16-10-2019 Audiëntie – Evangeliseren is de ontmoeting in de hand werken tussen de harten en de Heer

“Naar de persoon en de bedoelingen van zijn hart kijken”

Iemand die evangeliseert “mag geen hinder zijn voor het scheppend werk van God”, maar is “iemand die de ontmoeting in de hand werkt tussen de harten en de Heer”, zegt paus Franciscus. “En wij, vraagt hij, hoe gedragen wij ons met onze broeders, vooral met degenen die geen christen zijn? Zijn wij een hinder voor de ontmoeting met God? Zijn wij een hinder voor hun ontmoeting met de Vader of werken wij ze in de hand?”
De paus vervolgt zijn catechese over de Handelingen van de Apostelen en geeft commentaar bij hoofdstuk 10, waarin de apostel Petrus uitgenodigd wordt bij de honderdman Cornelius, een vreemdeling, geen jood, aan wie hij het Evangelie verkondigt en die de uitstorting van de Geest ontvangt, samen met de zijnen.
Petrus wordt aldus “getuige van dit proces van verbroedering dat de Geest in de geschiedenis op gang wil brengen” en hij stelt zich open voor de universaliteit van het heil, zegt de paus. Inderdaad, het visioen dat hij voordien had, is een “goddelijke provocatie” die in hem “een mentaliteitsverandering” teweegbrengt: hij “evalueert gebeurtenissen en personen niet meer volgens de categorieën ‘rein’ en ‘onrein’, maar leert verder te kijken, om de persoon en de bedoelingen van zijn hart te zien”.

Dierbare broeders en zusters, goeie dag!

De reis van het Evangelie door de wereld, die de heilige Lucas in de Handelingen van de Apostelen vertelt, gaat gepaard met de grootste creativiteit van God, die zich op verrassende wijze manifesteert. God wil dat Zijn kinderen ieder particularisme overstijgen om zich open te stellen voor de universaliteit van het heil. Dat is het doel: particularismen overstijgen en zich openstellen voor de universaliteit van het heil, omdat God heel de wereld wil redden. Wie opnieuw geboren zijn uit water en Geest – de gedoopten – zijn geroepen uit zichzelf te treden en zich voor de anderen open te stellen, om nabij te zijn, de stijl van het ‘samen leven’, die iedere relatie tussen mensen transformeert in een uitdrukking van broederlijkheid. (cf Apost. Exhort. Evangelii gaudium, 87).

Petrus, die met Paulus in de Handelingen van de Apostelen protagonist is, is getuige van dit proces van verbroedering, dat de Geest in de geschiedenis wil op gang brengen. Terwijl hij bidt, krijgt hij een visioen dat als een goddelijke provocatie werkt, om in hem een mentaliteitsverandering te bewerken. Hij ziet een groot laken uit de hemel neerdalen, dat verschillende dieren bevat: viervoetige en kruipende dieren en vogels, en hij hoort een stem die hem uitnodigt van dit vlees te eten. Als goede jood, reageert hij met de bewering dat hij, overeenkomstig de wet van de Heer, nooit iets onrein gegeten heeft (cf Lev 11). Dan antwoordt de stem: “Beschouw niet als onheilig wat God rein heeft verklaard” (10,15).

Door dit feit, wil de Heer dat Petrus gebeurtenissen en personen niet langer volgens de categorieën ‘rein’ en ‘onrein’ evalueert, maar dat hij verder leert kijken, om de persoon en de bedoelingen van zijn hart te zien. Inderdaad, wat de mens onrein maakt, komt niet van buiten maar alleen uit zijn binnenste, uit zijn hart (cf Mc 7,21). Dat heeft Jezus duidelijk gezegd.

Na dit visioen, nodigt God Petrus uit bij een onbesneden vreemdeling, Cornelius, “een honderdman van de Italische cohort, (…) vroom en godvrezend”, die veel aalmoezen geeft aan het volk en voortdurend tot God bidt (cf Hand 10,1-2), maar hij was geen jood.

In dit huis van heidenen, verkondigt Petrus de gekruisigde en verrezen Christus en de vergeving der zonden voor iedereen die in Hem gelooft. En terwijl Petrus spreekt, daalt de Heilige Geest over Cornelius en zijn familie neer. En Petrus doopt hen in de naam van Jezus Christus (cf 10,48).

Dit buitengewoon feit – het is de eerste keer dat zich zo iets voordoet – wordt bekend in heel Jeruzalem waar de broeders, geërgerd door het gedrag van Petrus, hem sterk terechtwijzen (cf 11,1-3). Petrus heeft iets gedaan dat buiten het gewone valt, Petrus is vrijer van zichzelf en meer in gemeenschap met God en de anderen, omdat hij de wil van God gezien heeft in de werking van de Heilige Geest. Hij kan dus begrijpen dat de uitverkiezing van Israel geen beloning is van verdiensten, maar het teken van de gratuite roeping om bemiddelaar te zijn van Gods zegen onder de heidense volken.

Dierbare broeders, wij leren van de prins der apostelen, dat iemand die het Evangelie verkondigt geen hinder mag zijn voor het scheppende werk van God, die “wil dat alle mensen gered worden” (1 Tim 2,4), maar iemand die de ontmoeting tussen de harten en de Heer in de hand werkt. En wij, hoe gedragen wij ons met onze broeders, vooral degenen die niet christen zijn? Zijn wij een hinder voor de ontmoeting met God? Zijn wij een hinder voor hun ontmoeting met de Vader of werken wij ze in de hand?

Vragen wij vandaag de genade ons te laten verwonderen door de verrassingen van God, geen hinder te zijn voor Zijn creativiteit, maar de wegen te erkennen en in de hand te werken, die altijd nieuw zijn en waardoor de verrezen Heer Zijn Geest in de wereld zendt en de harten trekt door zich te doen kennen als de “Heer van allen” (Hand 10,36). Dank u.

Terug naar overzicht