12-2-2020 Audiëntie – Tweede zaligspreking: zalig de treurenden

Paus Franciscus ging verder met de nieuwe catechesereeks over de zaligsprekingen. Hij sprak nu over de tweede zaligspreking: “zalig de treurenden, want zij zullen getroost worden” (Mt 5,4), die verwijst naar Zach 12,10.

Dierbare broeders en zusters, goeie dag!

We zijn begonnen met een reis doorheen de zaligsprekingen en staan vandaag stil bij de tweede: “zalig de treurenden, want zij zullen getroost worden”.

In het Grieks, de taal waarin het Evangelie geschreven werd, wordt deze zaligspreking verwoord met een werkwoord dat niet in de passieve wijze staat – de zaligen lijden trouwens niet onder dit treuren – maar in de actieve wijze: zij treuren. Zij treuren, doch van binnen. Het is een houding die centraal staat in de christelijke spiritualiteit en in die van de woestijnvaders, de eerste monniken in de geschiedenis, en wordt penthos genoemd – een innerlijk verdriet waardoor de mens gaat open staan voor een relatie met de Heer en de naaste – zodat die relatie naaste nieuw wordt.

In de Schrift kan dit treuren twee aspecten hebben: het eerste is treuren voor de doden of voor iemands leed. Het andere is treuren voor de zonde – voor de eigen zonde, wanneer het hart bloedt omdat het God en de naaste beledigd heeft. Het gaat dus om een manier van liefhebben, waarbij men zich zozeer aan de ander bindt, dat men zijn of haar leed deelt. Er zijn mensen die afstandelijk blijven, die en stap achteruit zetten. Het is echter belangrijk dat anderen ons hart kunnen doorbreken.

Ik heb dikwijls over de gave van tranen gesproken en de waarde ervan. Kan men op een koele manier liefhebben? Kan men liefhebben vanuit zijn functie of plicht? Zeker niet. Er zijn treurenden die moeten getroost worden, maar soms zijn er ook getroosten die moeten treuren, omdat er mensen zijn die niet door andermans leed kunnen bewogen worden.

Treuren is een bittere weg, maar kan nuttig zijn om de ogen te openen voor het leven, voor het sacrale, en voor de onvervangbare waarde van elke persoon. Op zo een ogenblik realiseert men hoe kort het leven is.

Er is een tweede betekenis van deze paradoxale zaligspreking: wenen over de zonde. Het is nodig hier een onderscheid te maken: sommigen worden boos omdat zij verkeerd deden, dat is trots. Anderen wenen voor het leed dat zij berokkend hebben, voor het goede dat zij nalieten, omdat zij de relatie met God verraden hebben.

Dat is verdriet, omdat men niet bemind heeft, en het vloeit voort uit het feit dat men het leven van de ander ter harte neemt. Hier weent men omdat men niet in overeenstemming is met de Heer, die zo veel van ons houdt, en de gedachte dat men het goede heeft nagelaten, maakt bedroefd. Dat is de betekenis van de zonde. Zij zeggen: degene die ik bemin, heb ik gekwetst, en dit maakt bedroefd tot tranen toe. God zij gezegend als die tranen komen!

Fouten onder ogen zien – moeilijk maar vitaal. Wij denken aan de tranen van de heilige Petrus, die hem tot een nieuwe en veel trouwere liefde brachten: het is wenen dat zuivert, vernieuwt. Petrus keek naar Jezus en weende: zijn hart werd nieuw. In tegenstelling tot Judas, die niet aanvaardde dat hij verkeerd gehandeld had en helaas zelfmoord pleegde. Het is een geschenk van God, te begrijpen wat zonde is: het is een werk van de Heilige Geest. Uit onszelf begrijpen wij de zonde niet. Het is een genade die we moeten vragen. Heer, mag ik het kwaad begrijpen dat ik gedaan heb of kan doen. Dit is een heel groot geschenk en, als men het begrepen heeft, komen tranen van berouw.

Eén van de eerste monniken, Efrem de Syriër, zegt: een gezicht dat baadt in tranen, is onuitsprekelijk mooi. De schoonheid van het berouw, de schoonheid van tranen, de schoonheid van wroeging! Zoals altijd, is barmhartigheid de beste uitdrukking van het christenleven. Wijs en gezegend is hij die de pijn aanvaardt die bij de liefde hoort, want hij zal de troost ontvangen van de Heilige Geest, die de tederheid is van God, die vergeeft en terechtwijst. God vergeeft altijd: laat ons dat niet vergeten. God vergeeft altijd, zelfs de meest afschuwelijke zonden, altijd. Het probleem licht bij ons: wij worden het moe om vergeving te vragen. Wij sluiten ons op in onszelf en vragen geen vergeving. Dat is het probleem, maar Hij is er, om te vergeven. Als wij altijd voor ogen houden dat God “niet met ons onderhandelt over onze zonden, en ons evenmin vergeldt naar onze zonden (cf Ps 103,10), dan leven wij van barmhartigheid en medelijden, en komt de liefde in ons te voorschijn.

Moge de Heer ons liefde in overvloed geven, om te beminnen met een glimlach, nabijheid, dienstbaarheid en ook met tranen.

Terug naar overzicht