God wil broederlijkheid onder ons

3-4-2019 Audiëntie – Apostolische reis naar Marokko
God wil broederlijkheid onder ons

Paus Franciscus heeft niet getalmd. Pas terug van Marokko, grijpt hij meteen de vraag aan: “men zou zich kunnen afvragen, waarom gaat de paus naar moslims en niet alleen naar katholieken?”. Het antwoord is eenvoudig: “wat God wil, is broederlijkheid onder ons en vooral met onze broeders, de moslims, die kinderen zijn van Abraham zoals wij”. Het verschil moet ons niet afschrikken. Wat ons zou moeten afschrikken, is “dat wij ons niet voor broederlijkheid inzetten, om samen op weg te gaan in het leven”.
Paus Franciscus komt terug op zijn recente apostolische reis naar Marokko, zoals dat gebruikelijk is na elke reis in het buitenland. Hij brengt het thema van de reis in herinnering, “Dienaar van de hoop”, en legt uit dat dit “in een tijd als de onze”, betekent “vooral bruggen leggen tussen de beschavingen”. En hij benadrukt de “vreugde” en de “eer” dit te kunnen doen “met het edele koninkrijk van Marokko, door zijn volk en bestuurders te ontmoeten”.
In Marokko heeft de paus ook de zaak van de “migranten” verdedigd en dankte hij degenen die “zich edelmoedig voor hen inzetten” en hij nodigde uit aan steden en landen te bouwen “die voor de verscheidenheid openstaan”.

Dierbare broeders en zusters, goeie dag!
Verleden zaterdag en zondag, heb ik een apostolische reis ondernomen in Marokko, op uitnodiging van Zijne Majesteit Koning Mohammed VI. Aan hem en de andere Marokkaanse autoriteiten, spreek ik opnieuw mijn dank uit voor het hartelijk onthaal en al hun medewerking, vooral aan de koning: hij was zo broederlijk, zo vriendschappelijk, zo nabij.

Ik dank vooral de Heer die mij in staat stelde een verdere stap te zetten op de weg van dialoog en ontmoeting met onze islamitische broeders en zusters, om zoals de leuze van de reis het verwoordt, “Dienaar van de hoop” te zijn in de wereld van vandaag. Mijn bedevaart volgde de stappen van twee heiligen: Franciscus van Assisi en Johannes Paulus II. 800 Jaar geleden, bracht Franciscus de boodschap van vrede en broederlijkheid aan sultan al-Malik al-Kamil; in 1985 maakte paus Wojtyla zijn onvergetelijk bezoek aan Marokko, nadat hij het hoofd van de islamitische staat, koning Hassan II, ontvangen had op het Vaticaan.

Maar men zou zich kunnen afvragen: waarom gaat de paus naar moslims en niet alleen naar katholieken? Waarom zijn er zo veel godsdiensten, hoe komt dat? Met de moslims, zijn wij afstammelingen van dezelfde vader, Abraham. Waarom laat God toe dat er zo veel godsdiensten zijn? God heeft dat willen toestaan. De theologen van de scholastiek verwezen naar de voluntas permissiva van God. Hij wou deze realiteit toelaten: er zijn veel godsdiensten; sommige ontstaan uit de cultuur, maar zij kijken allemaal naar de hemel, zij kijken naar God. Maar wat God wil, is broederlijkheid onder ons en vooral – en dat is het motief van deze reis – met onze broeders, de moslims, die kinderen van Abraham zijn zoals wij. Het verschil moet ons niet afschrikken: God heeft dat toegelaten. Wat ons moet afschrikken, is dat wij ons niet voor broederlijkheid inzetten, om samen op weg te gaan in het leven.

Dienstbaar zijn aan de hoop, in een tijd als de onze, betekent vooral bruggen leggen tussen de beschavingen. En voor mij was het een vreugde en eer dit te kunnen doen met het edele koninkrijk van Marokko, door zijn volk en bestuurders te ontmoeten. Wij hebben sommige belangrijke internationale topontmoetingen in herinnering gebracht die de laatste jaren in deze landen plaatshadden met koning Mohammed VI, wij hebben opnieuw de essentiële rol bevestigd van de godsdiensten in de verdediging van de menselijke waardigheid en de bevordering van vrede, rechtvaardigheid en de zorg voor de schepping, dat wil zeggen ons gemeenschappelijk huis. In dit perspectief hebben wij met de koning ook een Oproep ondertekend voor Jeruzalem, opdat de Heilige Stad zou bewaard worden als patrimonium van de mensheid en als een plaats voor vreedzame ontmoeting, in het bijzonder voor de gelovigen van de drie monotheïstische godsdiensten.

Ik heb het mausoleum van Mohammed V bezocht, en bracht hulde aan zijn gedachtenis en die van Hassan II, en bezocht ook het Instituut waar de imams, en mannelijke en vrouwelijke verkondigers opgeleid worden. Dit Instituut promoveert een islam die respect toont voor de andere godsdiensten en die geweld en integrisme afwijst, dat wil zeggen dat deze islam benadrukt dat wij allen broeders zijn en ons voor broederlijkheid moeten inzetten.

Ik heb bijzonder aandacht verleend aan de kwestie van de migratie, zowel in gesprekken met de Autoriteiten en vooral tijdens de ontmoeting die specifiek aan migranten gewijd was. Sommigen onder hen getuigden dat het leven als migrant verandert en terug menselijk wordt wanneer men een gemeenschap vindt die hem als persoon opvangt. Dat is fundamenteel. Het is precies in Marrakesch, in Marokko, dat in december laatstleden, de “Wereldovereenkomst” bekrachtigd werd voor een veilige, geordende en goed geregelde migratie. Een belangrijke stap voor de internationale gemeenschap om haar verantwoordelijkheid op te nemen. Als Heilige Stoel, hebben wij onze bijdrage geleverd die kan samengevat worden in vier werkwoorden: migranten opvangen, migranten beschermen, migranten in hun waardigheid erkennen en migranten integreren. Het gaat niet om hulpprogramma’s die van bovenaf opgelegd worden maar om samen een weg af te leggen doorheen deze vier acties, om aan steden en landen te bouwen die terwijl zij hun culturele en religieuze identiteit bewaren, openstaan voor de verscheidenheid en ze weten te valoriseren onder het teken van menselijke broederlijkheid.

De Kerk in Marokko is zeer geëngageerd om migranten nabij te zijn. Ik hou niet van het woord “migranten”; ik verkies “migrerende personen”. Weet u waarom? Omdat “migrant” een adjectief is, terwijl het woord “persoon” een substantief is. Wij zijn in de cultuur van het adjectief beland: wij gebruiken veel adjectieven en vergeten dikwijls de substantieven, dat wil zeggen het wezenlijke. Het adjectief moet altijd met een substantief verbonden zijn, met een persoon; dus een “migrerende persoon”. Zo is er respect en vervalt men niet in die cultuur van het adjectief “die verwatert, die vervliegt”. De Kerk in Marokko, zei ik, is migrerende personen heel nabij en daarom zou ik degenen die zich edelmoedig voor hen inzetten, willen danken en aanmoedigen omdat zij het woord van Christus in praktijk brengen: “Ik was vreemdeling en gij hebt Mij opgenomen” (Mt 25,35).

Zondag was aan de christengemeenschap gewijd. Eerst heb ik het plattelandscentrum voor sociale diensten bezocht, dat geleid wordt door de Dochters van Naastenliefde, dezelfde zusters die het dispensarium en medisch centrum voor kinderen hier in Sinte-Martha leiden. Zij werken samen met vele vrijwilligers en bieden verschillende diensten aan de bevolking.

In de kathedraal van Rabat heb ik priesters, godgewijden en personen van de Oecumenische Raad van Kerken ontmoet. Zij vormen een kleine kudde in Marokko; daarom heb ik herinnerd aan de beelden uit het Evangelie van zout, licht en gist (cf Mt 5,13-16; 13,33) die wij bij de aanvang van deze audiëntie voorgelezen hebben. Wat telt, is niet de hoeveelheid maar dat het zout smaak heeft, dat het licht straalt en dat de gist heel de massa kan doen gisten. En dat komt niet van ons, maar van God, van de Heilige Geest, die ons tot getuigen maakt van Christus, daar waar wij zijn, in een stijl van dialoog en vriendschap, die vooral onder ons christenen moet beleefd worden, want – zegt Jezus – “Hieraan zullen allen kunnen opmaken dat gij mijn leerlingen zijt: als gij de liefde onder elkaar bewaart” (Joh 13,35).

En de vreugde van de Kerkgemeenschap heeft haar fundament en volle uitdrukking gevonden in de Eucharistie van deze zondag, die opgedragen werd in een sportcomplex van de hoofdstad. Duizenden personen van ongeveer 60 verschillende nationaliteiten! Een bijzondere epifanie van het volk Gods te midden van een moslimland. De parabel van de barmhartige Vader, die wil dat al Zijn kinderen deelnemen aan Zijn vreugde, aan het feest van vergeving en verzoening, heeft de schoonheid van Gods plan in ons midden doen stralen.

Aan dit feest nemen degenen deel die kunnen erkennen dat zij de barmhartigheid van de Vader nodig hebben en die zich met Hem kunnen verheugen wanneer een broeder of zuster terugkeert naar huis. Het is geen toeval dat de grote parabel van de barmhartigheid van de Vader weerklonken heeft, waar moslims dagelijks de Zachtmoedige en Barmhartige aanroepen. Zo is het: alleen wie opnieuw geboren wordt en in de omhelzing leeft van deze Vader, alleen degenen die zich broeders weten, kunnen in de wereld dienaren zijn van de hoop.

Terug naar overzicht
By |2019-04-10T21:18:35+02:00 4 april 2019|Woord van de paus|0 Comments