30-4-2020 Hoe het mysterie van Christus kennen?

“Niemand kan tot Mij komen, als de Vader die Mij zond, hem niet trekt” (Joh 6,44). Jezus herinnert eraan dat de profeten dat ook hadden aangekondigd: “En allen zullen door God onderricht worden” (v. 45). Het is God die de Zoon laat kennen. Zo niet, kan men Jezus niet kennen. Ja, men kan Hem bestuderen, men kan ook de Bijbel bestuderen, en zelfs weten hoe Hij geboren is, wat Hij gedaan heeft, dat, ja. Maar Hem van binnenuit kennen, het mysterie van Christus kennen, is alleen voor wie er door de Vader naartoe getrokken wordt.

Dat heeft zich voorgedaan met de minister van economie van de koningin van Ethiopië. Hij moet een vroom man geweest zijn en hij nam de tijd om te midden van al zijn bezigheden, God te gaan aanbidden. Een gelovige dus. En op de terugweg naar zijn land, las hij de profeet Jesaja (cf Hand 8,27-28). De Heer stuurt Filippus naar hem en zegt: “Ga naar die reiskoets en blijf in de nabijheid” (v. 28). En hij hoort de minister Jesaja lezen. Hij komt dichterbij en stelt hem een vraag: “Begrijpt ge wat ge leest?” – “Hoe zou ik dat kunnen, als niemand mij daarin behulpzaam is?” (v. 31). En de Ethiopiër vraagt aan Filippus: “Mag ik u vragen van wie de profeet dit zegt?” (v. 34) en “hij nodigde Filippus uit in te stappen” (v. 31). En tijdens de reis – ik weet niet hoelang, ik denk ten minste twee uur – legt Filippus uit wie Jezus is (cf vv. 26-35).

De onrust die deze man voelde bij het lezen van de profeet Jesaja kwam van de Vader, die hem tot Jezus trok (cf Joh 6,44): Hij had hem voorbereid, Hij had hem van Ethopië naar Jeruzalem geleid om God te aanbidden en door deze lezing had Hij zijn hart voorbereid om hem Jezus te doen kennen. Zodat hij, bij het zien van het water, onmiddellijk zei: “Wat is er op tegen, dat ik gedoopt word?” (v. 36). En hij geloofde.

Het feit dat niemand Jezus kan kennen als de Vader hem niet trekt (cf v. 44), geldt voor ons apostolaat, voor onze apostolische zending als christen. Ik denk ook aan de missies. Wat gaat ge doen in de missies? – Mensen bekeren. – Stop even, ge zult niemand bekeren! Het is de Vader die de harten trekt om Jezus te erkennen. Naar de missies gaan, is getuigenis geven van zijn geloof; zonder getuigenis doet ge niets. Naar de missies gaan – en missionarissen zijn moedig! –betekent niet grote structuren en van die dingen oprichten en daarmee uit. Nee! Structuren moeten getuigenissen zijn. Ge kunt een hospitaal, een school oprichten, van een grote perfectie, met een grote ontwikkeling, maar als een structuur geen christelijk getuigenis is, zal uw werk geen echte verkondiging van Jezus zijn: het zal een liefdadigheidsvereniging zijn en dat is goed, heel goed, doch dat is het en niets meer.

Als ik naar de missie wil gaan, als ik aan apostolaat wil doen, moet ik vertrekken met de beschikbaarheid waardoor de Vader de mensen tot Jezus trekt. Dat komt door het getuigenis. Jezus zegt het zelf tegen Petrus, wanneer deze Hem als de Messias belijdt: “Zalig zijt gij Simon, zoon van Jona, want niet vlees en bloed hebben u dit geopenbaard maar mijn Vader die in de hemel is” (Mt 16,17). Het is de Vader die trekt en Hij trekt ook door ons getuigenis. Ik zal hier veel werken doen … maar zonder getuigenis zijn het wel goede dingen, maar is het geen Evangelieverkondiging, die aan de Vader de gelegenheid geeft om Jezus te laten kennen. Werk en getuigenis.

Maar wat kan ik doen opdat de Vader die mensen kan trekken? Gebed. Gebed voor de missies: bidden dat de Vader mensen tot Jezus trekt. Getuigenis en gebed gaan samen. Zonder getuigenis en gebed, geen apostolische verkondiging. Wel een mooi moreel sermoen, wel veel goede dingen. Maar de Vader zal niet de mogelijkheid hebben mensen tot Jezus te trekken. En dat is de kern: dat is het hart van ons apostolaat, dat de Vader mensen tot Jezus trekt. Ons getuigenis opent de mensen en ons gebed opent het hart van de Vader om mensen te trekken. Getuigenis en gebed. En niet alleen voor de missies, maar ook voor ons werk als christen. Geef ik door mijn manier van leven werkelijk het getuigenis van een christelijk leven? Bid ik opdat de Vader mensen tot Jezus trekt?

Dat is de grote regel van ons apostolaat, overal en vooral in de missies. Op missie gaan, is niet aan proselitisme doen. Ooit kwam een vrouw met twee jongeren, een jongen en een meisje, naar mij – een goede vrouw, men zag dat ze van goede wil was – en ze zei me: Vader, die jongen was protestant en heeft zich bekeerd, ik heb hem overtuigd. En dat meisje was … animiste, denk ik, ik weet het niet goed meer – ik heb haar bekeerd. Het was een goede vrouw, maar ze vergiste zich. Ik heb een beetje mijn geduld verloren en zei haar: luister eens, ge hebt niemand bekeerd, het is God die het hart van die mensen geraakt heeft. Vergeet het niet: getuigenis, ja, proselitisme, nee.

Vragen wij aan de Heer de genade ons werk te doen als een getuigenis en met gebed, opdat de Vader mensen naar Jezus kan trekken.

Terug naar overzicht