26-6-2019 Audiëntie – Er is geen plaats voor egoïsme in de ziel van een christen

Het is de laatste algemene audiëntie van paus Franciscus voor de zomeronderbreking. In de reeks over de Handelingen van de Apostelen concentreert hij zich op: “Zij legden zich ernstig toe op de leer der apostelen, bleven trouw aan het gemeenschappelijk leven en ijverig in het breken van het brood en in het gebed” (2,42). Het leven van de eerste gemeenschap kiest voor liefde tot God en voor de naaste.
“Er is geen plaats voor egoïsme in de ziel van een christen”, waarschuwt de paus. Integendeel, “nabijheid en eenheid zijn de stijl van de gelovigen: nabij, voor elkaar bezorgd”.
Bij de eerste gelovigen merkt de paus op dat “het buitengewone gewoon wordt” en het dagelijkse “wordt de plaats waar de levende Christus zich manifesteert”.
“Tegengesteld aan de menselijke samenleving, waar men de neiging heeft zijn eigenbelang in te volgen, onafhankelijk of zelfs ten koste van de anderen, bant de gemeenschap van gelovigen het individualisme uit om mededeelzaamheid en solidariteit te bevorderen”, gaat de paus verder.
Hij wenst dat de christengemeenschappen “plaatsen zouden zijn waar de liturgie een ontmoeting is met God, die gemeenschap wordt met de broeders en zusters, plaatsen die een open deur zijn op het Hemels Jeruzalem”.

Dierbare broeders en zusters, goeie dag!

Pinksteren, de krachtige uitstorting van Gods Geest over de eerste christengemeenschap, had als vrucht dat vele mensen hun hart doordrongen voelden van de blijde boodschap – het kerygma – van het heil in Christus en zich vrijwillig bij Hem aansloten door zich te bekeren, in Zijn Naam het doopsel te ontvangen en op hun beurt de gave van de Heilige Geest. Ongeveer drieduizend mensen sluiten bij deze broederschap aan, die de habitat is van de gelovigen en het gist van de Kerk in het evangelisatiewerk. De warmte van het geloof van deze broeders en zusters in Christus maakt hun leven tot het kader van Gods werk, dat zich manifesteert door wonderen en tekenen met de hulp van de apostelen. Het buitengewone wordt gewoon en het dagelijks leven wordt de plaats waar de levende Christus zich manifesteert.

De evangelist Lucas vertelt het ons, door ons de Kerk van Jeruzalem te tonen als paradigma van heel de christengemeenschap, als icoon van een broederlijkheid die bekoort, zonder haar te idealiseren of te minimaliseren. Het verhaal van de Handelingen laat ons achter de muren kijken van het domus waar de eerste christenen bijeen zijn als familie van God, plaats van koinonia, dat wil zeggen de gemeenschap van liefde tussen broeders en zusters in Christus. Men kan zien dat ze op een heel bepaalde manier leven: “zij legden zich ernstig toe op de leer der apostelen, bleven trouw aan het gemeenschappelijk leven en ijverig in het breken van het brood en in het gebed” (2,42). De christenen luisteren ernstig naar de didaché, dat is het onderricht van de apostelen; zij beoefenen een andere kwaliteit van tussenmenselijke relaties door de gemeenschap van geestelijk en materieel bezit; zij gedenken de Heer door het “breken van het brood”, dat is de Eucharistie, en spreken met God in het gebed. Het zijn de houdingen van de christen, de vier pistes van een goede christen.

Tegengesteld aan de menselijke samenleving, waar men de neiging heeft zijn eigenbelang in te volgen, onafhankelijk of zelfs ten koste van de anderen, bant de gemeenschap van gelovigen het individualisme uit om mededeelzaamheid en solidariteit te bevorderen. Er is geen plaats voor egoïsme in de ziel van een christen: als uw hart egoïstisch is, zijt ge geen christen, dan zijt ge werelds, en zoekt ge alleen uw welzijn, uw belang. En Lucas zegt ons dat gelovigen samen zijn (2,44). Nabijheid en eenheid zijn de stijl van de gelovigen: nabij, voor elkaar bezorgd, niet om kwaad te spreken van elkaar, nee, maar om te helpen, om tot elkaar te naderen.

De genade van het doopsel openbaart dus de intieme band tussen broeders in Christus die geroepen zijn te delen, zich met anderen te identificeren en te geven “naar ieders behoefte” (2,45), namelijk edelmoedigheid, aalmoezen, bezorgdheid voor de ander, bezoek aan zieken en noodlijdenden en aan mensen die troost nodig hebben.

En door die keuze van de gemeenschap en door aandacht voor de armen, kan de broederschap die de Kerk is, een authentiek liturgisch leven leiden. Lucas zegt het zo: “Dagelijks bezochten ze trouw en eensgezind de tempel, braken het brood in een of ander huis, genoten samen hun voedsel in blijdschap en eenvoud van het hart, loofden God en stonden bij het hele volk in de gunst” (2,46-47).

Tenslotte, herinnert het verhaal van de Handelingen ons eraan dat de Heer de groei van de gemeenschap waarborgt (cf 2,47): de volharding van de gelovigen in een oprecht verbond met God en met de broeders wordt een aantrekkingskracht die bekoort en vele mensen verovert (cf Evangelii gaudium, 14), een principe waardoor de geloofsgemeenschap van alle tijden leeft.

Bidden wij tot de Heilige Geest opdat Hij onze gemeenschappen tot plaatsen maakt waar het nieuwe leven, werken van solidariteit en gemeenschap aangenomen en beleefd wordt, plaatsen waar de liturgie een ontmoeting is met God, die tot gemeenschap leidt met broeders en zusters, plaatsen die een open deur zijn op het Hemels Jeruzalem.

Terug naar overzicht