Ge zult niet begeren

21-11-2018 Audiëntie – Ge zult niet begeren

“De laatste woorden van de Decaloog leren iedereen zichzelf als bedelaar te erkennen; zij helpen ons te confronteren met de wanorde in ons hart”, legt paus Franciscus uit. De mens heeft er nood aan te ontdekken “dat hij zich niet op zijn eentje kan redden”. En ook, “het is de taak van de Wet om de mens te leiden naar de waarheid over hem, dat wil zeggen naar zijn armoede die authentieke openheid wordt en persoonlijke openheid voor Gods barmhartigheid die ons transformeert en vernieuwt”.
Paus Franciscus vervolgt zijn catechese over de Tien Geboden en mediteert over het gebod “gij zult uw zinnen niet zetten op de vrouw van uw naaste …op niets wat hem toebehoort” (Ex 20,17).
Alle geboden wijzen op “de limiet waarachter de mens zichzelf en zijn naaste vernietigt en zijn relatie met God vergalt”. Daarom, zo gaat de paus verder, “zou de weg van de Decaloog geen enkel nut hebben als hij dit niveau, het hart van de mens, niet zou bereiken”; want “als het hart niet bevrijd is, helpt het overige niet veel. Dat is de uitdaging: het hart van al die slechte dingen bevrijden”.

Dierbare broeders en zusters, goeie dag!

Onze ontmoetingen rond de Decaloog brengen ons vandaag bij het laatste gebod. Wij hoorden het bij de opening. Het zijn niet alleen de laatste woorden van de tekst, maar veel meer: het is de voltooiing van de reis doorheen de Decaloog, die de kern raakt van al wat hij ons geeft. Bij nader toezien voegen die laatste woorden er namelijk geen nieuwe inhoud bij: de aanwijzingen “gij zult uw zinnen niet zetten op de vrouw (…) op niets van wat hem toebehoort” zijn op zijn minst latent aanwezig in de geboden aangaande overspel en diefstal. Wat is dan de functie van deze woorden? Is het een samenvatting? Is het iets meer?

Houden wij goed voor de geest dat alle geboden tot taak hebben de limiet aan te wijzen van het leven, de limiet waarachter de mens zichzelf en zijn naaste vernietigt, en zijn relatie met God vergalt. Als ge daarover gaat, vernietigt ge u, vernietigt ge ook uw relatie met God en uw relatie met de anderen. Dat is wat de geboden afbakenen. Dit laatste Woord zet het feit voorop dat alle overtredingen ontstaan uit een gemeenschappelijke innerlijke wortel: slechte verlangens. Alle zonden ontstaan uit een slecht verlangen. Alle. Daar begint het hart over te hellen, men komt in de golving terecht en het eindigt met een overtreding. Geen formele, legale overtreding, maar een overtreding die zichzelf en de anderen kwetst.

In het Evangelie zegt de Heer Jezus eenvoudigweg: “uit het binnenste, uit het hart van de mensen, komen boze gedachten, ontucht, diefstal, moord, echtbreuk, hebzucht, kwaadaardigheid, bedrog, losbandigheid, afgunst, godslastering, trots, lichtzinnigheid. Al die slechte dingen komen uit het binnenste en bezoedelen de mens” (Mc 7,21-23).

Zo begrijpen wij dat heel de weg die de Decaloog aflegt, van geen enkel nut zou zijn als hij dit niveau, het hart van de mens, niet zou bereiken. Vanwaar komen al die slechte dingen? De Decaloog toont zich hieromtrent heel duidelijk en diep: het punt van aankomst – het laatste gebod – van deze reis is het hart en zichzelf, als het hart niet bevrijd is, helpt het overige niet veel. Dat is de uitdaging: het hart van al die slechte dingen bevrijden. Gods voorschriften kunnen herleid worden tot de mooie façade van een leven dat hoe dan ook een slavenbestaan blijft en niet dat van een zoon. Dikwijls verbergt zich achter het Farizeeïsche masker van het verstikkende “zoals het moet”, iets dat niet goed is en niet opgelost.

Wij moeten ons integendeel door deze geboden over het verlangen laten ontmaskeren, want zij tonen ons onze armoede om ons te leiden naar een heilige vernedering. Ieder van ons kan zich de vraag stellen: welke slechte verlangens komen dikwijls bij mij op? afgunst, hebzucht, lasterpraatjes? Al die dingen die uit mijn binnenste komen. Ieder kan zich deze vraag stellen en het zal hem goed doen. De mens heeft deze gezegende vernedering nodig, die hem doet ontdekken dat hij zich niet op zijn eentje kan redden, dat hij tot God moet roepen om gered te worden. De heilige Paulus legt het op een niet te evenaren manier uit wanneer hij precies naar het gebod “gij zult niet begeren” verwijst (cf Rom 7,7-24).

Het heeft geen zin te denken dat men zichzelf kan verbeteren zonder de gave van de Heilige Geest. Het heeft geen zin te denken ons hart te zuiveren door een titanische inspanning van onze wil alleen: dat is niet mogelijk. Men dient zich open te stellen voor de relatie met God in waarheid en vrijheid: alleen zo kunnen onze inspanningen vrucht dragen omdat de Heilige Geest ons vooruit stuwt.

Het is de taak van de Wet om de mens te leiden naar de waarheid over hem, dat wil zeggen naar zijn armoede die authentieke openheid wordt en persoonlijke openheid voor Gods barmhartigheid die ons transformeert en vernieuwt. Alleen God is in staat ons hart te vernieuwen, op voorwaarde dat wij ons hart voor Hem openen : dat is de enige voorwaarde. Hij doet alles, maar wij moeten ons hart voor Hem openen.

De laatste woorden van de Decaloog leren iedereen zichzelf als bedelaar te erkennen; zij helpen ons te confronteren met de wanorde in ons hart, op te houden met egoïstisch te leven en arm van geest te worden, authentiek zijn in aanwezigheid van de Vader, zich door de Zoon laten vrijkopen en door de Heilige Geest laten leiden. De Heilige Geest is de meester die ons leidt: we moeten ons laten helpen. Laten we bedelaars zijn, vragen wij deze genade.

“Zalig de armen van geest want aan hen behoort het Rijk der hemelen” (Mt 5,3). Ja, gelukkig degenen die ophouden zich de illusie te maken dat zij zich van hun zwakheid kunnen redden zonder de barmhartigheid van God, de enige die kan genezen. Alleen Gods barmhartigheid geneest het hart. Gelukkig degenen die hun slechte verlangens erkennen en zich met een berouwvol en vernederd hart niet voordoen als rechtvaardigen ten overstaan van God en de mensen, maar als zondaars. Het is mooi wat Petrus tot de Heer zegt: “Ga weg van mij, Heer, want ik ben een zondig mens”. Het is een mooi gebed: “Ga weg van mij, Heer, want ik ben een zondig mens”.

Zij zijn het die medelijden kunnen hebben, die voor anderen barmhartig kunnen zijn omdat zij het bij zichzelf ervaren hebben.

Terug naar overzicht
By | 2018-11-29T09:33:59+00:00 22 november 2018|Woord van de paus|0 Comments