16-12-2020 Audiëntie – Wie bidt, keert de wereld de rug niet toe
Concreet gebed dat geen vlucht is

“Wie bidt, keert de wereld nooit de rug toe”, zegt paus Franciscus in zijn catechese. Hij gaat verder met zijn meditaties over het gebed, dat geen “vlucht voor de werkelijkheid” is en de paus nodigt uit tot “concreet gebed, dat geen vlucht is”.
“De mannen en vrouwen van gebed zoeken eenzaamheid en stilte, niet om niet gestoord te worden, maar om Gods stem beter te kunnen horen”, gaat hij verder. “Zij houden de deur van hun hart altijd wijd open: een open deur voor hen die bidden zonder het te weten; voor hen die helemaal niet bidden maar die een verstikte kreet, een verborgen aanroeping in zich dragen; voor hen die fouten begingen en afgedwaald zijn”.
Volgens paus Franciscus “kan iedereen aan de deur van een biddend mens kloppen en bij hem of haar een medelijdend hart vinden dat bidt zonder iemand uit te sluiten”.
En hij waarschuwt: “In een geest van haat kan men niet bidden; in een geest van onverschilligheid, kan men niet bidden. Gebed geeft zich alleen in een geest van liefde. Wie niet bemint, doet alsof hij bidt of denkt te bidden, maar hij bidt niet omdat het hem juist ontbreekt aan de geest die liefde is”.

Dierbare broeders en zusters, goeie dag!
Wie bidt, keert de wereld nooit de rug toe. Als gebed de vreugde en het leed, de hoop en angst van de mensheid niet opvangt, wordt het een “decoratieve” bezigheid, oppervlakkig gedrag, theater, een intimistische houding. Wij hebben allemaal innerlijkheid nodig: ons terugtrekken in een ruimte en tijd die aan onze relatie met God gewijd zijn. Maar dat betekent geen vlucht voor de werkelijkheid. In het gebed “neemt God ons, zegent, breekt en geeft Hij ons” voor de honger van allen. Elke christen is geroepen om in de handen van God gebroken en gedeeld brood te worden. Dat is concreet gebed, geen vlucht.

Zo zoeken mannen en vrouwen van gebed de eenzaamheid en stilte, niet om niet gestoord te worden, maar om Gods stem beter te horen. Soms trekken zij zich terug uit de wereld, in de beslotenheid van hun kamer, zoals Jezus zei (cf Mt 6,6). Maar waar zij ook zijn, zij houden de deur van hun hart altijd wijd open: een open deur voor hen die bidden zonder het te weten; voor hen die helemaal niet bidden maar die een verstikte kreet, een verborgen aanroeping in zich dragen; voor hen die fouten begingen en afgedwaald zijn … Iedereen kan aan de deur van een biddend mens kloppen en bij hem of haar een medelijdend hart vinden dat bidt zonder iemand uit te sluiten. Gebed is ons hart en onze stem en maakt zich tot hart en stem van alle mensen die niet kunnen bidden of die niet bidden, of die niet willen bidden of die verhinderd zijn om te bidden: wij zijn het hart en de stem van die mensen, en het stijgt op tot bij Jezus, tot bij de Vader, als voorspraakgebed. Of het om eenzaamheid gaat die lang duurt of de eenzaamheid van een half uur om te bidden, in de eenzaamheid scheidt degene die bidt zich af van alles en iedereen om alles en iedereen in God te vinden. Zo bidt een biddend mens voor heel de wereld door haar lijden en zonden op zijn schouders te nemen. Hij bidt voor allen en ieder afzonderlijk: het is alsof hij een antenne van God is in deze wereld. In elke arme die aan de deur klopt, in elke persoon die de zin van de dingen verloren heeft, ziet een biddend mens het gelaat van Christus.

De Catechismus schrijft: “Het voorspreken, het vragen ten gunste van een ander, is vanaf Abraham het kenmerk van een hart dat is afgestemd op het medelijden van God” (nr. 2635). Dat is heel mooi. Wanneer wij bidden, zijn wij verbonden met de barmhartigheid van God: barmhartig ten opzichte van onze zonden – Hij is barmhartig voor ons – maar ook barmhartig voor iedereen die om gebed gevraagd heeft, voor wie wij willen bidden door verbonden te zijn met het hart van God. Dat is echt gebed. Verbonden met de barmhartigheid van God, met dat barmhartig Hart. “In de tijd van de kerk maakt de christelijke voorspraak deel uit van de voorspraak van Christus: het is de uitdrukking van de gemeenschap van de heiligen” (ibid.) Wat betekent, deelnemen aan de voorspraak van Christus, wanneer ik voor iemand ten beste spreek of voor iemand bid? Ten overstaan van de Vader is Christus de voorspreker, Hij bidt voor ons en toont daarbij de wonden van Zijn handen aan de Vader, want Jezus staat lichamelijk, met Zijn lichaam, voor de Vader. Jezus is onze voorspreker en bidden is een beetje doen zoals Jezus: voorspreken in Jezus, bij de Vader, voor de anderen. Dat is heel mooi.

Gebed gaat over de mens. Gewoon de mens. Wie niet van zijn broeder houdt, bidt niet ernstig. Men mag zeggen dat men in een geest van haat niet kan bidden; in een geest van onverschilligheid, kan men niet bidden. Gebed geeft zich alleen in een geest van liefde. Wie niet bemint, doet alsof hij bidt of denkt te bidden maar bidt niet omdat het hem juist ontbreekt aan de geest die liefde is. In de Kerk gaat degene die de droefheid of vreugde van de ander kent, dieper dan wie de grootste systemen onderzoekt. Daarom is er in ieder gebed een ervaring van het menselijke. Men mag de mensen nooit afwijzen of opzij zetten, wat hun fouten ook mogen zijn.

Wanneer een gelovige, bewogen door de Heilige Geest, bidt voor de zondaars, doet hij geen selectie, hij spreekt geen oordeel uit: hij bidt voor iedereen. En hij bidt ook voor zichzelf. Dan weet hij dat hij niet veel verschilt van de mensen voor wie hij bidt: hij weet zich zondaar onder de zondaars en bidt voor iedereen. De les van de parabel van de farizeeër en de tollenaar is nog altijd levend actueel (cf Lc 18,9-14): wij zijn niet beter dan de anderen, wij zijn allemaal broeders die verenigd zijn door hun zwakheid, lijden en zondige natuur. Daarom kunnen wij ons met dit gebed tot de Vader richten: “Heer, geen mens is immers zonder schuld voor u” (Ps 143,2) – dat staat in een psalm: “Heer, geen mens is immers zonder schuld voor u”, niemand van ons, wij zijn allemaal zondaars, allemaal schuldenaars die een rekening aan lijden hebben, niemand is onberispelijk in Uw ogen. Heer, heb medelijden met ons! En in deze geest is het gebed vruchtbaar omdat wij nederig naar God gaan om voor iedereen te bidden. De farizeeër daarentegen bad hoogmoedig: ik dank U, Heer, dat ik niet ben als de zondaars, ik ben rechtvaardig, ik doe altijd … Dat is geen gebed: dat is zichzelf in de spiegel bekijken, naar zichzelf kijken opgesmukt met hoogmoed.

De wereld gaat voort dank zij deze keten van biddende mensen die ten beste spreken en die meestal onbekend zijn … maar niet voor God! Er zijn veel onbekende christenen die in tijden van vervolging de woorden van onze Heer herhalen: “Vader, vergeef het hun want zij weten niet wat zij doen” (Lc 23,34).

De goede herder blijft trouw, zelfs wanneer hij de zonde van Zijn volk ontdekt. De goede herder blijft een vader ook wanneer Zijn kinderen zich van Hem verwijderen en Hem in de steek laten. Hij volhardt in Zijn herdersambt, ook ten opzichte van degenen die Hem verplichten de handen vuil te maken. Hij sluit Zijn hart niet voor wie Hem misschien heeft doen lijden.

De Kerk heeft in al haar leden als zending het voorspraakgebed te beoefenen, zij spreekt ten beste voor de anderen. Het is in het bijzonder de plicht van wie verantwoordelijkheid dragen: ouders, opvoeders, priesters, oversten van een gemeenschap … Zoals Abraham en Mozes moeten zij de mensen die hun zijn toevertrouwd soms voor God “verdedigen”. In feite gaat het erom naar hen te kijken met de ogen en het hart van God, met hetzelfde onoverwinnelijke medelijden en tederheid. Teder voor de anderen bidden.

Broeders en zusters, wij zijn allen bladeren van dezelfde boom: elke afscheuring herinnert ons aan het grote medelijden dat wij voor elkaar in het gebed moeten koesteren. Bidden wij voor elkaar: dat zal ons goed doen en het zal iedereen goed doen. Dank u!

Terug naar overzicht