24-4-2019 “Zoals ook wij vergeven aan onze schuldenaren”

“In de Kerk bestaat geen selfmade man”, merkt paus Franciscus op. Hij benadrukt het feit dat een schepsel alles aan God te danken heeft: “Onze identiteit bouwt zich op vanuit hetgeen we gekregen hebben. Het eerste, is het leven”. Iedere mens wordt geschapen, gewenst, bemind, vergeven: daarom is iedereen geroepen om op zijn beurt te vergeven: “We vinden hier de band tussen de liefde voor God en de liefde voor de naaste. Liefde roept op tot liefde, vergeving tot vergeving”.
De paus vervolgt zijn onderricht over het Onze Vader met een overweging van Mt 6,12: “zoals ook wij vergeven aan onze schuldenaren”.
“Laat ons nadenken, vraagt de paus, of wij vergeven of in staat zijn te vergeven, – Vader, dat kan ik niet, de mensen hebben mij zoveel aangedaan! – Als ge het zelf niet kunt, vraag dan aan de Heer u de kracht te geven om het te doen: Heer, help mij te vergeven.”
“Jezus integreert de kracht om te vergeven in de menselijke relaties”, doet de paus opmerken.

Dierbare broeders en zusters, goeie dag!

Wij vervolledigen vandaag de catechese over de vijfde bede in het Onze Vader en staan stil bij “zoals wij vergeven aan onze schuldenaren” (Mt 6,12). Wij hebben gezien dat het eigen is aan de mens dat hij een schuldenaar is tegenover God: van Hem hebben wij alles gekregen, zowel op het vlak van de natuur als van de genade. Ons leven wordt niet alleen door God gewenst, maar ook bemind: er is werkelijk geen plaats voor zelfgenoegzaamheid wanneer wij de handen vouwen om te bidden. In de Kerk bestaat geen selfmade man, mensen die zichzelf alleen gemaakt hebben. Wij zijn allemaal schuldig tegenover God en de vele mensen die voor gunstige levensomstandigheden gezorgd hebben. Onze identiteit bouwt zich op vanuit hetgeen we gekregen hebben. Het eerste, is het leven. Wie bidt, leert “dank u” zeggen. En wij, wij vergeten dikwijls “dank u” te zeggen, wij zijn egoïstisch.

Wie bidt, leert “dank u” zeggen en vraagt God welwillend voor hem te zijn. Ondanks al onze inspanningen, blijft er tegenover God altijd een niet in te lossen schuld bestaan: Hij houdt oneindig van ons, meer dan wij van Hem. En ondanks al onze inspanningen om volgen de christelijke leer te leven, zal er altijd iets in ons leven zijn om vergeving voor te vragen: denken wij aan de dagen die we ledig doorgebracht hebben, aan de ogenblikken waarin ons hart wrokkig was, enz. Het zijn ervaringen die helaas niet zeldzaam zijn, die ons doen smeken: “Heer, Vader, vergeef ons onze schulden”. Zo vragen wij aan God vergeving.

Bij nader toezien, zou de aanroeping zich ook tot dit eerste deel kunnen beperken; dat zou al mooi zijn. Maar in de plaats daarvan, verbindt Jezus haar onlosmakelijk met een tweede, zodat ze een eenheid worden. De verticale relatie van Gods welwillendheid is geroepen zich om te zetten in een nieuwe, een horizontale relatie met onze broeders. De goede God nodigt ons allemaal uit goed te zijn. De twee delen van de aanroeping zijn verbonden door een meedogenloze verbinding: wij vragen aan de Heer onze schulden, onze zonden te vergeven “zoals” wij onze vrienden vergeven, onze naasten, onze buren, de mensen die ons iets aangedaan hebben.

Elke christen weet dat er voor hem vergeving van zonden bestaat, dat weten wij allemaal: God vergeeft alles en altijd. Wanneer Jezus aan Zijn leerlingen het gelaat van God beschrijft, doet Hij dat met trekken van tedere barmhartigheid. Hij zegt dat er meer vreugde is in de hemel voor een zondaar die zich bekeert dan voor een menigte rechtvaardigen die geen bekering nodig hebben (cf Lc 15,7.10). Niets in de Evangelies laat denken dat God de zonden niet vergeeft van wie een goede gesteltenis hebben en vragen om opnieuw omarmd te worden.

Maar Gods zo overvloedige genade is altijd een uitdaging. Wie zoveel gekregen heeft, moet even veel leren geven en niet voor zich houden wat hij gekregen heeft. Wie zoveel gekregen heeft, moet leren even veel te geven. Het is geen toeval dat het Evangelie volgens Matteüs, onmiddellijk na het Onze Vader, met de zeven beden , de broederlijke vergeving nog eens benadrukt: “Want als gij de mensen hun fouten vergeeft, zal uw hemelse Vader ook u vergeven; maar als gij niet vergeeft aan de mensen, zal ook uw hemelse Vader uw fouten niet vergeven” (Mt 6,14-15). Dat is sterk! Soms heb ik mensen horen zeggen: ik zal die mens nooit vergeven! ik zal nooit vergeven wat ze mij aangedaan hebben! Maar als ge niet vergeeft, zal God u niet vergeven. Dan slaat ge de deur toe.

Laten we nadenken of wij in staat zijn te vergeven of dat we niet vergeven. Toen ik in een ander bisdom was, zei een priester me beangstigd, dat hij de laatste sacramenten had gegeven aan een vrouw die op sterven lag. De arme vrouw kon niet spreken. En de priester zei haar: mevrouw, heeft u berouw over uw zonden? De dame knikte ja. Dat is voldoende want zij kon niet spreken. En ook: vergeeft ge de anderen? En de dame knikte op haar sterfbed: nee. De priester was erdoor beangstigd. Als ge niet vergeeft, zal God u niet vergeven.

Laat ons nadenken of wij vergeven of in staat zijn te vergeven. – Vader, dat kan ik niet, de mensen hebben mij zoveel aangedaan! – Als ge het zelf niet kunt, vraag dan aan de Heer u de kracht te geven om het te doen: Heer, help mij te vergeven. We vinden hier de band tussen de liefde voor God en de liefde voor de naaste. Liefde roept op tot liefde, vergeving tot vergeving. Ook bij Matteüs vinden wij een heel sterke parabel over broederlijke vergeving (cf 18,21-25). Luisteren we ernaar.

Er was een dienaar die tegenover zijn koning een enorme schuld had: tienduizend talenten! Een onmogelijk bedrag om terug te betalen; ik weet niet wat dit vandaag zou vertegenwoordigen, maar zeker honderden miljoenen. Maar, het wonder gebeurt, en die dienaar krijgt niet een verlenging van de terugbetalingstermijn, maar volledige kwijtschelding. Onverwachte gratie! Maar zie nu wat diezelfde dienaar onmiddellijk daarna met zijn broeder doet, die hem honderd denariën – weinig – schuldig is. Al is het een doenbare som, toch aanvaardt hij geen excuses noch smeekbede. Bijgevolg roept de meester hem op het einde en laat hem veroordelen. Want als ge niet wilt vergeven, zult ge niet vergeven worden; als ge niet probeert te beminnen, zult ge evenmin bemind worden.

Jezus integreert de kracht om te vergeven in de menselijke relaties. In het leven wordt alles niet opgelost met rechtvaardigheid. Nee. Vooral daar waar een grens aan het kwaad moet gesteld worden, is iemand nodig die meer bemint om een geschiedenis van gratie te kunnen beginnen. Kwaad kent wraak, en als het niet doorbroken wordt, riskeert het zich te verspreiden en heel de wereld te verstikken.

De wet van oog om oog, tand om tand, wordt door Jezus vervangen door de wet van de liefde: wat God voor mij gedaan heeft, geef ik aan u terug! Bedenken wij vandaag, in deze heel mooie Paasweek, of we in staat zijn te vergeven. En als ik mij daar niet toe in staat voel, moet ik aan de Heer de genade vragen om te vergeven, want kunnen vergeven is een genade.

God geeft aan elke christen de genade een geschiedenis van goedheid te schrijven in het leven van zijn broeders, vooral van hen die hem iets aangedaan hebben. Door een woord, een omhelzing, een glimlach, kunnen wij aan anderen het meest kostbare doorgeven dat wij gekregen hebben. Wat is het meest kostbare dat wij gekregen hebben? De vergeving, die wij aan anderen moeten kunnen geven.

Terug naar overzicht