Waar het Evangelie is, is er revolutie

2-1-2019 Audiëntie – Waar het Evangelie is, is er revolutie
Zich de liefde van de Vader herinneren

“God vraagt aan Zijn kinderen Hem met de naam “Vader” te aanroepen, zich door Zijn kracht te laten vernieuwen en een straal van Zijn goedheid te weerkaatsen voor deze wereld die zo hunkert naar goedheid, die zozeer wacht op goed nieuws.”
In het christelijk gebed “wordt heel intens een voortdurend gesprek aangeknoopt met de Vader”. En paus Franciscus besluit: “In de grond volstaat het zich onder Gods blik te plaatsen, zich Zijn Vaderliefde te herinneren;  dat is voldoende om verhoord te worden”.
Paus Franciscus herneemt zijn catechese over het Onze Vader en benadrukt dat het in het Matteüsevangelie aangeleerd wordt midden in de bergrede, na de zaligsprekingen waarin “Jezus soorten mensen met geluk bekroont, die in Zijn tijd – maar ook in de onze! – weinig geacht werden”.
“Zalig de armen, de zachtmoedigen, de barmhartigen, de nederigen van hart … Dat is de revolutie van het Evangelie”, verklaart de paus met nadruk: “Ziedaar de revolutie van het Evangelie. Waar het Evangelie is, is er revolutie. Het Evangelie laat niet met rust, het spoort ons aan, het is revolutionair”.

Dierbare broeders en zusters, goeie dag en gelukkig Nieuwjaar!

Wij gaan verder met onze catechese over het Onze Vader, in het licht van het mysterie van Kerstmis dat wij deze dagen vierden.
Het Evangelie van Matteüs situeert de tekst van het Onze Vader op een strategisch punt, in het midden van de bergrede (cf 6,9-13). Laat ons eerst naar het tafereel kijken: Jezus gaat de heuvel op in de buurt van het meer en zet zich neer; rond Hem, de kring van Zijn meest vertrouwelijke leerlingen en daarna een grote menigte van anonieme gezichten. Deze onsamenhangende samenkomst is de eerste aan wie het Onze Vader gegeven wordt.

De situatie is, zoals wij zeiden, vol betekenis; want in dit lange onderricht dat “bergrede” heet (cf Mt 5,1-7,27), condenseert Jezus de fundamentele aspecten van Zijn boodschap. Het begin is als een gewelf dat voor een feest versierd is: de zaligsprekingen. Jezus bekroont soorten mensen met geluk, die in Zijn tijd – maar ook in de onze! – weinig geacht werden. Zalig de armen, de zachtmoedigen, de barmhartigen, de nederigen van hart … Dat is de revolutie van het Evangelie. Waar het Evangelie is, is er revolutie. Het Evangelie laat niet met rust, het spoort ons aan, het is revolutionair. Voordien eindigden alle mensen die liefdebekwaam zijn, die vredestichters zijn, in de marge van de geschiedenis. Nu zijn zij integendeel bouwers van het Rijk Gods. Het is zoals Jezus zei: ga maar door, gij die in uw hart het mysterie draagt van een God die Zijn almacht geopenbaard heeft in liefde en vergeving!

Door zo een ingangsdeur, die de waarden van de geschiedenis omvergooit, welt het nieuwe op van het Evangelie. De wet mag niet afgeschaft worden maar heeft een nieuwe interpretatie nodig die haar bij haar oorspronkelijke betekenis terugbrengt. Als iemand een goed hart heeft, een hart dat voorbeschikt is voor de liefde, begrijpt het dat elk woord van God moet belichaamd worden tot in de uiterste consequenties. Liefde heeft geen grenzen: men kan zijn echtgenoot, zijn vriend en zelfs zijn vijand beminnen in een totaal nieuw perspectief. Jezus zegt: “Maar Ik zeg u: Bemint uw vijanden en bidt voor wie u vervolgen, opdat gij kinderen moogt worden van uw Vader in de hemel, die immers de zon laat opgaan over slechten en goeden en het laat regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen” (Mt 5,44-45).

Dat is het grote geheim dat aan de basis ligt van heel de bergrede: wees kinderen van uw Vader die in de Hemel is. Deze hoofdstukken in het Evangelie van Matteüs lijken een morele toespraak, zij lijken een zo veeleisende ethiek voor de geest te brengen die onuitvoerbaar lijkt, maar wij ontdekken integendeel dat zij een theologische toespraak zijn. Een christen is niet iemand die zich engageert om beter te zijn dan de anderen: hij weet dat hij zoals iedereen een zondaar is. Een christen is gewoon de mens die zich voor het nieuwe brandend braambos bevindt, de openbaring van een God die niet het enigma draagt van een onuitsprekelijke naam maar aan Zijn kinderen vraagt Hem met de naam “Vader” te aanroepen, zich te laten vernieuwen door Zijn kracht en een straal van Zijn goedheid te weerkaatsen voor deze wereld die zo hunkert naar goedheid, die zozeer wacht op goed nieuws.

Zo leidt Jezus dus het Onze Vader in. Hij doet het door afstand te nemen van twee groepen uit Zijn tijd. Vooral van de schijnheiligen: “gedraagt u dan niet als de schijnheiligen, die graag in de synagogen en op de hoeken van de straten staan te bidden om op te vallen bij de mensen” (Mt 6,5). Er zijn mensen die atheïstisch kunnen bidden, zonder God, en zij doen dat om door de mensen bewonderd te worden. Dikwijls zien wij de ergernis die deze mensen geven wanneer zij naar de kerk gaan en er heel de dag blijven of er dagelijks naartoe gaan en daarna de anderen haten of kwaad van hen spreken. Dat is een ergernis! Dan is het beter niet naar de kerk te gaan: als ge zo leeft, leeft ge als een atheïst. Als ge naar de kerk gaat, leef dan als een kind, als een broer en geef een echt getuigenis en geen tegengetuigenis. Het christelijk gebed heeft geen andere geloofwaardige getuige dan het eigen geweten, waar we heel intens een voortdurend gesprek aanknopen met de Vader: “als gij bidt, ga dan in uw binnenkamer, sluit de deur achter u en bid tot uw Vader die in het verborgene is” (Mt 6,6).

Vervolgens neemt Jezus afstand van het gebed van de heidenen: “gebruikt geen omhaal van woorden (…) ze menen dat zij door hun veelheid van woorden verhoring zullen vinden” (Mt 6,7). Hier maakt Jezus misschien allusie op die captatio benevolentiae die het noodzakelijk uitgangspunt was voor vele gebeden in de oudheid: de godheid moest op een zekere manier voorzien worden van een lange reeks lofprijzingen en zelfs gebeden. Denken we aan het tafereel op de Berg Karmel, wanneer de profeet Elia de priesters van Baäl uitdaagt. Zij riepen, dansten, vroegen vele dingen opdat hun god naar hen zou luisteren. En Elia zweeg en de Heer openbaarde zich aan hem. De heidenen denken dat men bidt door altijd maar te spreken. Ik denk aan de vele christenen die denken dat – excuseer mij – bidden, “spreken is met God zoals een papegaai”.  Nee! Bidden gebeurt vanuit het hart, van binnenuit. Gij daarentegen – zegt Jezus – wanneer ge bidt, richt u dan tot God zoals een kind tot zijn vader, die weet wat ge nodig hebt voor ge het hem vraagt (cf Mt 6,8). Het Onze Vader zou ook een stil gebed kunnen zijn: in de grond volstaat het zich onder Gods blik te plaatsen, aan Zijn Vaderliefde te denken; dat is voldoende om verhoord te worden.
Het is mooi te weten dat onze God geen offers nodig heeft om Zijn gunsten te verkrijgen! Hij heeft niets nodig, onze God: in het gebed vraagt Hij alleen dat wij de communicatie met Hem open houden zodat wij altijd ontdekken dat wij Zijn veelgeliefde kinderen zijn. En Hij houdt veel van ons.

Terug naar overzicht
By |2019-01-09T20:11:38+01:00 5 januari 2019|Woord van de paus|0 Comments