9-10-2019 Audiëntie – “Saulus” – Wanneer geloof ideologie wordt
God aanbidden of dogmatische formules?

De Handelingen van de Apostelen beschrijven Saulus als een “ideoloog”, die “zijn politieke of religieuze identiteit verabsoluteert en de ander herleidt tot een potentiële vijand die moet bestreden worden”, legt paus Franciscus uit. Bij Saulus, “heeft de godsdienst zich omgevormd tot ideologie; godsdienstige ideologie, sociale ideologie, politieke ideologie”.
Paus Franciscus vervolgt zijn catechese over de Handelingen van de Apostelen tijdens de algemene audiëntie en mediteert over de bekering van de heilige Paulus, in het 9e hoofdstuk van de Handelingen.
Zoals “Saulus” door de vervolging van christenen, “de Heer” vervolgt, “treffen ook ideologen Christus, die zogezegde ‘zuiverheid’ in de Kerk willen”.
De paus nodigt iedereen uit zich de vraag te stellen: “hoe beleef ik mijn geloofsleven? Ga ik anderen tegemoet of ben ik tegen de anderen? Behoor ik tot de universele Kerk (goeden en slechten, iedereen) of heb ik een selectieve ideologie? Aanbid ik God of dogmatische formules? Hoe staat het met mijn godsdienstig leven? Maakt het geloof in God dat ik belijd, mij vriendschappelijk of vijandig voor wie anders is dan ik?”.

Dierbare broeders en zusters, goeie dag!
Uitgaande van de steniging van Stefanus, verschijnt naast Petrus, een figuur die het meest aanwezig en doorslaggevend is in de Handelingen van de Apostelen: die van “een jongeman, die Saulus heette” (Hand 7,58). In het begin wordt hij beschreven als iemand die de dood van Stefanus goedkeurt en die de Kerk wil vernietigen (cf 8,3); maar daarna zal hij het uitverkoren werktuig van God worden om het Evangelie aan de volken te verkondigen (cf 9,15; 22,21; 26,17).

Met toelating van de hogepriester, maakt Saulus jacht op de christenen en neemt hen gevangen. U, die uit bepaalde landen komt die door dictaturen vervolgd werden, u begrijpt goed wat het betekent, mensen vervolgen en gevangen nemen. Dat deed Saulus. En hij doet dat, in de mening dat hij daarmee de Wet van de Heer dient. Lucas zegt van Saulus dat hij de leerlingen van de Heer, met ziedende woede, nog steeds met de dood bedreigde (cf 9,1); er is een adem des doods in hem, geen levensadem.

De jonge Saulus wordt beschreven als een onverzettelijk iemand, dat wil zeggen iemand die onverdraagzaamheid aan de dag legt tegenover degenen die anders denken dan hij, hij “verabsoluteert” zijn politieke en religieuze identiteit en herleidt de ander tot een potentiële vijand die moet bestreden worden. Een ideoloog. In Saulus werd de godsdienst omgevormd tot ideologie: religieuze ideologie, sociale ideologie, politieke ideologie. Het is pas nadat hij door Christus omgevormd wordt, dat hij zal onderrichten dat de ware strijd niet “tegen tegen vlees en bloed” is, “maar tegen … de wereldbeheersers van deze duisternis” (Ef 6,12). Hij zal onderrichten, dat niet tegen personen moet gestreden worden, maar tegen het kwaad dat hun daden inspireert.

De toestand van ziedende woede – want zo was Saulus – en conflict, nodigt iedereen uit zich de vraag te stellen: hoe beleef ik mijn geloofsleven? Ga ik anderen tegemoet of ben ik tegen de anderen? Behoor ik tot de universele Kerk (goeden en slechten, iedereen) of heb ik een selectieve ideologie? Aanbid ik God of dogmatische formules? Hoe staat het met mijn godsdienstig leven? Maakt het geloof in God dat ik belijd, mij vriendschappelijk of vijandig voor degene die anders is dan ik?

Lucas verhaalt dat, terwijl Saulus helemaal in beslag genomen is om de christengemeente uit te roeien, de Heer hem op het spoor komt om zijn hart te raken en tot Hem te bekeren. Dat is de werkwijze van de Heer: Hij raakt het hart. De verrezen Heer neemt het initiatief en toont zich aan Saulus op de weg van Damascus, een gebeurtenis die in het boek van de Handelingen drie keer verteld wordt (9,3-19; 22,3-21; 26,4-23).

Door het binomium “licht” en “stem”, typisch voor theofanieën, verschijnt de verrezen Heer aan Saulus en vraagt hem rekenschap over zijn verwoede broedermoord: “Saul, Saul, waarom vervolgt ge Mij?” (9,4). Hier toont de verrezen Heer dat Hij één is met degenen die in Hem geloven: een lidmaat van de Kerk treffen, is Christus zelf treffen! Ook ideologen die zogezegde ‘zuiverheid” in de Kerk willen, treffen Christus.

De stem van Jezus zegt tot Saulus: “sta op en ga de stad in: daar zal iemand u zeggen wat ge doen moet” (9,6). Maar eens rechtop staand, ziet Saulus niets meer, hij is blind geworden, en de sterke, invloedrijke en onafhankelijke man die hij was, is plots zwak, beroofd en van anderen afhankelijk, omdat hij niet meer ziet. Het licht van Christus heeft hem verblind en blind gemaakt: “Zo blijkt naar buiten wat zijn innerlijke realiteit was, zijn verblinding tegenover de waarheid, het licht dat Christus is” (Benedictus XVI, algemene Audiëntie 3 september 2008).

Van dit “lichaam tot lichaam” tussen Saulus en de verrezen Heer, begint een transformatie die het “persoonlijk Pasen” van Saulus toont, zijn overgang van dood naar leven: wat voordien zijn glorie was, wordt “afval” om weg te werpen, en om de ware winst te verwerven die Christus is en het leven in Hem (cf Fil 3,7-8).

Paulus ontvangt het doopsel. Het doopsel tekent aldus voor Saulus, zoals voor ieder van ons, het begin van een nieuw leven en gaat gepaard met een nieuwe blik op God, op zichzelf en de anderen die vroeger vijanden waren en voortaan broeders zijn in Christus.

Vragen wij de Vader dat Hij ook ons, zoals aan Saulus, de impact laat ervaren van Zijn liefde die als enige van een stenen hart een hart van vlees kan maken (cf Ef 11,15), in staat om in zichzelf “de gezindheid” te verkrijgen “welke ook Christus Jezus bezielde” (Fil 2,5).

Terug naar overzicht