6-3-2019 Audiëntie – Zachtmoedigheid is de stijl van het Rijk Gods: “Uw Rijk kome!”

De aankondiging van de komst van het Rijk Gods is geen “bedreiging” maar “blijde verkondiging, een vreugdevolle boodschap”, zegt paus Franciscus. Inderdaad, “Jezus kondigt deze heerlijke zaak aan, deze genade: God de Vader bemint ons, Hij is ons nabij en leert ons de weg van de heiligheid te gaan”. Daarom “vestigt het Rijk Gods zich niet met geweld: de manier om zich bekend te maken is die van de zachtmoedigheid” en de tekens ervan zijn de genezingen waarmee Jezus zorg draagt voor zieken, zondaars en zelfs schijnheiligen.
Paus Franciscus vervolgt zijn catechese over het Onze Vader en concentreert zijn meditatie op de zin “Uw Rijk kome”. “Jezus is gekomen, maar de wereld is nog door zonde getekend”, bemerkt hij; de overwinning van Christus “is nog niet ten volle verwezenlijkt” en “veel mannen en vrouwen leven nog met een gesloten hart”. Door “de blijde boodschap van heil” te brengen, “roept Jezus op tot bekering”, “tot geloof in het Evangelie”. En de paus nodigt uit dit woord te herhalen: “Uw Rijk kome! te midden van onze zonden en mislukkingen” en voor de wereld “die bevolkt wordt door zo veel mensen die lijden”.

Dierbare broeders en zusters, goeie dag!

Wanneer wij het Onze Vader bidden, is de tweede aanroeping waarmee wij ons tot God richten,  “Uw Rijk kome” (Mt 6,10). Na gebeden te hebben dat Zijn Naam zou geheiligd worden, drukt de gelovige het verlangen uit dat de komst van Zijn Rijk zou bespoedigd worden. Dit verlangen welde, als het ware, op uit het hart van Jezus zelf, die Zijn prediking in Galilea begon met de verkondiging: “De tijd is vervuld en het Rijk Gods is nabij; bekeert u en gelooft in de Blijde Boodschap” (Mc 1,15). Deze woorden zijn helemaal geen bedreiging, integendeel, zij zijn een blijde aankondiging, een vreugdevolle boodschap.

Jezus wil de mensen niet aansporen tot bekering door angst te zaaien over het nakende oordeel van God of met schuldgevoel omwille van het bedreven kwaad. Jezus doet niet aan proselitisme: Hij kondigt aan, gewoon. Wat Hij brengt is integendeel de blijde boodschap van heil en vandaar uit roept Hij op tot bekering. Iedereen is uitgenodigd in het Evangelie te geloven: de heerschappij van God is tot Zijn kinderen genaderd. Dat is het Evangelie: de heerschappij van God is tot Zijn kinderen genaderd. En Jezus kondigt deze heerlijke zaak aan, deze genade: God de Vader bemint ons, Hij is ons nabij en leert ons de weg van heiligheid te gaan.

De tekens van de komst van dit Rijk zijn veelvuldig en allemaal positief. Jezus begint Zijn ambt door zorg te dragen voor hen die ziek zijn naar lichaam of ziel, voor hen die uit de samenleving gesloten worden – melaatsen, bijvoorbeeld – voor zondaars die door iedereen minachtend bekeken worden, en zelfs voor hen die nog meer zondaar waren dan dezen maar zich als rechtvaardigen voordeden. En Jezus, hoe noemt Hij hen? “Schijnheiligen!” Jezus wijst zelfs op die tekens, de tekens van het Rijk Gods: “blinden zien en lammen lopen, melaatsen genezen en doven horen, doden staan op en aan armen wordt de Blijde Boodschap verkondigd” (Mt 11,5).

“Uw Rijk kome”!, herhaalt de christen met aandrang wanneer hij het Onze Vader bidt. Jezus is gekomen: maar de wereld is nog door zonde getekend en is bevolkt door zo veel mensen die lijden, mensen die zich niet met elkaar verzoenen en niet vergeven, met oorlog en vele vormen van uitbuiting; denken we aan de uitbuiting van kinderen, bijvoorbeeld. Al die feiten zijn het bewijs dat de overwinning van Christus nog niet helemaal verwezenlijkt is: veel mannen en vrouwen leven nog met een gesloten hart. Het is vooral in die situaties dat de tweede aanroeping van het Onze Vader op de lippen van de gelovigen weerklinkt: “Uw Rijk kome!”. Het is alsof men zegt: Vader, wij hebben U nodig! Jezus, wij hebben U nodig, wij hebben het nodig dat Gij overal en voor altijd de Heer in ons midden bent!. “Uw Rijk kome”, wees Gij zelf in ons midden!

Soms stellen wij ons de vraag: hoe komt het dat het Rijk zo langzaam tot stand komt? Jezus spreekt graag over Zijn overwinning in de taal van de parabels. Bijvoorbeeld, Hij zegt dat het Rijk Gods gelijkt op een veld waar tarwe en onkruid samen groeien: de ergste fout zou zijn onmiddellijk in te grijpen door uit de wereld te verwijderen wat in onze ogen onkruid lijkt. God is niet zoals wij, God heeft geduld. Het Rijk Gods vestigt zich niet met geweld: zijn stijl om zich bekend te maken is die van de zachtmoedigheid (cf Mt 13,24-30).

Het Rijk Gods is zeker een grote kracht, de grootste die er is, maar niet volgens de criteria van de wereld; daarom lijkt het dat het nooit de absolute meerderheid heeft. Het is als gist met deeg vermengd: het verdwijnt schijnbaar, en toch doet juist gist de massa gisten (cf Mt 13,33). Of nog, het is als een mosterdzaadje, heel klein, bijna onzichtbaar, maar het draagt de ongehoorde kracht van de natuur in zich, en eens het groeit, wordt het de grootste boom in de tuin (cf Mt 13,31-32).

In dit plan van het Rijk Gods kan men het stramien zien van Jezus’ leven: ook Hij was voor Zijn tijdgenoten een subtiel teken, een bijna onbekend gebeuren voor de officiële historici van die tijd. Hij noemde zichzelf een graankorrel die in de aarde sterft maar die alleen zo veel vrucht kan dragen (cf Joh 12,24). Het symbool van de graankorrel is welsprekend: op een dag plant de boer hem in de grond (een gebaar dat op een begrafenis lijkt) en daarna ontkiemt het zaad en groeit het, dag en nacht, of hij slaapt of waakt, hij weet niet hoe (cf Mc 4,27). Een graankorrel die ontkiemt, is nog meer Gods werk dan dat van de mens die het gezaaid heeft (cf Mc 4,27). God gaat steeds aan ons vooraf, God verrast ons steeds. Dank zij Hem, is er na de nacht van Goede Vrijdag, de dageraad van de Verrijzenis die heel de wereld met hoop kan verlichten.

“Uw Rijk kome!” Zaaien wij dit woord te midden van onze zonden en mislukkingen. Bieden wij het aan voor mensen die door het leven geslagen en onderdrukt worden, voor hen die meer haat dan liefde gekend hebben, voor hen die lege dagen leiden zonder te begrijpen waarom. Geven wij het aan hen die gestreden hebben voor de gerechtigheid, aan alle martelaren van de geschiedenis, aan degenen die besluiten dat zij voor niets gestreden hebben en dat het kwaad altijd de winnende partij is in de wereld. Dan zullen wij het Onze Vader als het antwoord daarop horen. Het zal deze woorden van hoop voor de zoveelste keer opnieuw uitspreken, woorden die de Geest als een zegel op heel de Heilige Schrift gelegd heeft: “Ja, Ik kom spoedig!”: dat is het antwoord van de Heer. “Ik kom spoedig! Amen”. En de Kerk van de Heer antwoordt: “Kom, Heer Jezus” (Apoc 2,20). “Uw Rijk kome” komt erop neer te zeggen “Kom, Heer Jezus”. En Jezus zegt: “Ik kom spoedig”. En Jezus komt op Zijn manier, maar alle dagen. Hebben wij daarin vertrouwen. En wanneer wij het Onze Vader bidden, zeggen wij altijd: “Uw Rijk kome” in ons hart: ja, ja, Ik kom en Ik kom spoedig”.

Terug naar overzicht