22-5-2019 Om te bidden moeten we ons heel klein maken
Slot van de reeks over het Onze Vader

“De protagonist van elk christelijk gebed is de Heilige Geest”, brengt paus Franciscus in herinnering. “Wij zouden nooit kunnen bidden zonder de kracht van de Heilige Geest. Hij is het die in ons bidt en ons goed leert bidden. Wij kunnen aan de Geest vragen dat Hij ons leert bidden (…). De Geest maakt ons bekwaam te bidden als kind van God, wat wij door het doopsel werkelijk zijn.” Daarom, zo besluit hij, “om te bidden, moeten wij ons heel klein maken, zodat de Heilige Geest in ons komt en Hij het zou zijn die ons in het gebed leidt”.
Paus Franciscus gaf het 16e en laatste onderricht in de reeks over het Onze Vader. Er is “moed” nodig om God “onze Vader” te noemen. “Vader” zeggen tegen God, “is de oorsprong van het christelijk gebed”. Toch gaat het niet om een “formule”, benadrukt de paus, maar om “kinderlijke vertrouwelijkheid die wij door de genade leren kennen”.
De paus haalt verschillende passages uit het Nieuwe Testament aan waarin Jezus spreekt over God als over Zijn “Vader” en zo onthult Hij dat “de kern van de band met Zijn Vader, de kern is van het geloof en het gebed”. Daarom, zo besluit de paus, “kan een christen, vanuit deze kern, in alle situaties bidden”.

Dierbare broeders en zusters, goeie dag!
Wij besluiten vandaag de reeks catecheses over het Onze Vader. Wij mogen zeggen dat het christelijk gebed ontstaat uit de moed om God aan te spreken met de naam “Vader”. Dat is de oorsprong van het christelijk gebed: tegen God “Vader” zeggen. Maar er is moed voor nodig! Het gaat niet zozeer om een formule dan wel om kinderlijke vertrouwelijkheid die wij door de genade leren kennen: Jezus leert ons de Vader kennen en maakt ons vertrouwelijk met Hem. “Jezus laat ons echter geen formule na die we werktuiglijk moeten herhalen. Zoals voor elk mondgebed geldt, leert de Heilige Geest de kinderen van God bidden tot hun Vader door het woord van God” (Catechismus van de Katholieke Kerk, 2766). Jezus zelf heeft verschillende uitdrukkingen gebruikt om tot Zijn Vader te bidden. Als wij de Evangelies aandachtig lezen, zullen wij ontdekken dat deze gebedsuitdrukkingen die op de lippen van Jezus komen, de tekst van het Onze Vader in herinnering brengen.

Bijvoorbeeld, in de nacht van Getsemane bidt Jezus op deze wijze: “Abba, Vader … voor U is alles mogelijk; laat deze beker Mij voorbijgaan. Maar toch: niet wat Ik maar wat Gij wilt” (Mc 14,36). We hebben die tekst uit het Marcusevangelie reeds voor de geest gehaald. Hoe zouden we in dat gebed, hoe beknopt ook, geen spoor herkennen van het Onze Vader? Te midden van de duisternis, roept Jezus, God aan met de naam “Abba”, met kinderlijk vertrouwen, en alhoewel hij beangstigd is, vraagt Hij dat de wil van de Vader zou geschieden.

In andere passages van het Evangelie insisteert Jezus dat Zijn leerlingen een geest van gebed zouden ontwikkelen. Gebed moet met aandrang gebeuren en vooral voor de broeders, in het bijzonder wanneer wij een moeilijke band met hen hebben. Jezus zegt: “Hebt ge iets tegen iemand, terwijl ge staat te bidden, vergeeft het dan, opdat ook uw Vader in de hemel u uw tekortkomingen moge vergeven” (Mc 11,25). Hoe zouden wij in deze woorden geen samenklank kunnen herkennen met het Onze Vader? En de voorbeelden zouden talrijk kunnen zijn, ook voor ons.

In de geschriften van de heilige Paulus vinden wij de tekst van het Onze Vader niet, maar de aanwezigheid ervan duikt op in deze verrassende synthese waar de aanroeping van de christen samengebald wordt in één enkel woord: “Abba!” (cf Rom 8,15; Gal 4,6).

In het Lucasevangelie voldoet Jezus helemaal aan het verzoek van de leerlingen die dikwijls zien dat Hij zich afzondert om zich onder te dompelen in gebed, en die op een dag het besluit nemen Hem te vragen: “Heer, leer ons bidden, zoals Johannes het ook aan zijn leerlingen geleerd heeft” (11,1). Toen leerde de Meester hen het gebed tot de Vader.

Als men het Nieuwe Testament in zijn geheel beschouwt, ziet men duidelijk dat de eerste protagonist van ieder christelijk gebed, de Heilige Geest is. Laten wij dit niet vergeten: de protagonist van ieder christelijk gebed is de Heilige Geest. Wij zouden nooit kunnen bidden zonder de kracht van de Heilige Geest. Hij is het die in ons bidt en ons goed leert bidden. Wij kunnen aan de Geest vragen ons te leren bidden omdat Hij de protagonist is, degene die het echte gebed in ons verricht. Hij fluistert in het hart van ieder van ons, die Jezus’ leerlingen zijn. De Geest maakt ons bekwaam te bidden als kind van God, wat wij door het doopsel werkelijk zijn. De Geest doet ons bidden in het voetspoor dat Jezus voor ons heeft uitgegraven. Dat is het mysterie van het christelijk gebed: door de genade worden wij aangetrokken in dat liefdesgesprek van de Allerheiligste Drie-eenheid.

Zo bad Jezus. Soms gebruikte Hij uitdrukkingen die zeker heel ver staan van de tekst van het Onze Vader. Denken wij aan de eerste woorden van psalm 22, die Jezus spreekt op het kruis: “Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?” (Mt 27,46). Kan de hemelse Vader Zijn Zoon verlaten? Zeker niet. En toch, het is Zijn liefde voor ons, zondaars, die Jezus tot op dit punt brengt: in de verwoording van de verlatenheid door God, Zijn verwijdering, omdat Hij al onze zonden op zich genomen heeft. Maar ook in die bange kreet, blijft Hij “Mijn God, Mijn God”.

In dit “Mijn” ligt de kern van de band met Zijn Vader, de kern van het geloof en het gebed. Daarom kan een christen, vanuit deze kern, in alle situaties bidden. Hij mag alle gebeden uit de Bijbel voor zichzelf opnemen, vooral de psalmen; maar hij mag ook bidden met alle uitdrukkingen die in de loop van duizend jaar geschiedenis, uit mensenharten opwelden. En laat ons nooit ophouden tot de Vader te spreken over onze broeders en zusters in de mensheid, opdat niemand van hen, vooral de armen niet, zonder troost of een beetje liefde blijven.

Aan het slot van deze catechese kunnen wij dit gebed van Jezus opnieuw zeggen: “Ik prijs U Vader, Heer van hemel en aarde, omdat Gij deze dingen verborgen gehouden hebt voor wijzen en verstandigen, maar ze hebt geopenbaard aan kleinen” (Lc 10,21). Om te bidden, moeten wij ons heel klein maken, opdat de Heilige Geest in ons zou komen en Hij het zou zijn die ons in het gebed leidt.

Terug naar overzicht