28-10-2020 Audiëntie – Jezus, man van gebed

De paus gaf zijn 12e catechese over het gebed met als thema: “Jezus, man van gebed”.
“Wij zullen deze stem tedere woorden horen fluisteren”: paus Franciscus beveelt elke gedoopte aan, zijn gebed te laten aanleunen bij dat van Jezus, vooral in ogenblikken van ontmoediging.
“Als wij ons op een gebedsavond zwak en leeg voelen, als het ons lijkt alsof ons leven totaal nutteloos was, moeten wij op dat ogenblik smeken dat het gebed van Jezus ook het onze zou worden. “Ik kan vandaag niet bidden, ik weet niet wat te doen: ik voel mij er niet toe bekwaam, ik ben onwaardig, onwaardig”. Op zo een ogenblik dient men zich aan Hem over te geven, opdat Hij voor ons zou bidden”, zo luidt de aanbeveling van de paus.
Hij zegt ook wat op zulke momenten gebeurt: “Jezus staat voor de Vader en bidt voor ons, Hij is de voorspreker. Hij toont voor ons Zijn wonden aan de Vader. Laten wij daarop vertrouwen! Als wij vertrouwen hebben, zullen wij een stem uit de Hemel horen, sterker dan de stem uit het diepste van onszelf, en wij zullen deze stem tedere woorden horen fluisteren: gij zijt de welbeminde van God, gij zijt de zoon, gij zijt de glorie van de Vader in de Hemelen”.

Dierbare broeders en zusters, goeie dag!
(…) Op ons catechesetraject over het gebed, komen wij na het Oude Testament doorlopen te hebben, aan bij Jezus. Jezus bad. Het begin van Zijn openbaar ambt heeft plaats met het doopsel in de rivier, de Jordaan. De evangelisten zijn het eens om aan die gebeurtenis fundamenteel belang te hechten. Zij verhalen dat heel het volk in gebed is en dat deze bijeenkomst duidelijk een boetekarakter heeft (cf Mc 1,5; Mt 3,8). Het volk gaat naar Johannes om zich te laten dopen tot vergeving van hun zonden: dat heeft een karakter van boetedoening, van bekering.

De eerste publieke handeling van Jezus is dus Zijn deelname aan een koorgebed van het volk, een gebed van het volk dat zich laat dopen, boetegebed, waarbij iedereen zich als zondaar erkent. Daarom wou Johannes de Doper zich verzetten: “Ik heb uw doopsel nodig, en Gij komt tot Mij?” (Mt 3,14). Johannes de Doper begrijpt dat het Jezus is. Maar Jezus insisteert: Zijn daad is een daad uit gehoorzaamheid aan de wil van de Vader (cf v. 15), een daad van solidariteit met onze menselijke conditie. Hij bidt met de zondaars van het volk van God. Prenten wij dat in ons hoofd: Jezus is de Rechtvaardige, geen zondaar.

Hij is tot ons, zondaars, willen neerdalen en bidt met ons. Als wij bidden, bidt Hij met ons. Hij bidt met ons omdat Hij in de Hemel voor ons aan het bidden is. Jezus bidt altijd met Zijn volk, Hij bidt altijd met ons. Altijd. Wij bidden nooit alleen, wij bidden altijd met Jezus. Hij blijft niet aan de overkant van de rivier – Ik ben de Rechtvaardige, jullie zijn de zondaars – om te wijzen op het verschil en de afstand tussen Hem en het ongehoorzame volk. Hij zet Zijn voeten integendeel in hetzelfde zuiverende water. Hij doet zoals een zondaar. Dat is de grootheid van God die Zijn Zoon gezonden heeft, die zich van zichzelf ontledigde en als zondaar verscheen.

Jezus is geen verre God en dat kan Hij niet zijn. De menswording heeft dat op een volmaakte en menselijk onvoorstelbare manier getoond. Door met Zijn zending te beginnen, stelt Jezus zich aan het hoofd van een volk van boetelingen, alsof Hij een bres komt slaan waarlangs wij allemaal, na Hem en met moed, doorheen moeten. De weg is echter moeilijk. Doch, Hij gaat voorop en opent de weg. De Catechismus van de Katholieke Kerk legt uit dat dit het nieuwe is van de volheid der tijden. Er staat: “het kinderlijke gebed dat de Vader verwacht van zijn kinderen, zal uiteindelijk doorleefd worden door de eniggeboren Zoon zelf, in zijn mensheid, met en voor de mensen” (nr. 2599). Jezus bidt met ons. Prenten wij dat in ons hoofd en ons hart: Jezus bidt met ons.

Op die dag is heel de mensheid dus aan de oevers van de rivier de Jordaan, met haar onuitgesproken gebedsverzuchtingen. Er is vooral het volk van zondaars: zij die denken dat God hen niet bemint, zij die niet over de drempel van de tempel durven gaan, zij die niet bidden omdat zij zich onwaardig voelen. Jezus is voor iedereen gekomen, ook voor hen, en Hij begint juist door zich met hen te verenigen, als een leider.

Het Lucasevangelie benadrukt vooral het gebedsklimaat waarin het doopsel van Jezus plaatsheeft: “Terwijl al het volk zich liet dopen, en Jezus na zijn doop in gebed was, geschiedde het dat de hemel openging” (3,21). Terwijl Jezus bidt, gaat de Hemel open en uit deze bres daalt de Heilige Geest neer. En uit den hoge verkondigt een stem deze wonderbare waarheid: “Gij zijt mijn Zoon, de welbeminde, in U heb ik mijn behagen gesteld” (3,22). Deze eenvoudige zin bevat een immense schat: hij doet ons iets begrijpen van het mysterie van Jezus en van Zijn hart dat altijd op de Vader gericht is. In de wervelstorm van het leven en de wereld die Hem zal veroordelen, zelfs in de hardste en droevigste ervaringen die Hij zal moeten doorstaan, zelfs wanneer Hij ervaart niets te hebben om Zijn hoofd op te leggen (cf Mt 8,20), ook wanneer zich rondom Hem haat en vervolging ontketenen, blijft Jezus nooit zonder de toevlucht van een verblijfplaats: Hij woont eeuwig in de Vader.

Dat is de unieke grootheid van het gebed van Jezus: de Heilige Geest neemt bezit van Zijn Persoon en de stem van de Vader getuigt dat Hij de welbeminde is, de Zoon in wie Hij zich ten volle weerspiegelt. Dit gebed van Jezus, aan de oevers van de rivier de Jordaan, dat heel persoonlijk is – en dat zal zo zijn tijdens heel Zijn leven op aarde – zal met Pinksteren door genade, het gebed worden van iedereen die in Christus gedoopt wordt. Hij heeft die genade voor ons verkregen en nodigt ons uit te bidden zoals Hij bad.

Daarom, als wij ons op een gebedsavond zwak en leeg voelen, als het ons lijkt alsof ons leven totaal nutteloos was, moeten wij op dat ogenblik smeken dat het gebed van Jezus ook het onze zou worden. “Ik kan vandaag niet bidden, ik weet niet wat te doen: ik voel mij er niet toe bekwaam, ik ben onwaardig, onwaardig”. Op zo een ogenblik dient men zich aan Hem over te geven, opdat Hij voor ons zou bidden. Hij staat op dat ogenblik voor de Vader en bidt voor ons, Hij is de voorspreker. Hij toont voor ons Zijn wonden aan de Vader. Laten wij daarop vertrouwen! Als wij vertrouwen hebben, zullen wij een stem uit de Hemel horen, sterker dan de stem uit het diepste van onszelf, en wij zullen deze stem tedere woorden horen fluisteren: gij zijt de welbeminde van God, gij zijt de zoon, gij zijt de glorie van de Vader in de Hemelen.

Het is juist voor ons, voor ieder van ons, dat het woord van de Vader weerklinkt: zelfs indien wij door iedereen zouden afgewezen worden, zelfs als wij zondaars van de ergste soort zouden zijn. Jezus daalt niet in het water van de Jordaan voor zichzelf, maar voor ons allen. Het was heel het volk van God dat naar de Jordaan ging om te bidden, om vergeving te vragen, om dit doopsel uit boete te ondergaan. En zoals een theoloog zegt, het ging naar de Jordaan “met een blote ziel en op blote voeten”. Dat is nederigheid. Om te bidden is nederigheid nodig. Hij heeft de Hemelen geopend, zoals Mozes de wateren van de Rode Zee, opdat wij er allemaal achter Hem doorheen kunnen. Jezus heeft ons Zijn eigen gebed gegeven, Zijn liefdesgesprek met de Vader. Hij heeft het ons gegeven als een zaadje van de Drie-eenheid, dat in ons hart wil wortel schieten. Nemen wij het aan! Aanvaarden wij die gave, de gave van het gebed. Altijd met Hem. En wij zullen onszelf niet misleiden.

Terug naar overzicht