22-12-2021 Audiëntie – Nederigheid en authentieke vreugde
De goede onrust van de zoektocht naar God

“Alleen nederigheid is de weg die ons bij God brengt” en “openstelt voor de ervaring van de waarheid, van authentieke vreugde en van kennis die telt”, zegt paus Franciscus in zijn commentaar bij het Evangelie van deze woensdag, over de geboorte van de Heer volgens de heilige Lucas.
In zijn catechese, nu enkele dagen voor Kerstmis, staat paus Franciscus vooral stil bij de figuren van de herders en de wijzen die het Kind in de kribbe zijn komen aanbidden.
Hij doet opmerken dat nederigheid het punt van overeenkomst is tussen de twee groepen, de eerste die de armen vertegenwoordigen die zich zwak weten en vertrouwen stellen, en de tweede die de rijken en machtigen symboliseren “maar geen slaaf zijn van hun bezit” en God zoeken.
De paus moedigt aan “de nederigheid” te hebben “om God te zoeken”: “Elke mens is in het diepste van zijn hart geroepen om God te zoeken: wij hebben allemaal die onrust en het is niet onze taak deze onrust te doven maar te laten groeien want het is de onrust van de zoektocht naar God”.
Jezus die ons “gezocht” heeft, “is de naam en het gelaat van de liefde die de basis van onze vreugde is”, besluit de paus en hij wenst dat iedereen met Kerstmis zou kunnen zeggen: “God komt voor mij”, bewust “dat wij om God te zoeken, God te vinden, God te aanvaarden, nederigheid nodig hebben”.

Dierbare broeders en zusters, goeiedag!
Vandaag, op enkele dagen van Kerstmis, zou ik met u het gebeuren willen evoceren dat de geschiedenis niet kan ignoreren: de geboorte van Jezus.

Om in overeenstemming te zijn met het decreet van keizer Augustus, door bij de burgerlijke stand hun plaats van afkomst te laten registreren, gaan Jozef en Maria van Nazaret naar Betlehem. Bij hun aankomst zoeken zij onmiddellijk een plaats om te logeren, want de geboorte is nakend; maar helaas, ze vinden er gaan en Maria wordt dan gedwongen Haar Kind in een stal ter wereld brengen (cf Lc 2,1-7)

Denken we na: de Schepper van het heelal … krijgt geen plaats om geboren te worden! Misschien was dit een anticipatie van wat de evangelist Johannes zegt : “Hij kwam in het zijne, maar de zijnen aanvaardden Hem niet” (1,11); en van wat Jezus zelf zal zeggen: “De vossen hebben holen en de vogels hun nesten, maar de Mensenzoon heeft niets waar Hij zijn hoofd op kan laten rusten” (Lc 9,58).

Het was een engel die de geboorte van Jezus aan nederige herders aankondigde. En het was een ster die aan de wijzen de weg naar Betlehem toonde (cf Mt 2,1.9-10). De engel is een boodschapper van God. De ster herinnert ons eraan dat God het licht geschapen heeft (Gen 1,3) en dat dit Kind “het licht van de wereld” zal zijn, zoals Hij zichzelf noemt (cf Joh 8,12.46), het “ware licht [dat iedere mens verlicht]” (Joh 1,9), en dat “schijnt in de duisternis maar de duisternis nam het niet aan” (v. 5).

De herders symboliseren de armen van Israël, nederige mensen die innerlijk leven met het besef van hun eigen zwakheid en daarom meer vertrouwen stellen op God dan op de anderen. Zij zijn de eersten om de mens geworden Zoon van God te zien, en deze ontmoeting verandert hen ten diepste. Het Evangelie merkt op dat zij terugkeerden “terwijl zij God verheerlijkten en loofden om alles wat zij gehoord en gezien hadden” (Lc 2,20).

Rond het pasgeboren Kind Jezus staan ook de wijzen (cf Mt 2,1-12). De Evangelies zeggen ons niet dat zij koningen waren, noch hun aantal, noch hun naam. Het enige waar wij zeker van zijn, is dat zij uit een ver land in het Oosten komen (men kan denken aan Perzië, Babylonië of Arabië aan de Middellandse Zee – het toenmalige Perzië), zij gingen op zoek naar de Koning van de Joden, die zij in hun hart met God identificeerden, want zij zegden dat ze Hem wilden aanbidden. De wijzen vertegenwoordigen de heidense volken, vooral degenen die in de loop der eeuwen God zochten en op zoek gingen. Zij vertegenwoordigen ook de rijken en machtigen, doch alleen die geen slaaf zijn van bezit, die niet “bezeten” worden door de dingen die zij denken te bezitten.
De boodschap van de Evangelies is duidelijk: de geboorte van Jezus is een universeel gebeuren dat alle mensen aangaat.

Dierbare broeders en zusters, alleen nederigheid is de weg die ons bij God brengt en tegelijk, juist omdat zij ons bij hem brengt, leidt zij ons ook naar het wezenlijke van het leven, naar zijn meest waarachtige zin, naar de zekerste reden waarom het leven de moeite loont geleefd te worden. Alleen nederigheid stelt ons open voor de ervaring van de waarheid, van authentieke vreugde, van kennis die telt. Zonder nederigheid zijn wij “afgesneden”, afgesneden van het begrip van God en het begrip van onszelf. Men moet nederig zijn om ook zichzelf te begrijpen, dus des te meer om God te begrijpen. De wijzen konden groot zijn volgens de logica van de wereld, maar zij maken zich klein, nederig, en daarom kunnen zij Jezus vinden en Hem herkennen. Zij willen nederig zijn om te zoeken, op weg te gaan, te vragen, risico te nemen, zich te vergissen …

Elke mens is in het diepste van zijn hart geroepen om God te zoeken : wij hebben allemaal die onrust en onze taak is niet die onrust te doven maar te laten groeien want het is de onrust van de zoektocht naar God, naar God die zich met Zijn genade laat vinden. Maken wij ons het gebed van de heilige Anselmus (1033-1109) eigen: “Heer, leer mij U te zoeken. Toon U wanneer ik U zoek. Ik kan U niet zoeken als Gij mij niet onderricht, noch U vinden als Gij U niet toont. Moge ik U naar U verlangen als ik U zoek en U zoeken als ik naar U verlang! Moge ik U vinden als ik U zoek en U beminnen als ik U vind!” (Proslogion, 1).

Dierbare broeders en zusters, ik zou alle mannen en vrouwen in de grot van Betlehem willen uitnodigen om de mens geworden Zoon van God te aanbidden. Dat ieder dichter bij de kribbe komt staan in onze woning, in de kerk of elders en in zichzelf een akte van aanbidding probeert te doen : “Ik geloof dat Gij God zijt, dat dit Kind God is. Geef mij alstublieft de genade van nederigheid opdat ik zou kunnen begrijpen”.

Om tot de kribbe te naderen en te bidden, zou ik de armen op de eerste rij willen zetten, die – naar de oproep van de heilige Paulus VI – “wij moeten beminnen, want zij zijn als het ware een sacrament van Christus; met hen – met degenen die honger lijden, dorst lijden, verbannen zijn, naakt, ziek, en gevangen – Hij heeft zich mystiek willen verenigen. Wij moeten hen helpen, met hen lijden en hen ook volgen want armoede is de zekerste weg naar het volledige bezit van het Rijk Gods” (Homilie, 1 mei 1969). Daarom moeten wij nederigheid vragen als een genade : “Heer, dat ik niet hoogmoedig zou zijn, niet zelfgenoegzaam, dat ik niet zou geloven het middelpunt van het universum te zijn. Maak mij nederig. Geef mij de genade van nederigheid. En met deze nederigheid kan ik u vinden. Het is het enige middel, niet? Zonder nederigheid zullen wij God nooit vinden, maar onszelf. Want iemand die geen nederigheid heeft, heeft geen horizon, heeft alleen een spiegel : hij of zij kijkt naar zichzelf. Vragen wij aan de Heer de spiegel te breken en kijken wij verder, naar de horizon, daar waar Hij is. Doch, dat moet Hij doen: ons de genade en de vreugde van de nederigheid geven om deze weg in te slaan.

En vervolgens, broeders en zusters, zou ik zoals de ster met de wijzen, al degenen naar Betlethem willen vergezellen die geen religieuze onrust hebben, die het probleem van God niet stellen of de godsdienst zelfs bestrijden, al degenen die men onjuist atheïstisch noemt. Ik zou voor hen de boodschap van het Tweede Vaticaans Concilie willen herhalen: “De Kerk houdt eraan vast, dat de kennis van God op geen enkele wijze in tegenspraak is met de waardigheid van de mens, daar een dergelijke waardigheid juist in God haar fundament en voltooiing heeft. […] Zij is er ten stelligste van overtuigd, dat haar boodschap overeenstemt met de meest verborgen verlangens van het menselijk hart” (Gaudium et spes, 21).

Keren wij terug naar huis met de wens van de engelen: “Vrede onder de mensen in wie Hij welbehagen heeft”. En denken wij hier altijd aan : “Niet wij hebben God liefgehad, maar Hij heeft ons liefgehad […] Hij heeft ons het eerst liefgehad” (1 Joh 4,10.19), Hij heeft ons gezocht. Vergeten wij dat niet.

Dat is de reden van onze vreugde: wij worden bemind, wij worden gezocht, de Heer zoekt ons om ons te vinden, om meer van ons te houden. Dat is de reden van de vreugde: weten dat wij bemind worden zonder enige verdienste, dat wij in de liefde altijd door God voorafgegaan worden, een zo concrete liefde dat Hij mens geworden is en onder ons is komen wonen, in dit Kind dat wij in de kribbe zien. Deze liefde heeft een naam en een gelaat: Jezus. Jezus is de naam en het gelaat van de liefde die aan de basis ligt van onze vreugde. Broeders en zusters, ik wens u een vrolijk Kerstfeest, een goed en heilig Kerstmis. En ik wens – ja, er zullen begroetingen zijn, familiesamenkomsten, dat is heel mooi, altijd – dat er ook de zekerheid is dat God voor mij komt. Dat iedereen zegt: God komt voor mij. In het besef dat wij nederigheid nodig hebben om God te zoeken, God te vinden, God aan te nemen: nederig naar de genade kijken om de spiegel te breken van de ijdelheid, van de hoogmoed om naar onszelf te kijken.

Naar Jezus kijken, naar de horizon, naar God die bij ons komt en ons raakt met deze onrust die ons hoopvol maakt. Vrolijk en heilig Kerstmis!

Terug naar overzicht