In Jezus’ aanwezigheid en met Jezus bidden

4-4-2019 In Jezus’ aanwezigheid en met Jezus bidden

“Moge de Heer ons de genade geven … ten beste te spreken, vraagt paus Franciscus. En wanneer iemand ons gebed vraagt … doe het ernstig, in Jezus’ aanwezigheid, met Jezus, die voor ons allen ten beste spreekt bij de Vader.”
Paus Franciscus waarschuwt ons voor “lauw” gebed, vooral wanneer men “voor iemand” bidt.

“Dat is echt gebed: met de Heer”, zegt de paus. “Wanneer wij moedig ten beste spreken … doen wij het met Jezus: Jezus is onze moed, onze zekerheid, die op dat moment voor ons ten beste spreekt.”
“Wanneer ik bid”, gaat de paus verder, is het Christus “die mijn gebed opneemt en het aan de Vader aanbiedt. En het is voor Jezus niet nodig tot de Vader te spreken: Hij toont Hem de wonden. De Vader ziet de wonden en is genadig. Wanneer wij bidden, denken wij eraan het met Jezus te doen”.

Er zijn talrijke voorbeelden van voorspraakgebed in de Bijbel, legt de paus uit, en “er is moed nodig om zo te bidden”. De paus citeert het voorbeeld van Mozes (uit de eerste lezing Ex 32,7-14) die bij God ten beste spreekt voor zijn volk, dat zich van God heeft afgekeerd en een gouden kalf vereert. Mozes smeekt God in Zijn “woede niet tegen hen te ontvlammen” en hij spreek tot Hem zoals “een meester zijn volgeling”, alsof hij zou zeggen: “maar, Heer, ge gaat een slechte indruk maken …”.
De paus haalt ook de geschiedenis voor de geest van Abraham, Hanna en de Kananeese vrouw. Abraham spreekt ten beste om zijn neef te redden die in Sodom woont. Hanna, de moeder van Samuel “prevelt in stilte, bidt en blijft bidden, en zo dat de priester denkt dat zij dronken is”. Zij bad om een kind. Het is ”de angst van een vrouw” die tot God smeekt.
In de geschiedenis van de Kananeese vrouw uit het Evangelie, die de genezing vraagt van haar dochter, die gekweld wordt door een boze geest, zegt Jezus haar eerst dat Hij alleen tot het volk van Israël gezonden is, en dat het niet goed is het brood van de kinderen aan de hondjes te geven. De Kananeese vrouw dringt aan en zegt dat hondjes zelfs de kruimels eten die van de tafel van hun meester vallen. Deze vrouw “is niet bang”, benadrukt de paus en zij krijgt wat zij verlangt.

Herinner u, bemerkt de paus, dat deze mensen “met de Heer strijden” opdat Hij “genadig zou zijn”. “Er is veel moed nodig om zo te bidden, zegt de paus. En wij zijn zo dikwijls lauw. Iemand zegt ons: ‘bid eens want ik heb dat probleem …’. ‘Ja, ja’. Ik zeg twee Onze Vaders, twee Wees gegroeten, en dan ik vergeet ik de zaak”.
“Zo bidt een papegaai”, zegt de paus: “echt gebed, gebeurt met de Heer. En als ik ten beste moet spreken, moet ik het zo doen, moedig”.
In de omgangstaal, legt de paus uit, “als mensen iets willen bereiken, gebruiken zij een uitdrukking: ‘ik geef er alles voor’.
“Dat is ook waar als men ten beste spreekt: ik geef het maximum.” En wanneer onder het gebed twijfels komen – maar hoe kan ik weten dat de Heer mij hoort? – “moet men zich herinneren dat wij een zekerheid hebben: Jezus, Hij is de grote Voorspreker”.
Tot slot, nodigt de paus uit moedig te bidden: “en wanneer iemand ons vraagt te bidden, het niet met twee gebedjes doen – niets – nee, doe het ernstig, in de aanwezigheid van Jezus, met Jezus, die voor ons allen ten beste spreekt bij de Vader”.

Terug naar overzicht
By |2019-04-13T10:39:04+02:00 5 april 2019|Woord van de paus|0 Comments