Geef ons heden ons dagelijks brood

27-3-2019 Angelus – Geef ons heden ons dagelijks brood
Voedsel is geen privé eigendom

“Prenten we ons dit in het hoofd: voedsel is geen privé eigendom”, zegt paus Franciscus. Het is “voorzienigheid om te delen”, “brood dat gegeven wordt voor de mensheid”. En “liefde kan niet verdragen” dat er niet gedeeld wordt. De paus nodigt uit “de honger van de menigten” te voelen “en te bidden tot hun verzoek verhoord wordt”. Het gaat erom, legt hij uit, “uit samenhorigheid met heel de wereld” te vragen. En de “hongerige kinderen” in Jemen, Syrië en Zuid-Soedan te noemen.
Paus Franciscus gaat verder met zijn catechese over het Onze Vader en geeft commentaar bij de vraag uit het tweede deel: “geef ons heden ons dagelijks brood”.
Deze vraag, zo preciseert hij, “gelijkt veel op het smeken van een bedelaar”. Inderdaad, “wij zijn geen zelfgenoegzame schepselen” en Jezus is niet onverschillig voor onze behoeften: het is “heel het menselijk bestaan, met zijn meest concrete en dagelijkse problemen” dat Hij ons wil leren voorleggen aan God. Tenslotte, zo besluit hij, kan alleen de Eucharistie “de oneindige honger verzadigen en het verlangen naar God, dat alle mensen bezielt, ook hun zoeken naar dagelijks brood”.

Dierbare broeders en zusters, goeie dag!

Vandaag zullen wij het tweede deel van het Onze Vader ontleden, waarin wij onze behoeften voorleggen aan God. Dit tweede deel begint met een woord dat de geur van het dagelijks leven draagt: brood. Jezus’ gebed begint met een gebiedende vraag, die veel gelijkt op het smeken van een bedelaar: “geef ons heden ons dagelijks brood!”. Dit gebed komt voort uit een evidentie die wij dikwijls vergeten, namelijk dat wij geen zelfgenoegzame schepselen zijn en dat het nodig is dat wij ons alle dagen voeden.

De Schriften tonen dat de ontmoeting met Jezus voor veel mensen met een vraag begon. Jezus vraagt geen geraffineerde aanroepingen, integendeel, heel het menselijk bestaan, met zijn meest concrete en dagelijkse problemen, kan gebed worden. In de Evangeliën vinden wij een menigte bedelaars die om bevrijding en heil smeken. De ene vraagt brood, de andere genezing; sommigen reiniging, anderen het zicht, of dat een dierbare terug zou leven … Jezus gaat nooit onverschillig voorbij aan die vragen en dat lijden.

Jezus leert ons dus dagelijks brood te vragen aan de Vader. En Hij leert ons het te doen in vereniging met alle mannen en vrouwen voor wie dit gebed een schreeuw is – dikwijls binnen in hen – die hun dagelijkse angst begeleidt. Hoeveel moeders en vaders gaan ook vandaag nog, slapen met de kwellende zorg ’s anderendaags niet genoeg brood te hebben voor hun kinderen! Stellen wij dit gebed voor, niet vanuit de zekerheid van een comfortabele woning, maar wanneer een kamer ontbreekt of wanneer het nodige om te leven, ontbreekt. De woorden van Jezus krijgen dan nieuwe kracht. Christelijk gebed begint op dat niveau. Het is geen oefening voor asceten; het begint bij de werkelijkheid, bij het hart en het lichaam van mensen in nood, of van mensen die de conditie delen van hen die het levensnoodzakelijke niet hebben. De grootste christelijke mystici kunnen zelfs geen abstractie maken van de eenvoud van deze vraag: “Vader, zorg dat er voor ons en voor heel de wereld, het nodige brood is vandaag”. En “brood” betekent ook water, geneesmiddelen, een huis, werk … Het levensnoodzakelijke vragen.

Het brood dat een christen in het gebed vraagt, is niet “mijn” maar “ons” brood. Dat is wat Jezus wil. Hij leert ons het niet alleen voor onszelf te vragen maar uit samenhorigheid met heel de wereld. Als men zo niet bidt, dan houdt het Onze Vader op een christelijk gebed te zijn. Als God onze Vader is, hoe kunnen wij ons dan bij Hem presenteren zonder elkaar de hand te geven? Wij allemaal. En als wij het brood dat Hij ons geeft, van elkaar stelen, hoe kunnen wij dan zeggen dat wij Zijn kinderen zijn? Dit gebed sluit een houding in van empathie, een houding van solidariteit. In mijn honger voel ik de honger van de menigten, en dan zal ik tot God bidden tot hun vraag verhoord wordt. Zo leert Jezus aan Zijn gemeenschap, aan Zijn Kerk, om ieders behoeften tot bij God te brengen: “Wij zijn allemaal Uw kinderen, o Vader, heb medelijden met ons!”.

Het zal ons nu goed doen een beetje halt te houden en aan kinderen te denken die honger lijden. Denken wij aan de kinderen in landen die in oorlog zijn: de kinderen die honger lijden in Jemen, de kinderen die honger lijden in Syrië, de kinderen die honger lijden in zo veel landen waar geen brood is, in Zuid-Soedan. Denken we aan die kinderen en zeggen wij samen luidop, met hen in gedachten, het gebed: “Vader, geef ons heden ons dagelijks brood”. Allemaal samen.

Het brood dat wij aan de Heer in het gebed vragen is brood dat ons ooit zal beschuldigen. Het zal ons het gebrek verwijten aan de gewoonte het te breken met onze naaste, ons gebrek aan de gewoonte om het te delen. Het was brood dat gegeven is voor heel de mensheid en het werd integendeel slechts door enkele mensen gegeten. Liefde kan dat niet verdragen. Onze liefde kan dat niet verdragen; en de liefde van God kan evenmin het egoïsme verdragen dat het brood niet deelt.

Er was eens een grote menigte bij Jezus; het waren mensen die honger hadden. Jezus vroeg of iemand iets bij had, en men vond alleen een kind dat bereid was zijn proviand te delen: vijf broden en twee vissen. Jezus vermenigvuldigde dit edelmoedig gebaar (cf Joh 6,9). Dit kind had de les van het Onze Vader begrepen: dat voedsel geen privé bezit is – prenten wij dat in ons hoofd: voedsel is geen privé bezit – maar voorzienigheid, om met Gods genade te delen.

Het echte wonder dat Jezus die dag verrichtte, is niet zozeer de broodvermenigvuldiging – die werkelijk plaatshad – maar het delen: geef wat u heeft en Ik zal het wonder doen. Door dit aangeboden brood te vermenigvuldigen, liep Hij vooruit op het offer van zichzelf in het Eucharistische brood. Inderdaad, alleen de Eucharistie is in staat de oneindige honger te verzadigen en het verlangen naar God dat alle mensen bezielt, ook hun zoeken naar dagelijks brood.

Terug naar overzicht
By |2019-04-08T20:32:30+02:00 28 maart 2019|Woord van de paus|0 Comments