11-6-2019 Geef voor niets wat ge voor niets gekregen hebt

“Wees dienstbaar en geef voor niets, wat ge voor niets gekregen hebt”, vraagt paus Franciscus. En dat, benadrukt hij, is vooral “voor ons, herders van de Kerk”, “op de genade niet te verkopen”. De genade van Christus is voor niets en “u moet haar voor niets geven”.

De paus waarschuwt voor “het gevaar” af te glijden in relaties van “betaling” tegenover God: “Heer, als Gij dit voor mij doet, zal ik U dat geven”. “Nee! Dat is niet juist!” In tegendeel, “de band van gratuïteit met God, zal ons helpen om diezelfde band vervolgens met de anderen te hebben, of dit nu in het christelijk getuigenis is, in christelijke dienstbaarheid of het pastorale leven van de herders van Gods volk … Preken, dienstbaar zijn, maar niet “zich bedienen van”.

De paus herinnert eraan dat het leven van een christen een zending is: “een christen kan niet immobiel blijven”, het christenleven bestaat erin “op weg te zijn, altijd”. “Het christenleven is vertrekken”, zegt hij. De paus citeert de woorden van Christus uit het Evangelie volgens Matteüs (10,7-13) over de zending van de apostelen en van elke christen: “Verkondigt op uw tocht: Het Koninkrijk der hemelen is nabij. Geneest zieken, wekt doden op, reinigt melaatsen en drijft duivels uit”. Het gaat dus om een “leven van dienstbaarheid”, legt de paus uit.

“Het christenleven” is “ten dienste” staan. Het is “heel droevig”, zegt de paus, christenen te zien die “in het begin van hun bekering open staan voor dienstbaarheid, het volk Gods dienstbaar zijn, en zich uiteindelijk van het volk Gods bedienen. Dat doet veel kwaad, veel kwaad aan het volk van God: de roeping is te dienen, niet zich te bedienen van”.

Het christenleven is “een leven van gratuïteit”, insisteert paus Franciscus. Het heil “kan niet gekocht worden”, “het wordt ons voor niets gegeven”, benadrukt hij en God heeft “ons voor niets verlost”. Juist deze gratuïteit van God “is één van de mooiste dingen”. “De Heer is vol gaven om aan ons te geven. Hij vraagt slechts één ding: dat ons hart open gaat. Wanneer wij Onze Vader zeggen en bidden, openen wij ons hart, opdat deze gratuïteit zou komen.”

“Er is geen relatie met God los van de gratuïteit. Soms, wanneer wij iets geestelijk of een genade nodig hebben, zeggen wij: wel, nu ga ik vasten, ga ik boete doen, ga ik een noveen doen … Dat is goed, maar opgelet: het is niet om de genade te betalen, om de genade te kopen; maar om uw hart te verruimen opdat de genade zou komen. Genade is voor niets.”

Terug naar overzicht