31-5-2020 Pinksteren – Beter of slechter dan voordien?
De drie ziekten waarvan de Heilige Geest geneest: narcisme, slachtoffergevoel, pessimisme

“Er zijn verschillende gaven, maar slechts één Geest” (1 Kor 12,4), dit schrijft de apostel Paulus aan de Korintiërs. En hij gaat verder: “Er zijn vele vormen van dienstverlening, maar slechts één Heer. Er zijn allerlei soorten werk, maar er is slechts één God, die alles in allen tot stand brengt” (vv. 5-6). Verscheiden en hetzelfde: de heilige Paulus legt er de nadruk op dat deze twee woorden samen horen al lijken ze tegengesteld. Hij wil ons zeggen dat de Heilige Geest dezelfde is die verschillende zaken samenbrengt en dat zo de Kerk ontstaan is: wij worden in onze verscheidenheid verenigd door dezelfde Heilige Geest.

Laat ons dus naar het begin van de Kerk gaan, naar de dag van Pinksteren. Kijken we naar de apostelen: onder hen zijn er eenvoudige mensen, die gewoon zijn met hun handen te werken, zoals vissers, en er is Matteüs die een geleerd belastingontvanger was. Van verschillende afkomst en uit verschillende sociale contexten, joodse en Griekse namen, zachtaardige en opvliegende karakters, verschillende zienswijzen en gevoeligheden. Allemaal verschillend. Jezus heeft hen niet veranderd, niet geüniformeerd en er geen seriewerk van gemaakt. Nee. Hij heeft hun verscheidenheid intact gelaten en nu verenigt Hij hen door de zalving met de Heilige Geest. Eenheid – de eenwording van hun verscheidenheid gebeurt door zalving.

Met Pinksteren begrijpen de apostelen de eenheid scheppende kracht van de Geest. Zij zien haar met eigen ogen wanneer iedereen, al spreken zij verschillende talen, één enkel volk vormen: het volk van God, door de Geest gevormd, die onze verschillen tot eenheid weeft, die harmonie geeft omdat er harmonie is in de Geest. Hij is harmonie.

Keren wij nu tot onszelf, tot de Kerk van vandaag. Wij kunnen ons afvragen: wat verenigt ons, waarop is onze eenheid gefundeerd? Ook onder ons is er verscheidenheid, verschil van mening bijvoorbeeld, van keuzes, van gevoeligheden. Maar de bekoring bestaat er altijd in, onze ideeën kost wat kost te verdedigen omdat wij denken dat ze goed zijn voor iedereen, en alleen akkoord te gaan met hen die denken zoals wij. Dat is een bekoring die verdeelt. Het is een geloof naar ons beeld en gelijkenis, het is niet wat de Geest wil.

Men zou dan kunnen denken dat wij verenigd zijn door dezelfde dingen die wij geloven en dezelfde gedragingen die wij in praktijk brengen. Doch er is meer: ons eenheidsprincipe is de Heilige Geest. Hij herinnert ons eraan dat wij vooreerst kinderen zijn die door God bemind worden; daarin zijn wij allemaal gelijk en allemaal verschillend. De Geest komt tot ons met heel onze verscheidenheid en miserie, om ons te zeggen dat wij één enkele Heer hebben, Jezus, en één enkele Vader, en dat wij daarom broeders en zusters zijn! Vertrekken wij opnieuw van daaruit, kijken wij naar de Kerk zoals de Geest haar maakt, niet zoals de wereld dat doet.

De wereld ziet ons van links en rechts, met die ideologie of een andere. De Geest ziet ons vanuit de Vader en Jezus. De wereld ziet conservatief en progressief. De Geest ziet kinderen van God. De blik van de wereld ziet structuren die efficiënter moeten worden. Een spirituele kijk ziet broeders en zusters die om barmhartigheid smeken. De Geest houdt van ons en kent ieders plaats in het geheel: voor Hem zijn wij geen confetti, dat opvliegt met de wind maar onvervangbare deeltjes van een mozaïek.

Terug naar de dag van Pinksteren. Dan ontdekken wij het eerste werk van de Kerk: de verkondiging. Nochtans zien wij dat de apostelen geen strategie voorbereiden wanneer zij daar opgesloten waren in het cenakel, nee, zij maakten geen pastoraal plan op. Zij hadden de mensen in groepen kunnen onderverdelen naargelang de volken. Zij hadden eerst tot de bekenden kunnen spreken en dan tot de vreemden. Alles geordend … Zij hadden ook een beetje kunnen wachten vooral te spreken en het onderricht van Jezus eerst bestuderen om risico’s te vermijden … Nee. De Geest wil niet dat de herinnering aan de Meester in gesloten groepen gebeurt, in cenakels waar men graag zijn nest maakt. Dat is een ziekte die de Kerk kan overkomen: de Kerk, niet als gemeenschap, niet als familie, niet als moeder, maar als nest.

De Geest opent, brengt terug op gang, stuwt verder dan wat reeds gezegd en gedaan werd, verder dan de versperringen van een schuchter en voorzichtig geloof. In de wereld gaat men zonder stevige organisatie en berekende strategie ten onder. In de Kerk daarentegen, waarborgt de Geest de eenheid aan wie verkondigt. En de apostelen gaan ervoor: onvoorbereid, zichzelf op het spel zettend, zij gaan naar buiten. Eén enkel verlangen bezielt hen: geven wat zij gekregen hebben. Het is mooi in het begin van de Eerste Brief van Johannes te lezen: “wat wij gezien en gehoord hebben, dat verkondigen wij ook aan u” (v. 3).

Uiteindelijk begrijpen wij het geheim van de eenheid, het geheim van de Geest, het geheim van de eenheid in de Kerk: de gave. Omdat Hij Gave is, leeft Hij door zich te geven. Zo houdt Hij ons samen en maakt Hij ons tot deelgenoot van dezelfde gave. Het is belangrijk te geloven dat God Gave is, dat Zijn manier van doen niet is te nemen maar te geven. Waarom is dat belangrijk? Omdat van de manier waarop wij God verstaan, onze manier afhangt om gelovig te zijn. Als wij een God voor ogen hebben die neemt, die zich oplegt, willen ook wij nemen en ons opleggen: ruimte innemen, aandacht eisen, macht willen.

Maar als wij God in het hart hebben die Gave is, dan verandert alles. Als wij ons rekenschap geven dat wij gave zijn, gratuite en onverdiende gave, dan zullen ook wij van het leven een gave willen maken. En door nederig te beminnen, door gratis en met vreugde te dienen, zullen wij aan de wereld het ware beeld van God bieden. De Geest, levend geheugen van de Kerk, herinnert ons eraan dat wij uit een gave ontstaan zijn en dat wij groeien door ons te geven, niet door zelfbehoud maar door ons te geven.

Dierbare broeders en zusters, kijken wij in ons binnenste en vragen wij: wat hindert ons om ons te geven? Er zijn, laat ons zeggen, drie vijanden van het geven. De belangrijkste drie – kloppen we altijd aan de deur van ons hart – zijn narcisme, zichzelf als slachtoffer zien en pessimisme.
Narcisme is verafgoding van zichzelf, alleen behagen scheppen in eigen interesses. Een narcist denkt: het leven is mooi als ik eraan win. En zo gaat hij zelfs zeggen: waarom zou ik mij aan anderen moeten geven? Hoeveel kwaad doet narcisme in deze pandemie, het feit op eigen behoeftes terug te plooien, onverschillig te zijn voor die van anderen, de eigen kwetsbaarheid en fouten niet te erkennen?
Maar ook de tweede vijand, het slachtoffergevoel, is gevaarlijk. Wie zich als slachtoffer ziet, beklaagt zich alle dagen over zijn naaste: niemand begrijpt mij, niemand helpt mij, niemand houdt van mij, iedereen is tegen mij! Hoe dikwijls hebben wij dat klagen gehoord! En het hart sluit zich, terwijl het zich afvraagt: waarom geven de anderen zich niet aan mij? Hoe verkeerd is het zich als slachtoffer te zien in het drama dat wij meemaken! Denken dat niemand ons begrijpt en niet voelt wat wij voelen. Dat is zich als slachtoffer gedragen.
En tenslotte, pessimisme. Hier klinkt de dagelijkse litanie: niets marcheert, de samenleving niet, de politiek niet, de Kerk niet … Een pessimist heeft het op de wereld gemunt, maar zelf komt hij niet in beweging en denkt: waarom geven? het heeft geen zin. Momenteel, in de grote inspanning om opnieuw te beginnen, is zo’n pessimisme schadelijk, alles zwart zien, herhalen dat niets zal zijn zoals voordien! Wat zeker niet terugkomt door zo te denken, is de hoop.

Deze drie – de spiegel-god (het narcistisch idool van de spiegel), de klaag-god (ik ben maar iemand als ik kan klagen), en de god van de negativiteit (alles is donker, alles is zwart) – hebben geen hoop. Wij moeten de gave van het leven leren waarderen, de gave die ieder van ons is. Daarom hebben wij de Heilige Geest nodig, Gods Gave, die ons geneest van narcisme, van het slachtoffergevoel en van pessimisme, die ons geneest van de spiegel, van geklaag en somberheid.

Broeders en zusters, bidden wij tot Hem:
Heilige Geest, de herinnering aan God, breng in ons de herinnering terug tot leven aan wat wij gekregen hebben.
Bevrijd ons van de verlamming van het egoïsme en ontsteek in ons het verlangen om te dienen, om goed te doen.
Want het ergste van deze crisis is het drama, ze te vergallen door ons op te sluiten in onszelf.
Kom, Heilige Geest: Gij die harmonie zijt, maak vredestichters van ons. Gij die U altijd geeft, geef ons de moed uit onszelf te treden, elkaar te beminnen en te helpen, om één enkele familie te worden.
Amen.

Terug naar overzicht