11-4-2021 Zondag van de Goddelijke Barmhartigheid – Hij laat de Hemel in ons neerdalen
Hoe barmhartig worden en getuigen van de barmhartigheid?

“Laten wij ons opwekken door de vrede, de vergeving en de wonden van de barmhartige Jezus. En vragen wij de genade om getuigen te worden van de barmhartigheid”, zo luidt de uitnodiging van paus Franciscus in zijn homilie voor Barmhartigheidszondag, de tweede zondag van Pasen.
“De verrezen Jezus verschijnt meerdere keren aan de leerlingen. Geduldig, troost Hij hun ontmoedigd hart. Zo bewerkt Hij na de verrijzenis, de “verrijzenis van de leerlingen””, legt de paus uit.
Daarna wijst de paus op drie gaven van de verrezen Heer aan Zijn leerlingen: vrede, de Heilige Geest en Zijn wonden; en de sacramenten van de verzoening en de eucharistie met betrekking tot de barmhartigheid.
In het sacrament van de verzoening nodigt de paus de gedoopten uit zich niet op zichzelf te concentreren maar op de gave van de barmhartigheid: “In het midden van de biecht staan niet wij met onze zonden, maar God met Zijn barmhartigheid”. Hij nodigt uit het te beleven als een innerlijke verrijzenis: “Wij biechten niet om ontmoedigd te worden maar om ons te laten oprichten”.
En aan biechtvaders geeft de paus de “zachtmoedigheid” van Christus tot aanbeveling: “wie biecht hoort, moet de zachtmoedigheid van de barmhartigheid laten voelen”.
Voor wat de Eucharistie betreft, aarzelt de paus niet te spreken over de “Hemel” die de christen raakt: “Jezus geeft ons Zijn gewond en verrezen Lichaam: wij raken Hem aan en Hij raakt ons leven aan. En Hij laat de Hemel in ons neerdalen. Zijn lichtende wonden dringen door de duisternis die wij van binnen dragen”. Zo aangeraakt, kan een christen zowel barmhartig als een getuige van de barmhartigheid worden, legt paus Franciscus uit.
Christus vroeg op 22 februari 1931 aan de heilige Faustina in Plock, de instelling van deze zondag: “Deze zondag moet het Feest van de Barmhartigheid zijn” (Klein Dagboek 49). Het werd ingesteld door paus Johannes Paulus II op 30 april 2000, dag van de heiligverklaring van de zuster Faustina, in Rome, met deze woorden: “Voortaan zal de tweede zondag van Pasen in heel de Kerk de naam dragen “Zondag van de Goddelijke Barmhartigheid””.

De verrezen Jezus verschijnt meerder keren aan de leerlingen. Met geduld, troost Hij hun ontmoedigd hart. Na Zijn verrijzenis bewerkt Hij aldus de “verrijzenis van de leerlingen”.

En zij, door Jezus opgericht, veranderen hun leven. Voordien waren de vele woorden en voorbeelden van de Heer niet in staat hen te veranderen. Nu, met Pasen, gebeurt iets nieuw. En dat gebeurt in het teken van de barmhartigheid. Jezus richt hen door Zijn barmhartigheid op en zij die barmhartigheid ondervonden, worden barmhartig. Het is heel moeilijk barmhartig te zijn als men er zich geen rekenschap van geeft, dat men barmhartig bejegend wordt.

Vooreerst werd hun barmhartigheid betoond door drie gave: eerst geeft Jezus hun de vrede, dan de Geest en tenslotte Zijn wonden. In de eerste plaats, vrede. Deze leerlingen waren angstig. Zij hadden zich in het huis opgesloten uit vrees, uit angst gearresteerd te worden en te eindigen zoals de Meester. Maar zij waren niet alleen opgesloten in het huis, maar ook in hun wroeging. Zij hadden Jezus in de steek gelaten en verloochend. Zij voelden zich onbekwaam, voor niets goed, slecht. Jezus komt en herhaalt twee keer: “Vrede zij met u”! Hij brengt geen vrede die externe problemen wegneemt, maar vrede die het vertrouwen binnenin verspreidt. Geen uiterlijke vrede, maar vrede van het hart. Hij zegt: “Vrede zij met u. Zoals de Vader Mij gezonden heeft, zo zend Ik u” (Joh 20,21). Alsof Hij zou gezegd hebben: Ik zend u want Ik geloof in u. Deze ontmoedigde leerlingen worden met zichzelf verzoend.

De vrede van Jezus laat hen overgaan van wroeging naar zending. De vrede van de verrezen Jezus wekt namelijk de zending. Geen rust, geen comfort, maar uit zichzelf treden. De vrede van Jezus maakt de geslotenheid vrij die verlamt, breekt de ketens die het hart gevangen houden. En de leerlingen voelen zich met barmhartigheid begunstigd: zij voelen dat God hen niet veroordeelt, niet vernedert, maar in hen gelooft. Ja, Hij gelooft in ons meer dan wij in onszelf. “Hij houdt meer van ons dan wij van onszelf” (cf. S. J. H. Newman, Meditations and devotions, III,12,2). Voor God is niemand slecht, niemand nutteloos, niemand uitgesloten. Ook vandaag herhaalt Jezus: “vrede zij u, aan u die kostbaar bent in mijn ogen. Vrede zij u, u die voor mij belangrijk bent. Vrede zij u, u die een zending heeft. Niemand kan ze in uw plaats uitvoeren. U bent onvervangbaar. En Ik geloof in u.

Ten tweede is Jezus voor de leerlingen barmhartig door hun de Heilige Geest te geven. Hij geeft Hem om zonden te vergeven (cf vv. 22-23). De leerlingen waren schuldig, zij waren gevlucht en hadden zo de Meester in de steek gelaten. En zonde kwelt, het kwaad heeft zijn prijs. Onze zonde, zegt de Psalm (cf 51,5) staat ons altijd voor de geest. Op ons eentje kunnen we ze niet uitwissen. Alleen God verwijdert ze, op Zijn eentje, door Zijn barmhartigheid, Hij haalt ons uit onze diepste miserie. Zoals deze leerlingen, hebben wij nood aan vergeving en met heel ons hart te zeggen: het spijt mij, Heer. Ons hart openen om ons te laten vergeven.

Vergeving in de Heilige Geest is een paasgeschenk om innerlijk herboren te worden. Vragen wij de genade om ze te ontvangen, om het sacrament van de vergeving te ontvangen. En te begrijpen dat in het midden van de biecht, niet wij staan met onze zonden, maar God met Zijn barmhartigheid. Wij biechten niet om ontmoedigd te worden, maar om ons te laten oprichten. Wij hebben daar allemaal zo’n nood aan. Wij hebben dat nodig zoals kleine kinderen die telkens wanneer ze vallen, door hun papa moeten opgetild worden. Ook wij, wij vallen dikwijls. En de hand van de Vader is klaar om ons op te tillen en te laten doorgaan. Deze zekere en betrouwbare hand is de biecht. Dat is het sacrament dat ons opricht, dat ons niet op de grond laat liggen en laat wenen op de harde grond van ons falen. Het is het sacrament van de verrijzenis, puur barmhartigheid. En wie biecht hoort, moet de zachtmoedigheid van de barmhartigheid laten voelen. Dat is de weg van wie biecht horen: de zachtmoedigheid van de barmhartigheid van Jezus laten voelen die alles vergeeft. God vergeeft alles.

Na de vrede die de goede gesteltenis herstelt en na de vergeving die opricht, is dit de derde gave waarmee Jezus aan de leerlingen barmhartigheid betoont: Hij geeft hun Zijn wonden. Door Zijn wonden zijn wij genezen (cf 1Petr 2,24; Jes 53,5). Maar hoe kan een wonde ons genezen? Door de barmhartigheid. In deze wonden raken wij, zoals Thomas, met de vinger het feit aan dat God ons ten einde toe bemint, dat Hij onze wonden tot de Zijne gemaakt heeft, dat Hij onze zwakheden in Zijn lichaam gedragen heeft. De wonden zijn de open kanalen tussen Hem en ons, die Zijn barmhartigheid uitstorten over onze miserie. De wonden zijn de wegen die God wijd voor ons geopend heeft zodat wij aan Zijn tederheid kunnen deelhebben en met de vinger aanraken wie Hij is. Zodat wij aan Zijn barmhartigheid niet meer twijfelen.

Door Zijn wonden te aanbidden en te omhelzen, ontdekken wij dat elke zwakheid van ons door Zijn tederheid wordt opgenomen. Dat gebeurt in elke Mis, waarin Jezus ons Zijn gewond en verrezen Lichaam geeft: wij raken Hem aan en Hij raakt ons leven aan. En Hij doet de Hemel in ons neerdalen. Zijn lichtende wonden dringen door de duisternis die wij van binnen dragen. En wij, wij vinden God, zoals Thomas, wij ontdekken Hem intiem en nabij, en ontroerd zeggen wij Hem: “mijn Heer en mijn God!” (Joh 20,28). Daarvan komt alles, van de genade dat we Zijn barmhartigheid mogen ontvangen. Daar begint de christelijke weg. Als wij integendeel op onze capaciteiten steunen, op de efficiëntie van onze structuren en plannen, dan zullen we niet ver gaan. Het is alleen als wij de liefde van God aannemen, dat wij iets nieuw aan de wereld kunnen geven.

Zo hebben de leerlingen gehandeld: zij ontvingen Zijn barmhartigheid en zijn barmhartig geworden. Wij zien het in de Eerste Lezing. De Handelingen van de Apostelen vertellen dat “niemand iets van zijn bezittingen zijn eigendom noemde; integendeel, zij bezaten alles gemeenschappelijk” (cf Hand 4,32). Dat is geen communisme, maar puur christendom. En het is des te meer verrassend als wij bedenken dat diezelfde leerlingen kort voordien woorden hadden over beloning en eer en wie onder hen de grootste was (cf Mc 10,37; Lc 22,24). Nu delen zij alles, zij zijn “één van hart en één van ziel” (Hand 4,32). Wat hebben zij gedaan om zo te veranderen? Zij hebben in de ander dezelfde barmhartigheid gezien die ook hun leven veranderd heeft. Zij hebben ontdekt dat zij een gemeenschappelijke zending hebben, dat zij de vergeving en het Lichaam van Christus gemeenschappelijk hebben. Aardse goederen delen lijkt daar een natuurlijke consequentie van. De tekst zegt vervolgens, “er was geen enkele noodlijdende onder hen” (v. 34). Door de wonden van de Heer aan te raken, was hun vrees verdwenen. Nu zijn zij niet bang om de wonden van behoeftige mensen te verzorgen, omdat zij er Jezus in zien. Omdat Jezus in de wonden van behoeftige mensen is.

Zuster, broeder, wil u een bewijs dat God uw leven aangeraakt heeft? Verifieer dan of u zich buigt over de wonden van de anderen. Vandaag is het de dag waarop wij ons afvragen: “Ik die zo dikwijls de vrede van God ontvangen heb, die zo dikwijls Zijn vergeving en barmhartigheid ontving, ben ik barmhartig voor de anderen? Ik, die zo dikwijls het Lichaam van Jezus genuttigd heb, doe ik iets om de armen te voeden? Laten wij niet onverschillig blijven. Ons geloof is niet half: geloof dat ontvangt maar niet geeft, dat de gave aanneemt maar zich niet tot gave maakt. Wij werden door de barmhartigheid aangeraakt, laten wij barmhartig worden. Want als de liefde stopt bij onszelf, verdroogt het geloof in steriele intimiteit. Zonder de anderen is het niet meer belichaamd. Zonder de werken van barmhartigheid sterft het (cf Jak 2,17).

Broeders, zusters, laat ons verrijzen door de vrede, de vergeving en de wonden van de barmhartige Jezus. En vragen wij de genade om getuigen van de barmhartigheid te zijn. Alleen zo zal het geloof leven. En het leven zal tot eenheid gebracht worden. Alleen zo zullen wij het Evangelie van God verkondigen, dat het Evangelie van de barmhartigheid is.

Terug naar overzicht