Houd ik van God?

10-1-2018 Houd ik van God? Kijk  eens hoe ge van uw broeder houdt

“Houd ik van God? Laat ons naar de toetssteen gaan en zien hoe ge uw broeder bemint”, zo luidt de uitnodiging van paus Franciscus.

In zijn homilie mediteert de paus over de eerste lezing (1 Joh 4,19-5,4), die spreekt over de “geest van de wereld”: Johannes spreekt over de “strijd van alle dagen” tegen de geest van de wereld, die een “geest van schijn” is, een “leugenaar”. “De geest van de wereld is de geest van ijdelheid, de geest van wat zonder kracht is, zonder fundering” en die “aangetast is”. Leugens zitten “vol lucht”.
Wie “zijn broeder die hij ziet niet liefheeft, kan God niet liefhebben die hij nooit gezien heeft”, schrijft Johannes: het gaat erom lief te hebben “wat ge ziet, wat ge kunt aanraken. En niet de droombeelden die ge niet ziet”.

“Als ge God niet kunt beminnen in het concrete, is het niet waar dat ge God bemint, zegt de paus nog. De geest van de wereld is een geest van verdeeldheid en wanneer hij zich mengt in een familie, in een gemeenschap, in de samenleving, schept hij altijd verdeeldheid: altijd. En de verdeeldheid nemen toe en mondt uit in haat en oorlog … Johannes gaat nog verder en zegt: “als iemand zegt dat hij God liefheeft terwijl hij zijn broeder haat, is hij een leugenaar”, dat wil zeggen een kind van de geest van de wereld, die puur leugen is, louter schijn”.
En paus Franciscus vraagt: “bemin ik God? laat ons naar de toetssteen gaan en zien hoe ge uw broeder bemint”. Hij benadrukt drie signalen die erop wijzen dat men zijn naaste niet bemint: “het eerste signaal: … bid ik voor de mensen? voor alle mensen, voor concrete mensen, degenen voor wie ik sympathie heb en voor wie ik antipathie voel, degenen die mijn vrienden zijn en die het niet zijn”.

“Het tweede signaal: wanneer ik gevoelens van jaloezie in mij voel, van nijd, de nijd iemand iets kwaad toe te wensen … dat is een signaal dat ge niet bemint. Stop daar. Laat die gevoelens niet toenemen: zij zijn gevaarlijk. Laat ze niet toenemen.”

“En dan het meest dagelijkse teken dat ik niet van mijn naaste hou en ik dus niet kan zeggen dat ik God bemin, is kwaadspreken, insisteert de paus. Houden we dat klaar voor ogen, in ons hart en ons hoofd: als ik kwaadspreek, bemin ik God niet, want door kwaadspreken vernietig ik die mens. Kwaadspreken is zoals honingbollen … de ene volgt op de andere en daarna is de maag ziek … want kwaadspreken is zoet … maar het vernietigt.”
Volgens de paus staat iemand die ophoudt met kwaadspreken “heel dicht bij God”, want niet kwaadspreken is “de naaste beschermen, God in de naaste beschermen”.
“De geest van de wereld wordt overwonnen door deze geest van geloof: geloven dat God werkelijk in mijn broeder en zuster is … Alleen met veel geloof kan men deze weg inslaan, niet met menselijke gedachten en gezond verstand … nee, nee: die zijn nutteloos. Ze helpen, maar niet in deze strijd. Alleen geloof zal ons de kracht geven geen kwaad te spreken, voor iedereen te bidden, ook voor zijn vijanden en onze gevoelens van jaloezie en nijd niet te laten toenemen.”

Terug naar overzicht
By |2019-01-17T14:47:28+01:00 10 januari 2019|Woord van de paus|0 Comments