19-5-2021 Audiëntie – Verstrooidheid, dorheid, lusteloosheid

“Heb de moed tegen God te zeggen: waarom toch …?”, zo luidt de bemoediging van paus Franciscus. En hij zegt ook, “een beetje kwaad worden, doet goed”, om “het hart van onze Vader naar onze ellende te trekken, onze moeilijkheid, ons leven”. “God zal ons antwoord geven”, zegt hij in zijn catechese: “Hij zal zelfs onze hardste en bitterste woorden aannemen met de liefde van een vader en zal ze beschouwen als een akte van geloof, als een gebed”.
De moeilijkheden van het gebed overwegend, nodigt de paus meer bepaald uit tot “waakzaamheid”: “Alle minuten van ons leven zijn kostbaar en mogen niet door verstrooidheid verloren gaan”. “Wanneer de verbeelding op hol slaat … moeten we haar door de aandacht doen stoppen en opsluiten”, luidt zijn aanbeveling.
In de loop van zijn overweging, waarschuwt de paus ook voor “geestelijke dorheid, een grijs hart”: “Het hart moet open en helder zijn, zodat het licht van de Heer binnenkomt. En als het niet binnenkomt, moet men er hoopvol op wachten”.

Dierbare broeders en zusters, goeie dag!

We volgen in deze catechese de Katechismus en verwijzen naar enkele moeilijkheden van de gebedservaring, die veel voorkomen en moeten geïdentificeerd en overwonnen worden. Bidden is niet gemakkelijk: er doen zich vele moeilijkheden in het gebed voor. Men moet ze kennen, identificeren en overwinnen.

Het eerste probleem dat zich aandient aan wie bidt, is verstrooidheid (cfr KKK, nr. 2729). Je begint te bidden, vervolgens dwaalt je geest af, hij dwaalt af naar heel de wereld. Daar is je hart, daar is de geest … De verstrooidheid van het gebed. Gebed en verstrooidheid gaan dikwijls samen. De geest van de mens heeft het namelijk moeilijk om lang bij één gedachte te blijven. Wij hebben allemaal de ervaring van die constante molen van beelden en illusies, zelfs in onze slaap. En wij weten allemaal dat het niet goed is voor deze ongeordende neiging te zwichten.

Strijden om te winnen en de concentratie gaande houden, betreft niet alleen het gebed. Als men geen voldoende mate van concentratie bereikt, kan men niet met vrucht studeren, noch werken. Atleten weten dat wedstrijden niet alleen door fysische training gewonnen worden, maar ook door mentale discipline: vooral de capaciteit geconcentreerd te blijven en de aandacht levendig te houden.

De verstrooidheid treft geen schuld maar zij moet bestreden worden. In het patrimonium van ons geloof, bestaat een deugd die dikwijls vergeten wordt, maar sterk aanwezig is in het Evangelie. Zij heet “waakzaamheid”. Jezus zegt het zo dikwijls: “Waakt. Bidt”. De Katechismus citeert haar expliciet in haar instructie over het gebed (cfr. nr. 2730). Jezus herinnert de leerlingen dikwijls aan de plicht van een nuchter leven, geleid door de gedachte dat Hij vroeg of laat zal terugkeren, zoals een bruidegom van de bruiloft of een meester van een reis. Maar omdat wij uur noch dag van zijn wederkomst kennen, zijn alle ogenblikken van ons leven kostbaar en mogen zij niet door verstrooidheid verloren gaan. Op een ogenblik dat wij niet kennen, zal de stem van onze Heer weerklinken: gelukkig de dienaren die Hij op die dag bezig zal vinden, geconcentreerd op wat echt telt. Zij zijn niet versnipperd door achter alles aan te lopen dat hen voor de geest te komen, maar hebben geprobeerd op de goede weg te blijven, door het goede en hun plicht te doen. Dat is verstrooidheid: wanneer de verbeelding op hol slaat … De heilige Theresia noemde deze verstrooidheid die steeds maar ronddwaalt in het gebed, “de dwaasheid van het huis”: het is als een dwaze die je in het rond laat draaien … Ze moet door de aandacht gestopt en opgesloten worden.

De tijd van de dorheid verdient een apart hoofdstukje. De Katechismus beschrijft haar als volgt: “aan het hart wordt iedere smaak voor gedachten, herinneringen en gevoelens, zelfs spirituele, ontzegd. Dat is de tijd van het zuivere geloof dat trouw, samen met Jezus, blijft verwijlen in de doodsstrijd en in het graf” (nr. 2731). Dorheid doet ons heel de dag denken aan Goede Vrijdag, aan de nacht en Stille Zaterdag: Jezus is er niet, Hij is in het graf, Jezus is dood, wij zijn alleen. Die gedachte is de moeder van de dorheid. Dikwijls weten wij niet wat de oorzaken van de dorheid zijn: dat kan van onszelf afhangen, maar ook van God die bepaalde situaties in het uiterlijke of innerlijke leven toelaat. Soms kan het hoofdpijn zijn of de lever die je belet te bidden.

Dikwijls kennen wij de reden niet. Geestelijke meesters beschrijven de geloofservaring als een voortdurende afwisseling van tijden van troost en troosteloosheid; momenten waarop alles gemakkelijk is, terwijl andere getekend zijn door zwaarte. Wanneer wij een vriend ontmoeten, zeggen wij dikwijls: hoe gaat het? – zwaarmoedig, vandaag. Dikwijls voelen wij ons zwaarmoedig, dat wil zeggen dat wij geen gevoelens hebben, geen troost vinden, dat wij er niet geraken. Grijze dagen … En zo zijn er veel in het leven!

Maar het gevaar is een grijs hart te hebben: wanneer deze zwaarmoedigheid in het hart komt en het ziek maakt … Er zijn mensen die met een grijs hart leven. Dat is erg: men kan niet bidden, met een grijs hart kan men geen troost voelen! Het hart moet open en helder zijn, zodat het licht van de Heer binnenkomt. Men kan niet altijd spirituele dorheid hebben. En als het licht niet binnenkomt, moet men er hoopvol op wachten. Maar haar niet opsluiten in het grijs.

Iets anders is lusteloosheid (acedia), een ander gebrek, een andere ondeugd, die een ware bekoring is voor het gebed en meer algemeen voor het christenleven. Lusteloosheid is “een vorm van depressiviteit die te wijten is aan de verslapping van de ascese, aan de vermindering van de waakzaamheid, aan de verwaarlozing van het hart” (KKK, nr. 2733). Het is één van de hoofdzonden, want als zij gevoed wordt door zelfgenoegzaamheid, kan zij leiden naar de dood van de ziel.

Wat te doen in deze opeenvolging van begeestering en ontmoediging? Men moet leren altijd te stappen. Ware vooruitgang in het geestelijke leven bestaat niet in het vermenigvuldigen van de extases maar in de bekwaamheid om te volharden in moeilijke momenten: ga, ga, ga … En als je moe bent, houd een beetje halt en begin opnieuw te stappen. Maar met volharding.

Denken wij terug aan de parabel van de heilige Franciscus over de volmaakte vreugde: het is niet aan eindeloze fortuinen die uit de Hemel regenen dat men de capaciteit afmeet van een broeder, maar aan het feit standvastig te stappen, ook als men niet erkend wordt, zelfs als men slecht behandeld wordt, ook als alles de smaak van het begin verloren heeft. Alle heiligen zijn door die “donkere vallei” gegaan en wij ergeren ons daar niet aan als wij bij het lezen van hun dagboek, het verslag beluisteren van avonden in vruchteloos, smakeloos gebed. Men moet leren zeggen: “Zelfs als Gij, mijn God, alles lijkt te doen opdat ik niet meer in U zou geloven, blijf ik daarentegen tot U bidden”. Gelovigen stoppen nooit met bidden!

Soms kan het gebed gelijken op dat van Job, die niet aanvaardt dat God hem onrechtvaardig behandelt, die protesteert en partij kiest. Maar dikwijls is zelfs tegen God protesteren, een manier van bidden of, zoals dat oudje zei “kwaad worden tegen God is ook een manier van bidden”, want een zoon die kwaad wordt op zijn vader, is een manier van omgaan met de vader; hij erkent hem als vader, en wordt kwaad …

Ook wij, die veel minder heilig en geduldig zijn dan Job, wij weten dat God tenslotte, aan het einde van deze troosteloosheid, waarin wij tot de Hemel stomme kreten geslaakt hebben en talloze “waarom?”-vragen, Hij ons antwoord zal geven. Vergeet het gebed van het “waarom?” niet: dat is het gebed dat kinderen doen wanneer zij beginnen de dingen niet te begrijpen. Psychologen noemen dat “de leeftijd van het waarom”. Het kind vraag aan zijn vader: papa, waarom …? Maar opgelet: het kind luistert niet naar het antwoord van vader. Vader begint te antwoorden en het kind komt al met een ander “waarom?”. Het wil alleen de blik van de vader op zich trekken en wanneer wij een beetje kwaad worden op God en beginnen te vragen “waarom?”, trekken wij het hart van onze Vader op onze ellende, onze moeilijkheid, ons leven. Wel ja, heb de moed tegen God te zeggen: maar waarom …? Want soms doet het goed een beetje kwaad te worden, dat wekt de band van de zoon met de Vader, van de dochter met de Vader, de band die wij met God moeten hebben. En Hij zal onze hardste en bitterste woorden aannemen met de liefde van een vader en zal ze beschouwen als een akte van geloof, als een gebed.

Terug naar overzicht