25-9-2019 Audiëntie – Een diaken waakt over de dienstverlening in de Kerk

Een diaken is geen “tweederangs priester”, hij is “iets anders”, hij waakt over de “dienstverlening in de Kerk”, legt paus Franciscus uit.
De paus gaf in zijn negende catechese over de Handelingen van de Apostelen commentaar bij de roeping en de steniging van de diaken Stefanus (hoofdstukken 6 en 7).
De paus nam van de gelegenheid gebruik om te herinneren aan de zending van een diaken in de Kerk: hij “is geen tweederangs priester, hij is iets anders; hij is er niet voor het altaar, maar voor de dienstverlening. Hij waakt over de dienstverlening in de Kerk”. “Wanneer een diaken te graag naar het altaar gaat, vergist hij zich. Dat is zijn weg niet. Deze harmonie tussen de dienst van het Woord en de dienst van de naastenliefde, is de gist die het lichaam van de Kerk doet groeien.”
Wanneer de diaken Stefanus door zijn tegenstanders dodelijk gestenigd wordt, toont hij “waaruit een ware leerling van Christus gemaakt is”, verklaart de paus. Volgens hem leren de laatste woorden van de heilige Stefanus, “Heer, ontvang mijn geest” en “Heer, reken hun deze zonde niet aan”, dat “het niet de mooie toespraken zijn die onze identiteit als kind van God openbaren, maar de overgave van ons leven in de handen van de Vader en de vergeving van wie ons beledigen, laten de kwaliteit zien van ons geloof”.

Dierbare broeders en zusters, goeie dag!
Wij reizen verder doorheen het boek van de Handelingen van de Apostelen: de reis van het Evangelie in de wereld. De heilige Lucas toont met veel realiteitszin, de vruchtbaarheid van deze reis evenals bepaalde problemen die opduiken in de schoot van de christengemeenschap. Er waren problemen van in het begin. Hoe de verschillen in haar schoot, met elkaar in overeenstemming brengen, zonder ruzie en onenigheid te veroorzaken?

De gemeenschap nam niet alleen joden op, maar ook Grieken, dat wil zeggen mensen uit de diaspora, niet-joden, met een eigen cultuur en gevoeligheid en een andere godsdienst. Vandaag zeggen wij de “heidenen”. Zij werden dus opgenomen. Deze co-existentie maakt dat het evenwicht broos en onzeker is; bij moeilijkheden steekt het “onkruid” op en welk onkruid is voor een gemeenschap dodelijk? Het onkruid van gemopper, het onkruid van geroddel: de Grieken mopperden dat de gemeenschap te weinig aandacht had voor hun weduwen.

De apostelen beginnen een procedure van onderscheiding, die erin bestaat de moeilijkheden goed onder ogen te nemen en samen naar oplossingen te zoeken. Zij vinden een uitweg en verdelen de verschillende taken zodat een serene groei van het hele lichaam van de Kerk mogelijk is, en de wedloop van het Evangelie noch de zorg voor de armste leden te verwaarlozen.

De apostelen zijn er zich steeds meer van bewust dat hun belangrijkste roeping het gebed is en de verkondiging van het woord Gods: bidden en het Evangelie verkondigen. En zij lossen de kwestie op met een kerngroep van “zeven mannen (…) van goede faam, vol van geest en wijsheid” (Hand 6,3), die de handoplegging krijgen en zich daarna ontfermen over de maaltijdbedeling. Het gaat om diakens die aangesteld zijn voor de dienstverlening. Een diaken is in de Kerk geen tweederangs priester, hij is iets anders; hij is er niet voor het altaar, maar voor de dienstverlening. Hij waakt over de dienstverlening in de Kerk.

Wanneer een diaken te graag naar het altaar gaat, vergist hij zich. Dat is zijn weg niet. Deze harmonie tussen de dienst aan het Woord en de dienst van de naastenliefde, is de gist die het lichaam van de Kerk doet groeien. En de apostelen stellen zeven diakens aan, en onder die zeven diakens onderscheiden Stefanus en Filippus zich bijzonder. Stefanus evangeliseert met kracht en vrijmoedigheid (van het Grieks parrhèsia, durf, vrijheid van spreken) maar zijn woord botst op de meest hardnekkige tegenstand. Wat doen zijn tegenstanders als zij geen andere manier vinden om hem te doen zwijgen? Zij kiezen de meest bekrompen oplossing om een mens uit de weg te ruimen: laster en vals getuigenis. Wij weten, laster is altijd dodelijk. Deze “duivelse kanker” die ontstaat door de wil om iemands reputatie kapot te maken, valt ook de rest van het lichaam van de Kerk aan en brengt het zware schade toe. Omwille van kleingeestige belangen of om eigen tekorten toe te dekken, spant men samen om iemand te belasteren.

Naar het Sanhedrin geleid en door valse getuigen beschuldigd – men heeft hetzelfde gedaan met Jezus en men zal hetzelfde doen met alle martelaren, door valse getuigen en laster – verkondigt Stefanus een nieuwe manier om de heilsgeschiedenis vanuit Christus te lezen. Het Pasen van Jezus, die gestorven en verrezen is, is de sleutel van heel de geschiedenis van het Verbond. Ten overstaan van deze overvloedige gave van God, klaagt Stefanus moedig de hypocrisie aan waarmee de profeten en Christus zelf behandeld werden. En hij brengt hun de geschiedenis in herinnering, zeggende: “Wie van de profeten zijn door uw vaderen niet vervolgd? Gedood hebben ze hen die de komst aankondigden van de Rechtvaardige, wiens verraders en moordenaars gij nu geworden zijt” (Hand 7,52). Hij spreekt niet met halve woorden, maar spreekt heldere taal. Hij zegt de waarheid.

Dat provoceert de gewelddadige reactie van zijn toehoorders en Stefanus wordt ter dood veroordeeld, veroordeeld tot steniging. Maar hij toont waaruit een ware leerling van Christus gemaakt is. Hij zoekt geen uitvlucht, doet geen beroep op personaliteiten die hem kunnen redden maar legt zijn leven in de handen van de Heer. Het gebed van Stefanus is op dat ogenblik heel mooi: “Heer Jezus, ontvang mijn geest” (Hand 7,59) en hij sterft als een kind van God, terwijl hij vergeeft: “Heer, reken hun deze zonde niet aan” (Hand 7,60).

Deze woorden van Stefanus leren ons dat het niet de mooie toespraken zijn die onze identiteit als kind van God openbaren, maar de overgave van ons leven in de handen van de Vader en de vergeving van degenen die ons beledigen, laten de kwaliteit zien van ons geloof.

Vandaag zijn er meer martelaren dan in het begin van de Kerk, en martelaren zijn er overal. De Kerk van vandaag is rijk aan martelaren, zij wordt bevloeid door hun bloed, “zaad voor nieuwe christenen” (Tertullianus, Apologetica 50, 13) en verzekert de groei en vruchtbaarheid van het volk Gods. De martelaren zijn geen “vrome beelden” maar mannen en vrouwen van vlees en bloed die, zoals de Apocalyps zegt, “hun gewaden hebben wit gewassen in het bloed van het Lam” (7,14). Dat zijn de echte overwinnaars. Vragen ook wij aan de Heer, kijkend naar de martelaren van gisteren en vandaag, dat wij een vol leven mogen lijden en het martelaarschap aanvaarden van de dagelijkse trouw aan het Evangelie en de gelijkvormigheid met Christus.

Terug naar overzicht