het aanvaarden van onze grenzen.” Inderdaad, “soms lijkt alles in elkaar te stuiken, lijkt het leven zinloos geweest te zijn. En in die schijnbaar uitzichtloze situaties is er één enkele uitgang: roepen, bidden: Heer, help mij!”.
“God hoort de kreet van wie Hem aanroept. Wij weten dat God zal antwoorden … Het is een kwestie van geduld, altijd, afwachten.” En om overtuigender te zijn, zegt de paus ook: “De dood zelf beeft voor een christen die bidt” want zij “is al overwonnen in Christus en de dag zal komen dat alles definitief zal zijn en zij ons leven en geluk niet meer zal tarten”.
“Laten wij dan leren de Heer te verwachten” in deze tweede week van de Advent, besluit de paus.

Dierbare broeders en zusters, goeie dag!

Wij gaan verder met onze reflectie over het gebed. Christelijk gebed is heel en al menselijk: wij bidden als persoon, zoals wij zijn. Het bevat lof en smeking. Wanneer Jezus Zijn leerlingen leerde bidden, heeft Hij dat met het Onze Vader gedaan, zodat wij met God een relatie van kinderlijk vertrouwen kunnen aangaan en al onze vragen tot Hem richten. Wij smeken van God om de hoogste gaven: de heiliging van Zijn Naam onder de mensen, de komst van Zijn heerschappij, de verwezenlijking van Zijn welwillende wil met de wereld. De Catechismus herinnert hieraan: “Er is een rangorde in het smeekgebed: eerst het koninkrijk, vervolgens wat nodig is om het te ontvangen en om mee te werken aan de komst ervan” (nr. 2632). Maar in het Onze Vader bidden wij ook voor de meest gewone gaven, zoals het “dagelijks brood”, en dat betekent ook gezondheid, een woonst, werk, de dingen van alle dag; dat betekent ook de Eucharistie, die noodzakelijk is voor het leven in Christus; en de vergeving van de zonden – wat iets dagelijks is, wij hebben altijd vergeving nodig; en dan is er de vrede in onze relaties en tenslotte dat Hij ons helpt wanneer we in bekoring zijn en dat Hij ons van het kwaad bevrijdt.

Vragen, smeken. Dat is heel menselijk. Luisteren we nogmaals naar de Catechismus: “Door het smeekgebed drukken wij uit dat wij beseffen in relatie met God te zijn: geschapen als we zijn, zijn wij niet onze eigen oorsprong, noch de baas over onze tegenslagen, noch zelf onze uiteindelijke bestemming; maar evengoed weten wij als christenen dat wij, zondaars als we zijn, ons afwenden van onze Vader. De smeekbede is reeds een terugkeer naar de Vader” (nr. 2629).

Als iemand zich niet op zijn gemak voelt omdat hij verkeerd gehandeld heeft – hij is een zondaar – en het Onze Vader bidt, dan nadert hij de Heer al. Soms kunnen wij denken niets nodig te hebben, genoeg te hebben aan onszelf en leven wij in de meest complete zelfgenoegzaamheid. Dat gebeurt soms! Maar vroeg of laat verdwijnt deze illusie. Mens zijn, is een aanroeping die soms een kreet wordt en die soms aanhoudt. De ziel lijkt op dorre, dorstige grond, zoals de Psalm zegt (63,2). Wij hebben allemaal die ervaring op het ene of andere ogenblik van ons leven, in ogenblikken van neerslachtigheid of eenzaamheid. De Bijbel schaamt zich niet de menselijke conditie te tonen die getekend is door ziekte, onrechtvaardigheden, verraad van vrienden of bedreiging door vijanden. Soms lijkt alles in elkaar te stuiken, lijkt het leven zinloos geweest te zijn. En in die schijnbaar uitzichtloze situaties is er één enkele uitgang: roepen, bidden: Heer, help mij!”. Gebed slaat bressen van licht in de dichtste duisternis. Heer, help mij! Dat opent de weg.

Wij, mensen, wij delen deze roep om hulp met heel de schepping. Wij zijn in dit immense heelal niet de enigen die bidden: in alle delen van de schepping is het verlangen naar God gegrift. De heilige Paulus zei het zo: “Wij weten immers, dat de hele natuur kreunt en barensweeën lijdt, altijd door. En niet alleen zij, ook wij zelf, die toch reeds de eerstelingen van de Geest hebben ontvangen, ook wij zuchten over ons eigen lot, zolang wij nog wachten op de verlossing van ons lichaam” (Rom 8,22-24). In ons weerklinkt het veelzijdig zuchten van de schepselen: van de bomen, het gesteente, de dieren … Alles verzucht naar voltooiing. Tertullianus schreef: “Alle geschapen wezens bidden, de dieren en wilde dieren bidden en buigen de knie; wanneer zij uit hun stal of schuilplaats komen, heffen zij hun kop naar de hemel en blijven niet stom, zij laten hun geluid horen volgens hun geaardheid. En zelfs de vogels, ze hebben amper leren vliegen en verheffen zich ten hemel, met wijd open vleugels als waren het handen in de vorm van een kruis en zij kwelen iets dat op gebed gelijkt” (De oratione, XXIX). Het is een dichterlijke manier om commentaar te geven op wat de heilige Paulus zegt: heel de schepping kreunt en bidt. Maar wij, wij zijn de enigen die bewust bidden, wij richten ons namelijk tot de Vader, wij gaan een gesprek aan met de Vader.

Wij moeten dus niet gechoqueerd zijn als wij de behoefte voelen om te bidden, wij moeten er niet beschaamd om zijn. Vooral wanneer we in nood zijn: vragen. Jezus zegt van een oneerlijke man die met zijn baas moet afrekenen: ik schaam mij om te bedelen. En velen onder ons hebben dat gevoel: wij zijn beschaamd om te vragen, hulp te vragen, aan iemand om hulp te vragen om iets te doen, een doel te bereiken. Ook beschaamd om God iets te vragen. Men moet niet beschaamd zijn om te bidden en te vragen: Heer, ik heb dat nodig – Heer, ik ben in die moeilijkheid – Help mij! Het is de kreet van het hart tot God, die Vader is. Wij moeten dat leren. Ook in goede momenten: God danken voor al wat ons gegeven is en niets beschouwen als verworven of iets dat ons verschuldigd is. Alles is genade. De Heer geeft ons altijd, altijd. Alles is genade, alles. De genade van God. Verstikken wij het smeekgebed niet dat spontaan in ons opwelt. Smeekgebed gaat samen met het aanvaarden van onze grenzen en geschapen toestand. Het is goed mogelijk dat men niet in God kan geloven, maar het is moeilijk niet in het gebed te geloven: het bestaat gewoonweg, het doet zich aan ons voor als een kreet en wij worden met deze innerlijke stem geconfronteerd die soms lang kan zwijgen maar die ooit ontwaakt en roept.

Broeders en zusters, wij weten dat God zal antwoorden. In het Boek der Psalmen is er geen biddend mens die zijn klacht laat horen en onverhoord blijft. God antwoordt altijd: vandaag, morgen, Hij antwoordt altijd, op de een of andere manier. Hij antwoordt altijd. De Bijbel herhaalt het meermaals: God hoort de roep van wie Hem aanroept. Zelfs de vragen die we mompelen, die op de bodem van ons hart blijven en waarover we ons misschien schamen – de Vader hoort ze en wil ons de Heilige Geest geven die ieder gebed bezielt en alles transformeert. Het is een kwestie van geduld, altijd, blijven wachten. Wij zijn nu in de Advent, een tijd van wachten op Kerstmis. Wij wachten af. Het is goed merkbaar. Heel ons leven is een wachten. Gebed is altijd verwachten, omdat wij weten dat de Heer zal antwoorden. De dood zelf beeft wanneer een christen bidt omdat zij weet dat ieder die bidt, een bondgenoot heeft die sterker is dan haar: de verrezen Heer. De dood is al overwonnen in Christus en de dag zal komen dat alles definitief zal zijn en dat zij ons leven en geluk niet meer zal tarten.

Leren wij de Heer te verwachten. De Heer komt ons bezoeken, niet alleen op deze grote feesten – Kerstmis, Pasen – de Heer bezoekt ons alle dagen in de intimiteit van ons hart als wij op Hem wachten. Dikwijls geven wij ons geen rekenschap dat de Heer nabij is, dat Hij aan onze deur klopt, dat wij Hem laten voorbijgaan. “Ik ben bang van God als Hij voorbijkomt, ik ben bang dat Hij voorbijkomt en dat ik er mij geen rekenschap van geef”, zei de heilige Augustinus. De Heer komt voorbij, de Heer komt, de Heer klopt. Maar als uw oren vol van andere geluiden zijn, zult ge de roep van de Heer niet horen.

Broeders en zusters, wachten: dat is gebed!

Terug naar overzicht