Commentaren op de Regel van de H. Benedictus (II)2016-12-08T00:16:16+01:00

Commentaren op de Regel van de H. Benedictus (II)

U vindt de commentaren over meerdere pagina’s verdeeld.
Deel I bevat de hoofdstukken I t/m VII, dit deel de hoofdstukken vanaf VIII.

In de kloosters wordt de Regel dagelijks voorgelezen volgens een rooster. Volgens dit rooster komt telkens in een periode van vier opeenvolgende maanden de Regel in zijn geheel aan bod. De commentaren die wij publiceren, zijn van de hand van Dom Mark Daniel Kirby, prior van Silverstream Priory in Ierland (u leest hier meer over op deze pagina).

De teksten van de Regel die wij hier gebruiken, vindt u onder meer op de internetpagina’s van IntraText.com. Voor de teksten uit de Heilige Schrift is gebruik gemaakt van de Willibrordvertaling editie 1984, © 1977 Katholieke Bijbelstichting te Boxtel.
Voor de psalmen echter de vertalingen van het Getijdenboek, © 1990 Nationale Raad voor Liturgie te Zeist. Hiervan is alleen afgeweken als de bedoeling of strekking van het commentaar van Dom Mark onduidelijk zou worden.

Waar Benedictus spreekt van het Opus Dei of het Werk Gods, bedoelt hij het bidden van het Officie [koorgebed]. Het brevarium is het brevier ofwel het getijdenboek, het psalter de verzameling van alle 150 psalmen en de gewone hymnen.

In Benedictus’ tijd bestond het Officie uit acht getijden:

  • Metten – om middernacht
  • Lauden – rond zonsopgang
  • Priem – rond 6 uur
  • Terts – rond 9 uur
  • Sext – rond 12 uur
  • None – rond 15 uur
  • Vespers – rond 17 uur
  • Completen – rond 20 uur
De huidige indeling is de volgende:

  • Inleidend gebed
  • Lezingendienst
  • Morgengebed (Lauden)
  • Middaggebed
  • Avondgebed (Vespers)
  • Dagsluiting (Completen)

De cursieve namen worden ook nu nog vaak gebruikt. De eerste twee worden meestal samengevoegd tot de Metten.


Naar deel I (hoofdstukken I-VII)

Over het koorgebed in de nacht

volgende
vorige
naar boven

HOOFDSTUK VIII. Over het koorgebed in de nacht

  • 10 februari, 11 juni, 11 oktober (VIII,1-4)
  • In de winter, dat wil zeggen van begin november tot Pasen staat men op op het achtste uur van de nacht volgens de gewone berekening, zodat men iets langer slaapt dan de halve nacht en bij het opstaan dus goed is uitgerust.
    De tijd die na de nachtgetijden overschiet, wordt door de broeders die nog iets uit het boek van de psalmen of van de lessen moeten leren voor die studie gebruikt.
    Vanaf Pasen daarentegen tot aan bovenvernoemd begin van november wordt het uur van opstaan zo gekozen, dat de nachtgetijden – na een heel korte tussenpoos, waarin de broeders zich omwille van de behoeften van de natuur kunnen verwijderen – aanstonds gevolgd worden door de ochtendgetijden, die bij het aanbreken van de dag gehouden worden.

De overgang van Hoofdstuk VII (Over de nederigheid) naar Hoofdstuk VIII (Over het koorgebed in de nacht) is feitelijk de overgang van de monnik passage van het lijden en de dood van Christus naar zijn heilige opstanding, zijn hemelvaart en zijn priesterschap in heerlijkheid, want “Want Christus is niet het heiligdom binnengegaan dat – door mensenhanden gemaakt – slechts een symbool is van het waarachtige heiligdom; Hij is de hemel zelf binnengegaan om er nu voor onze zaak bij God present te zijn” (Hebr. 9,24). De hoofdstukken V (Over de gehoorzaamheid), VI (Over de stilte) en VII (Over de nederigheid) beschrijven de middelen waardoor een monnik langzaam – en niet zonder tranen, vallen en uren van duisternis – omgevormd wordt tot een levend beeld van de Lijdende Dienaar. Dit is precies het programma dat Sint Benedictus voor zijn zonen uiteenzet aan het slot van de Proloog van de heilige Regel (verzen 49-50):

Naarmate men echter voortgang maakt in het monniksleven
en in het geloof, verruimt zich het hart en snelt men met een onuitsprekelijk blije liefde voort langs de weg van Gods geboden. Laten wij dan ook nooit afwijken van hetgeen Hij ons geleerd heeft, maar in zijn leer tot aan de dood in het klooster volharden om door ons geduld deel te nemen aan het lijden van Christus, en zo te verdienen om ook deelgenoten te worden van zijn Rijk. Amen.

Op het hoogtepunt van de twaalf trappen van nederigheid, treedt de monnik in het slachtoffer-zijn van Jezus Die “het hoofd boog en de geest gaf” (Joh. 19,30). Een mens komt het klooster binnen om zichzelf op het altaar te plaatsen, om geslachtofferd te worden met Christus, “het Lam dat geslacht was van de grondlegging der wereld” (Apok. 13,8) [1]. Een mens komt het klooster binnen om te leven en te sterven in de handen van Christus de Priester, als een slachtoffer overgeleverd aan de Vader. Het Benedictijner leven kan niet verstaan worden los van deze identificatie met Christus, “het volmaakte offer, het heilig offer, het vlekkeloos offer” [2]. De uiteindelijke betekenis van het Benedictijnse leven, zoals blijkt uit Benedictus’ eigen eucharistische dood, ligt in het priester- en slachtofferschap van Christus op het altaar van het Kruis en in het heilig Misoffer. De hoofdstukken V, VI, en VII van de Regel zijn de drie treden waardoor een mens opklimt naar het altaar waarop zijn leven – zoals Sint Augustinus zegt in Boek X van De stad van God – een sacrificium, een offer dat aan God wordt toegeheiligd. Iets wat geslachtofferd is kan niet worden hersteld in zijn eerdere gebruik. Slachtoffering is dat waardoor een zaak – of een persoon – onherroepelijk aan God wordt toegeheiligd, erop vertrouwend dat Hij aanvaardt wat geofferd is, teneinde het vrucht te doen dragen, en het te doen opstaan tot zijn eigen eer.

En nu, broeders, smeek ik u,
bij de genade Gods: wijd uzelf aan Hem toe als een levende, heilige offergave, die Hij kan aanvaarden; dat is de geestelijke eredienst die u past (Rom. 12,1).

Het hoofd van Christus gebogen in de dood, dat Sint Benedictus oproept in de 12e trap van nederigheid (VII,62-66) wordt in Hoofdstuk VIII het hoofd van Christus de Hogepriester in glorie geheven:

Uw macht, Heer, geeft de Koning vertrouwen,
uw bijstand maakt hem onzegbaar verheugd. De wens van zijn hart hebt Gij altijd bewilligd, de vraag van zijn lippen wijst Gij niet af. Gij hebt hem bedacht met uw rijkste zegen, zijn hoofd gekroond met een gouden kroon. Hij vroeg U om leven: hij heeft het gekregen, lengte van dagen tot honderd jaar. Groot is zijn aanzien dank zij uw bijstand, met luister en pracht overlaadt Gij hem. Gij hebt hem gemaakt tot een zegen voor ieder, de glans van uw aanschijn brengt hem geluk.
(Psalm 20,2-7)

Hoofdstuk VIII opent Sint Benedictus’ behandeling van het Opus Dei, het Werk Gods, dat niets anders is dan het deelhebben van de Kerk in de tijd aan het glorievolle priesterschap van de verrezen en opgevaren Christus in eeuwigheid. Sint Benedictus begint met het koorgebed in de nacht – zo kunnen wij denken – omdat de opstanding van de Heer plaatshad in de verborgenheid van de nacht.

O waarlijk heilige nacht,
de enige die tijd en uur mocht kennen waarop Christus uit de doden verrees! Dit is de nacht waarvan geschreven staat: Voor u is het donker niet duister, de nacht zo licht als de dag. Deze heilige nacht verjaagt de zonden en vergeeft de schulden; de gevallenen richt zij op, de bedroefden maakt zij blij!
(Uit het Exultet – de Paasjubelzang)

Noten

[1] Een andere Nederlandse vertaling van vers 13 is: “[… ieder wiens naam niet] vanaf de grondlegging der wereld af geschreven is in het boek des levens van het Lam dat geslacht is”. Het origineel in de Vulgaat (et adorabunt eum omnes qui inhabitant terram quorum non sunt scripta nomina in libro vitae agni qui occisus est ab origine mundi) ondersteunt de lezing “het Lam dat geslacht was van de grondlegging der wereld”.

[2] Eucharistisch Gebed I versie B (Romeinse Canon) in de uitgave 1980 van de Vereniging voor Latijnse Liturgie. In latere edities luidt de tekst: “dit ongebroken, vlekkeloze Lam, …”


Bied Hem jubelend uw psalmen

volgende
vorige
naar boven

HOOFDSTUK IX. Hoeveel psalmen in de nachtgetijden gezongen moeten worden

  • 11 februari, 12 juni, 12 oktober (IX,1-10)
  • In de winter, zoals wij die hierboven omschreven hebben, wordt eerst driemaal het vers gezongen: “Heer, open mijn lippen en mijn mond zal uw lof verkondigen”. Daarop volgt psalm 3 met “Eer aan de Vader”. Hierna psalm 95 (94) met antifoon of anders zonder onderbreking doorgezongen. Daarna volgt de ambrosiaanse hymne; daarna zes psalmen met hun antifonen.
    Als deze gezongen zijn en het vers gezongen is, spreekt de abt de zegen uit, en terwijl allen op hun banken gezeten zijn, lezen de broeders, elkaar afwisselend, drie lessen uit het boek op de lessenaar. Na elk van deze lessen wordt een responsorie gezongen: twee responsories worden gezongen zonder “Eer aan de Vader”, maar na de derde les zingt hij die voorzingt het “Eer aan de Vader”. Zodra de zanger dit aanheft, staan allen van hun banken op uit eerbied en ontzag voor de Heilige Drie-eenheid.
    Gelezen worden in de nachtgetijden de door God geïnspireerde boeken van het Oude zowel als van het Nieuwe Testament: maar ook de uitleg daarvan, zoals erkende en rechtgelovige katholieke Vaders die hebben gegeven. Na deze drie lessen met haar responsories volgen de andere zes psalmen, die met Alleluja gezongen worden. Daarna volgt een les uit de Apostel die uit het hoofd wordt opgezegd, het vers, het litaniegebed “Kyrie eleison”, en zo eindigen de nachtgetijden.

Bereid uw ziel voor

Psalm 3, die dagelijks herhaald wordt, komt overeen met het portaal van de geweldige tempel van de nachtgetijden (ook genaamd Metten, Vigilies en Nocturnen); het is een act van voorbereiding. Zegt niet de wijze Sirach “Bereid uw ziel voor vóór gij bidt, en wees niet als een man die God op de proef stelt” (Sir 18,23)?

Heer, hoe talrijk zijn mijn belagers,
dreigend komen zij op mij af.
Overal hoor ik ze roepen:
‘Redding bij God vindt hij niet’.
Toch zijt Gij, Heer, mijn
schild,
Gij geeft mij eer en aanzien.
Altijd wanneer ik
roep tot de Heer
antwoordt Hij mij van zijn heilige berg.
Veilig kan ik gaan rusten en slapen,
ik zal weer opstaan,
want de Heer staat mij bij.
Duizenden vijanden zal ik niet
vrezen,
ook al dringen zij wild om mij heen.
Heer, richt
U op en kom nader,
kom mij te hulp, mijn God!
Gij die
mijn vijand de kaak verbrijzelt,
Gij die de tanden der
zondaars breekt.
Ja, bij de Heer is redding,
zegen dan,
Heer, uw voLc.

Slaap en opstaan, dood en opstanding

Sint Benedictus beginnen de nachtgetijden met Psalm 3 vanwege zijn opmerkelijke Christologische inhoud: “Veilig kan ik gaan rusten en slapen, ik zal weer opstaan want de Heer staat mij bij” (Ps 3,6). De heilige patriarch zou zijn monniken willen laten ingaan in de genade van identificatie – en werkelijke vereniging – met Christus in het mysterie van Zijn dood en opstanding. Slaap is een beeld van dood, en ’s morgens opstaan is een beeld van de opstanding. Al wat de monnik doet, van zijn hoofd neer te leggen tot weer rechtop staan in de morgen, wordt ingevoegd in de mysteries van Christus. “Ikzelf leef niet meer, Christus is het die leeft in mij. Voor zover ik nu leef in het vlees, leef ik in het geloof in de Zoon van God, die mij heeft liefgehad en zichzelf overgeleverd heeft voor mij” (Gal. 2,20).

De Nieuwe Adam in de Slaap of Dood

En de Heer God sprak: ‘Het is niet goed dat de mens alleen blijft, laat Ons een hulp voor hem maken die bij hem past’. … Toen liet de Heer God de mens in een diepe slaap vallen; en terwijl hij sliep, nam Hij één van zijn ribben weg en zette er vlees voor in de plaats. Daarna vormde de Heer God uit de rib die Hij bij de mens had weggenomen, een vrouw, en bracht haar naar de mens. Toen sprak de mens: ‘Eindelijk been van mijn gebeente en vlees van mijn vlees! Mannin zal zij heten, want uit de man is zij genomen’ (Gen. 2,18.21-23).

Jezus, de nieuwe Adam, sliep de doodsslaap op het huwelijksbed van het kruis; het was tijdens deze slaap dat zijn Bruid, de Kerk, de nieuwe Eva geboren werd uit zijn heilige zijde. De monnik weet dat de Heer zijn beminden in de slaap schenkt. Wanneer de ziel slaapt, dood voor alles rondom, maakt God haar het meest vruchtbaar.

Oproep tot aanbidding

Direct na psalm 3 volgt het uitnodigingingsvers; dit is, zoals de naam suggereert, een dringende oproep tot aanbidding. Venite, adoremus. Het vormt de narthex, het voorportaal van de nachtgetijden; vanuit de narthex ziet de ziel in de tempel en ziet, in de verte, het altaar en het tabernakel van de Goddelijk Aanwezigheid, het object van al haar verlangens.

Het uitnodigingingsvers (bij wijze van voorbeeld dat voor Kerkleraren) wordt tweemaal gezongen vóór psalm 95 (94), en daarna in zijn geheel of deels herhaald tussen de strofen van de psalm en na de doxologie (Eer zij de Vader…).

Psalm 95 (94)
De Heer is
de bron van alle wijsheid; *
Komt, laat ons Hem
aanbidden.
De Heer is de bron van alle wijsheid; *
Komt, laat ons Hem aanbidden.

Komt, laat ons de
Heer met gejubel begroeten,
juichen wij toe de Rots van ons
heil.
Laat ons verschijnen voor Hem met een lofzang,
Hem
met liederen eren.
De Heer is de bron van alle wijsheid;
*
Komt, laat ons Hem aanbidden.

Een machtige
God immers is de Heer,
koning is Hij over alle goden.
De
aarde ligt uitgespreid in zijn hand,
aan Hem behoren de
toppen der Bergen.
Komt, laat ons Hem aanbidden.
De zee is van Hem, Hij heeft haar gemaakt,
zo goed als het
land, door zijn handen gevormd.
Komt, werpen wij ons
aanbiddend ter aarde,
knielen wij neer voor Hem Die ons
schiep.
Hij is onze God en wij zijn volk,
Hij is de
Herder en wij zijn kudde.
De Heer is de bron van alle
wijsheid; *
Komt, laat ons Hem aanbidden.

Luistert heden dan naar zijn stem:
Weest niet halsstarrig
als eens in Meriba,
zoals in Massa in de woestijn,
uw
vaderen Mij wilden tarten,
zij mijn daden hadden gezien.

Komt, laat ons Hem aanbidden.

Veertig jaar stond dit
volk Mij tegen,
Ik sprak: zij zijn toch een dolend volk,
zij kennen mijn wegen niet.
Daarom heb Ik in gramschap
gezworen:
nimmer vinden zij rust bij Mij.
De Heer is
de bron van alle wijsheid; *
Komt, laat ons Hem
aanbidden.

Eer aan de Vader en de Zoon,
en de
Heilige Geest.
Zoals het was n het begin en nu en altijd,
en in de eeuwen der eeuwen. Amen.
Komt, laat ons Hem
aanbidden.
De Heer is de bron van alle wijsheid; *
Komt, laat ons Hem aanbidden.

Psalmodie

Het is de gewoonte om twee cantors het uitnodigingsvers eenmaal te laten zingen; daarna valt het hele koor in. De cantors zingen de psalm in verzen; het koor herhaalt het uitnodigingsvers in zijn geheel of gedeeltelijk na ieder vers. De traditie van de Kerk om te psalmodiëren laat psalmodie in verzen (d.w.z. vier, vijf of zes regels) alleen toe voor de inleidingspsalm en nu, in de novus Ordo Missae (het nieuwe Misformulier), voor de antwoordpsalm die, in plaats van het Graduale, wordt gezongen tijdens de Mis. De gewone psalmodie in het Goddelijk Officie wordt gezongen in strofen van twee regels (mediant en slot) met een enkele strofe van drie regels, wat een flexus (buiging) voor de eerste regel vereist.

Lectio (lezing) en overweging

Dit samenspel van stemmen is belangrijk; de heilige liturgie verplicht ons tot luisteren (lectio, lezing) en stem te geven aan wat wij hebben gehoord. De herhaling van de antifoon is ameditatio, in de oorspronkelijke betekenis, dat wil zeggen een herhaling met het oog op het zich met het hart eigen maken van de tekst.


Op aarde zoals in de hemel

volgende
vorige
naar boven

HOOFDSTUK X. Hoe in de zomer de nachtgetijden gevierd worden

  • 12 februari, 13 juni, 13 oktober (X,1-3)
  • Van Pasen tot begin november moet men het volle aantal psalmen, dat hierboven is vastgesteld, aanhouden; alleen worden de lessen uit het boek niet gelezen, omdat de nachten te kort zijn, maar wordt in plaats van die drie lessen er één uit het Oude Testament uit het hoofd opgezegd, die dan gevolgd wordt door een kort responsorie. Al het overige vindt plaats zoals reeds gezegd is. Dat wil dus zeggen, dat er in de nachtgetijden nooit minder dan twaalf psalmen gezongen worden, psalm 3 en psalm 95 (94) niet meegerekend.

De Psalmodie of Metten

Rekening houdend met de korte duur van de zomernachten, kort Sint Benedictus de nachtgetijden (Metten of Vigilies) in tot hun essentiële onderdeel: de psalmodie, waarbij hij bepaalt dat “er in de nachtgetijden nooit minder dan twaalf psalmen gezongen worden, psalm 3 en psalm 95 (94) niet meegerekend.” Het is duidelijk dat, voor Sint Benedictus, dat wat, meer dan al het andere, telt, de trouw is aan de vastgestelde regel van de psalmodie.

Iedere monnik (en oblaat) zal, bijgevolg, een diepe gehechtheid ontwikkelen aan het dagelijks opdragen van psalmen dat het ritme zelf van het Benedictijnse leven vormt. Terwijl kloosters, door de Heilige Regel, dagelijks gebonden zijn aan de veertien psalmen van de nachtgetijden, zullen oblaten, levend in een wereld met gezinsverplichtingen, niet in staat zijn om er zoveel op zich te nemen. Er zullen oblaten zijn die, bijvoorbeeld, niet meer zeggen dan de psalmen 3 en 95 (94) voor hun Metten, of zelfs alleen psalm 95. Zij zullen dit doen in grote gemoedsrust, en troost ontlenen aan het feit dat in het klooster van hun oblatuur dag en nacht de volledige cyclus van de psalmodie namens hen aan God wordt aangeboden.

De verwijzing naar een vredig en welgeordend hart

Sint Athanasius schrijft in zijn brief aan Marcellinus:

Als … de psalmen gereciteerd worden, gebeurt dat niet vanuit
louter een verlangen naar mooie muziek maar als de uiterlijke
uitdrukking van de innerlijke harmonie die in de ziel heerst,
omdat zulke harmonieuze recitatie zelf de verwijzing is naar een
vredig en welgeordend hart. God op melodieuze wijze te prijzen
op een instrument, zoals goedgestemde cymbalen, cithers of de
tiensnarige harp, is, zoals wij weten, een uiterlijk teken dat
de ledematen van het lichaam en de gedachten van het hart, als
de instrumenten zelf, in goede orde zijn en goed bespeeld
worden, alle levend en bewegend door de roep en de adem van de
Geest. En overeenkomstig, zoals geschreven staat dat Door de
Geest een mens leeft en zijn lichaam kastijdt [cf. Rom 8,13], zo
stemt hij die zingt zijn ziel, waarbij hij stapsgewijs zijn
onjuiste ritme corrigeert zo dat uiteindelijk, geheel natuurlijk
en geïntegreerd, het nergens voor vreest, maar in vredig
vrij-zijn van alle ijdele verbeelding zich met groter verlangen
toelegt op de goede dingen die komen. Want een ziel die juist
geordend is door de heilige woorden te reciteren vergeet zijn
eigen droefenis en overweegt met vreugde de dingen van Christus
alleen.

Aldus, mijn zoon, laat wie ook dit Boek der
Psalmen leest de zaken daarin eenvoudig als door God
geïnspireerd aannemen; en laat ieder, zoals van de vruchten uit
een tuin, er die dingen uit kiezen waarvan hij ziet dat hij er
nood aan heeft. Want ik meen dat de woorden van dit boek het
hele mensenleven beslaan, met al zijn gesteltenissen en
gedachten, en dat niets méér in de mens gevonden kan worden.
Want wat je ook zoekt, hetzij berouw en belijdenis, of hulp in
moeilijkheden en bekoring of in vervolging, of je bevrijd bent
van machinaties [samenzweringen] en strikken of, integendeel, om
enige reden bedroefd bent, of als je, terwijl je jezelf ziet
vooruitgaan en je vijand neergeworpen worden, de Heer wilt
prijzen en danken en zegenen – van elk van deze zaken tonen de
Goddelijke Psalmen je hoe je ze moet doen, en in alle gevallen
zijn de woorden die je zoekt voor je opgeschreven, en je kunt ze
uitspreken als de jouwe.

HOOFDSTUK XI. Hoe de nachtgetijden gezegd moeten worden op zondagen

  • 13 februari, 14 juni, 14 oktober (XI,1-13)
  • ’s Zondags staat men vroeger op voor de nachtgetijden. Voor deze nachtgetijden moet men binnen de volgende maat blijven: nadat er eerst zoals wij boven hebben vastgesteld, zes psalmen en een vers gezongen zijn, gaan allen ordelijk en volgens rang op de banken zitten en worden er uit het boek – zoals we boven reeds zeiden – vier lessen gelezen met haar responsories [antwoordverzen], waarbij alleen na het vierde responsorie door de zanger het “Eer aan de Vader” gezongen wordt. Zodra hij dit aanheft, staan allen eerbiedig op.
    Na deze lessen volgen zes andere psalmen in numerieke volgorde met hun antifonen evenals de voorafgaande, en het vers. Daarna worden weer vier andere lessen gelezen met haar responsories op dezelfde manier als boven.
    Hierna zingt men drie kantieken uit de profeten, die de abt heeft aangewezen. Deze kantieken worden met Alleluja gezongen. Als ook het vers gezongen is en de abt heeft de zegen gegeven, worden er weer vier lessen gelezen uit het Nieuwe Testament op voornoemde wijze.
    Na het vierde responsorie heft de abt de hymne “U, God, loven wij” aan. Zodra die geheel gezongen is, leest de abt de les uit het Evangelie, waaronder allen staan met eerbied en ontzag.
    Als die geëindigd is, antwoorden allen: “Amen”, en de abt laat dan onmiddellijk de hymne volgen “U komt lof toe”. Nadat hij de zegen heeft gegeven, beginnen de ochtendgetijden.
    Deze regeling van de nachtgetijden blijft voor de zondag het gehele jaar door van kracht, ‘s zomers zowel als ‘s winters; of het moest ongelukkigerwijs gebeuren dat men te laat opstaat, want dan moeten de lessen of responsories wat worden ingekort. Er moet echter zorgvuldig gewaakt worden, dat dit nooit voorkomt. Mocht het toch gebeuren, dan moet hij door wiens nalatigheid het is voorgevallen, daarvoor op een aangepaste wijze in het koor voldoening brengen aan God.

In eerbiedige aanbidding van de Allerheiligste Drie-eenheid

Sint Benedictus, als praktisch man, plaatst het tijdstip van de nachtgetijden op zondagen naar voren vanwege hun lengte. De belangrijke veertien psalmen staan al gereed. Na de psalmodie van de eerste nocturne (de eerste wacht) zijn er vier lezingen en responsoria: een afwisseling van lectio (lezing) en meditatio (overweging). Sint Benedictus maakt de vierde responsorie plechtiger door het te besluiten met het Eer aan de Vader; tijdens het reciteren van de doxologie staan de monniken op uit eerbied voor de Drie-ene God en buigen, overeenkomstig het traditionele gebruik, diep in aanbidding.

De kantieken en de Apostel

De tweede nocturne verloopt als de eerste, maar wordt gevolgd door een derde nocturne, bestaande uit drie kantieken uit het Oude Testament vergezeld van een alleluja-antifoon. Aldus orkestreert Sint Benedictus een liturgisch opstijgen naar de proclamatie van het Heilig Evangelie dat het hoogtepunt is van de nachtgetijden op zondag. Na de kantieken van de derde nocturne, verschijnt de Apostel Paulus als heraut van de genade van de verrezen Christus; er zijn gewoonlijk vier lezingen genomen uit zijn brieven.

Het Te Deum

Na het vierde responsorie, zet de abt de grote hymne van dankzegging in, het Te Deum. Het Te Deum fungeert als onmiddellijke voorbereiding op het aanhoren van het Heilig Evangelie, zoals het Alleluja in de H. Mis. Lofprijzing gaat aan de proclamatie van het H. Evangelie vooraf omdat lofprijzing het hart verwijdt van vreugde en de geest verheft tot de schoonheid van God en tot zijn volmaaktheid. Slechts een Aldus verwijd hart kan het Evangelie juist en vruchtbaar aanhoren.

U, God, loven wij; U, Heer, prijzen wij.
Eeuwige Vader, U eert de ganse aarde.
U roepen alle engelen,
U roepen de hemelen en alle machten,
U roepen de Cherubijnen
en Serafijnen onophoudelijk toe:
Heilig, heilig, heilig is
de Heer, de God der heerscharen.
Hemel en aarde zijn vol van
de luister van uw heerlijkheid.
U verheerlijkt het roemrijk
koor van de apostelen,
U prijst het lofwaardig getal van de
profeten,
U looft de heerlijke schare van de martelaren.
Over de gehele aarde belijdt U de Heilige Kerk:
De Vader van
de onmetelijke heerlijkheid;
Uw aanbiddelijke, ware en ene
Zoon;
Alsmede de Vertrooster, de Heilige Geest.
Gij,
Koning van de heerlijkheid, Christus,
Gij zijt de eeuwige
Zoon van de Vader.

Gij hebt de schoot van de Maagd niet
afgewezen
om mens te worden voor onze verlossing.
Gij hebt door de overwinning op de zonde en de dood
het
rijk van de hemelen voor de gelovigen geopend.
Gij zetelt
aan de rechterhand van God in de heerlijkheid van de Vader.
Wij geloven dat Gij eens als rechter ten oordeel zult komen.

(Hier knielt men)

Daarom smeken wij U: kom uw dienaren
te hulp,
die Gij met uw kostbaar bloed hebt vrijgekocht;
Geef dat zij in de heerlijkheid onder uw heiligen gerekend mogen
worden.

Heer, red uw volk en zegen uw erfdeel.
En
bestuur hen, en verhef hen tot in eeuwigheid.
Alle dagen
prijzen wij U,
En wij loven uw naam in eeuwigheid, in de
eeuwen der eeuwen.
Heer, wil ons heden zonder zonde bewaren.
Ontferm U over ons, Heer, ontferm U over ons.
Laat uw
barmhartigheid over ons komen, Heer,
zoals wij op U
hebben vertrouwd.
Op U, Heer, heb ik vertrouwd;
in
eeuwigheid zal ik niet beschaamd worden.

Met ontzag en eerbied

Tegen het eind van het Te Deum brengt een dienaar de abt (of prior) de stola in de liturgische kleur van de dag (of Prior). Als het Evangelieboek niet naar de abt (of prior) wordt gedragen op zijn plaats in het koor, gaat hij naar de lezenaar in het midden van het koor en reciteert de aangewezen Evangelieplaats terwijl, zoals Sint Benedictus zegt, “allen staan met eerbied en ontzag.” Het belang dat hier gehecht wordt aan eerbied en ontzag is typisch Benedictijns; het is uitdrukking van het heilzame van religie.

Zeker komt Hij spoedig

Het liturgische Evangelie van de Metten is, volgens de eerbiedwaardige abt Herwegen van Maria Laach, een soort ofparousia, een epifanie (openbaring) van de verrezen Christus te midden van zijn Kerk, en een verwachten van zijn komst in heerlijkheid aan het eind van de nachtwake van de geschiedenis. Het is daarom passend dat het antwoord op het Evangelie het Amen is waarmee Johannes het Boek van de Apocalyps besluit; een Amen dat de wederkomst van de Heer in heerlijkheid verwacht: “Hij die dit alles waarborgt, zegt: ‘Ja, Ik kom spoedig’. Amen. Kom, Heer Jezus! De genade van onze Heer Jezus Christus zij met u allen. Amen” (Apok. 22,20-21).

Een verwachten van de hemel

Het Amen leidt naar een volgende zang van lofprijzing: Sint Benedictus ziet zich verplicht het laatste woord te geven aan de verheerlijking van de Allerheiligste Drie-eenheid. De abt (of prior) zet het Te Decet Laus in.

U komt de lof toe, U het gezang,
U alle glorie:
o Vader, o
Zoon, o Heilige Geest,
in alle eeuwen der eeuwen. Amen.

Dit Te Decet Laus vervolmaakt de atmosfeer van lofprijs rondom het Heilig Evangelie. Terwijl de lofprijs van het Te Deum aan het Heilig Evangelie voorafgaat, het sacrament van Christus’ tegenwoordigheid te midden van zijn Kerk, volgt de lofprijs van het Te Decet Laus het. Deze atmosfeer van lofprijzing is de atmosfeer zelf van de hemel. Monniken doen op aarde wat engelen en heiligen, verzameld rondom het Lam, zonder ophouden doen in de hemel.


Bij het eerste morgenlicht

volgende
vorige
naar boven

HOOFDSTUK XII. Hoe de dienst van de Lauden gevierd wordt

  • 14 februari, 15 juni, 15 oktober (XII,1-4)
  • In de ochtendgetijden op zondag zingt men eerst psalm 66 zonder antifoon en zonder onderbreking. Daarna wordt psalm 50 gezongen met Alleluja. Daarna zingt men psalm 117 en psalm 62. Vervolgens de Zegeningen en de lofpsalmen; één les uit de Apocalyps, die uit het hoofd wordt opgezegd en een responsorie, de ambrosiaanse hymne, het vers, het kantiek uit het Evangelie, de litanie en daarmee wordt de dienst besloten.

Psalm 67 (66)

Sint Benedictus begint de Lauden elke dag met psalm 66. In het ochtendlicht wil Sint Benedictus zijn monniken een symbool tonen van de schittering die van Gods aangezicht straalt. “God, Die gezegd heft: Licht moet schijnen uit het duister, is als een licht in onze harten opgegaan, om de kennis te doen stralen va zijn heerlijkheid, die ligt over het gelaat van Christus” (2 Kor. 4,6).

God zij ons genadig en zegene ons,
Hij late zijn aanschijn over
ons lichten;
Opdat men op aarde uw wegen mag kennen,
in
alle landen uw heil.
Geef dat de volken U eren, o God,
dat alle volken U eren.
Laat alle naties van vreugde
juichen,
omdat Gij de volken rechtvaardig regeert
en
alles op aarde bestuurt.
Geef dat de volken U eren, o God,
dat alle volken U eren.
De aarde gaf ons haar vruchten,
de zegen van onze God.
God geve ons zo zijn zegen
dat
heel de aarde Hem vreest.

De gezegende Vrucht van de Moeder-Maagd

“De aarde,” zingt de psalmist, “gaf ons haar vruchten.” Wat betekent deze aarde die vrucht draagt anders dan de Moeder van God, de maagdelijke bodem die niet bewerkt of ingezaaid is door de mens, maar niettemin wonderbaarlijk vruchtbaar door de Heilige Geest? “Gezegend zijt gij onder de vrouwen, en gezegend is de vrucht van uw schoot” (Lc. 1,42).

Universele lof

De herhaalde uitnodiging om God te prijzen benadrukt dat alle mensen geschapen zijn voor de lof van zijn heerlijkheid. Geen mens en geen natie op aarde zal vreugde en vrede vinden los van de lof van God. “Gezegend is God, de Vader van onze Heer Jezus Christus, die ons in de hemelen in Christus heft gezegend met elke geestelijke zegen. In Hem heeft Hij ons uitverkoren vóór de grondlegging der wereld, om heilig en vlekkeloos te zijn voor zijn aangezicht. In liefde heeft Hij ons voorbestemd zijn kinderen te worden door Jezus Christus, naar het welbehagen van zijn wil, tot lof van de heerlijkheid van zijn genade” (Ef. 1,3-6).

Psalm 51 (50) – Miserere

Degenen die niet bekend zijn met de special geest van het Benedictijnse officie, hebben zich erover verbaasd dat wij psalm 51 (50), de Miserere, de meest schrijnende van alle boetepsalmen, zingen op zondag. Voor Sint Benedictus is psalm 51 (50) het onmisbare ochtendgebed, voor zover het een psalm is van geestelijke wedergeboorte, van opstanding tot een nieuw leven, en van erkenning van de kracht van de Heilige Geest. De toespeling op besprenkeling met hysop, gereinigd, gewassen en witter gemaakt dan sneeuw, doet vermoeden dat de psalm gebeden moet worden bij het aanbreken van de dag als een hernieuwing van de genaden van het Heilig Doopsel:

Sprenkel mij met hysop dat ik rein word,
was mij dat ik witter
word dan sneeuw.
Maak mij weer ontvankelijk voor blijde
klanken,
geef mijn gekastijde lichaam nieuwe levensmoed. —
Wend uw ogen af van mijn gebreken,
scheld mij al mijn
schulden kwijt.
Schep in mij een zuiver hart, mijn God,
geef mij weer een vastberaden geest. —
Wil mij niet
verstoten van uw aanschijn,
neem uw heilige Geest niet van
mij weg.
Geef mij weer de weelde van uw zegen,
maak mij
sterk in edelmoedigheid.
Dan zal ik alle dwalenden uw wegen
leren,
alle schuldigen terugvoeren tot U.
Houd mij ver
van bloedschuld, God mijn redder,
dan bezingt mijn tong uw
wijs beleid. —
Heer, maak Gij mijn lippen los,
dat mijn
mond uw lof kan zingen.

Psalm 118 (117)

Psalm 118 (117), de Paaspsalm bij uitstek, is een goede keus voor de zondagse Lauden. Het is precies de psalm die Sint Petrus aanhaalt in zijn getuigenis over de Opstanding voor Annas en Kaiafas, en hij wordt dagelijks herhaald in de Heilige Mis gedurende het Paasoktaaf.

Gij moet allen en het gehele volk van Israël weten, dat door de naam
van Jezus Christus, de Nazoreeër, die gij gekruisigd hebt maar Die god uit de doden heft doen opstaan: dat door die naam deze man hier gezond voor u staat. Hij is de steen die door u, bouwlieden, niets waard werd geacht en toch tot hoeksteen geworden is. Bij niemand anders is dan ook de redding te vinden en geen andere Naam onder de hemel is aan de mensen gegeven waarin wij gered moeten worden (Hnd. 4,10-12)

Ik dank U dat Gij mij verhoord hebt
en dat Gij mij hebt gered.
De steen die de bouwers hebben versmaad,
die is tot hoeksteen geworden.
Het is de Heer Die dit heft gedaan,
een wonder voor onze ogen.
Dit is de dag die de Heer heft gemaakt,
wij zullen hem vieren in blijdschap (Ps. 118 [117],21-14).

Psalm 63 (62)

Nu volgt een ware morgenpsalm, een gebed van verlangen naar vereniging met God. Het is te begrijpen dat Sint Benedictus dezelfde psalm ook gebruikt in zijn plechtige Lauden.

God, mijn God zijt Gij,
ik zoek U reeds bij het ochtendgloren.
Naar U dorst mijn ziel en hunkert mijn hart
als dorre akkers
naar regen.
Zo zie ik omhoog naar de plaats waar Gij woont,
beschouw ik uw macht en uw glorie.
Meer waard dan het leven
is mij uw genade,
mijn mond verkondigt uw lof. —
Ik zal
U prijzen zolang ik leef,
mijn handen uitstrekken naar U.
Mijn ziel wordt verzadigd met voedzame spijs,
mijn mond zal
U jubelend danken.
Wanneer ik op mijn bed aan U denk,
dan blijf ik wakend over U peinzen.

De lofzang uit Daniël

Hierop volgt de Benedicite, de lofzang van de drie jongemannen uit het boek Daniël. Het is een uitnodiging aan alle schepselen tot lof aan God. In het zingen van de lofzang ervaart men het priesterschap van de mens ten opzichte van de schepping. Het is de taak van de mens om alle dingen te verzamelen voor dat waartoe ze geschapen zijn, de glorie van God, en om ze op te heffen naar de Schepper, de God en Vader van Onze Heer Jezus Christus, in één grootse offerande van lof.

De Kerk schrijft deze lofzang ook voor voor priesters bij wijze van officiële liturgische dankzegging na iedere Heilige Mis. De zalige Dom Columba Marmion sloeg nooit de Benedicite met de gebruikelijke psalmverzen over na de Heilige Mis. De heilige Ierse Benedictijn vond het simpelweg passend om alle schepselen op te roepen tot de lof van het Woord dat na de Heilige Communie sacramenteel in hem woonde.

De laudate-psalmen

Sint Benedictus behandelt de laatste drie psalmen van het psalter [psalmenboek] alsof zij één enkele symfonie van onverdunde lof waren. Ze worden gezongen met één Gloria Patri (Eer aan de Vader), niet alleen op zondag maar elke dag. Dit slotgedeelte van de psalmodie verleent aan het morgenofficie de naam van Lauden. Telkens opnieuw zingen wij laudate, en roepen Gods goede schepping op tot de lof waartoe ze bedoeld is. Dom Gabriel Sortais (1902-1963), generaal abt van de Trappisten, was bij een bepaalde gelegenheid zo opgetogen over de opgewekte opeenvolging van de laudate-psalmen, dat hij achteraf opmerkte: “Vandaag ben ik door de lauden gedanst.”

Onze Oblaten

Er zijn Oblaten die, gegeven hun plichten van staat in het leven, maar zelden het hele officie kunnen bidden. Zij doen er goed aan om een psalm van de zondagse lauden als morgengebed te kiezen. Oblaten met kleine kinderen kunnen deze laten kennismaken met de lofzang uit Daniël en de laudate-psalmen, door ze om de dag samen te bidden. Kinderen nemen lofprijzing van God gemakkelijk over, en zijn verrukt als ze alle schepselen kunnen uitnodigen om in hun lofprijzing te delen.


Splendor paternae gloriae

volgende
vorige
naar boven

HOOFDSTUK XIII. Hoe op de gewone dagen de Lauden gevierd worden

  • 15 februari, 16 juni, 16 oktober (XIII,1-11)
  • Op gewone dagen wordt de dienst van de ochtendgetijden gevierd als volgt:
    Psalm 66 wordt gezongen zonder antifoon, in een tamelijk traag tempo zoals op zondag, zodat allen op tijd kunnen komen voor psalm 50 die met antifoon gezongen wordt. Daarna zingt men naar gewoonte twee andere psalmen, namelijk:
    ‘s maandags psalm 5 en 35,
    ‘s dinsdags psalm 42 en 56,
    ‘s woensdags psalm 63 en 64,
    ‘s donderdags psalm 87 en 89,
    ‘s vrijdags psalm 75 en 91,
    ‘s zaterdags psalm 142 en dan het kantiek uit het boek Deuteronomium, dat verdeeld wordt met twee maal “Eer aan de Vader”.
    Want op de andere dagen zingt men iedere dag een eigen kantiek uit de Profeten zoals de kerk van Rome die zingt. Na dat kantiek volgen de lofpsalmen; daarna één les uit de Apostel die uit het hoofd wordt opgezegd, het responsorie, de ambrosiaanse hymne, het vers, het kantiek uit het Evangelie, de litanie en dat is het besluit.

Psalm 67 (66)

Nadat eerder de opbouw van de Lauden voor de zondagen is bepaald, hoeft Sint Benedictus nog slechts de details te regelen wat betreft de viering op weekdagen. Psalm 67 (66) (zie het commentaar hiervóór) wordt gezegd als op zondagen. Sint Benedictus, die de menselijke broosheid kent en ermee rekening houdt, zelfs in de liturgie, wil dat psalm 66 “ietwat langzaam” gereciteerd wordt zodat de achterblijvers en treuzelaars in de communiteit tijdig op hun plaats in het koor zijn voor psalm 50, de Miserere. Dit is een tekenend Benedictijns detail; het laat zien hoe Sint Benedictus rekening houdt met de menselijke zwakheid. Hij weet dat er in elke communiteit achterblijvers en treuzelaars zijn. Verbazend genoeg komt hij hen tegemoet … tot een bepaalde hoogte.

Benedictijns realisme

In dit vaderlijk voorzien voor de onvolmaakte, de niet-zo-vurige en de ploeteraar, zien wij een van de kenmerkende trekken die de Benedictijnse ascese onderscheiden van andere scholen van volmaaktheid. Sint Benedictus gaat ervan uit dat waar mensen samenleven, men het gewone rijtje armzaligheid en zwakheden ziet dat de gevallen menselijke natuur beïnvloedt. Benedictus neemt niet zijn toevlucht tot starheid. Veeleer dan de teugels aan te halen, voorziet hij in een wijze om dergelijke zwakheden harmonieus te integreren in het ritme van het dagelijks leven, ja zelfs in het Werk Gods [het zingen van de psalmen].

Korte lezing of Capitulum

Net als op zondag, volgt na de laudate-psalmen (148-149-150) een korte lezing uit Paulus, zoals deze:

Gij weet dat het uur om uit de slaap te ontwaken reeds is
aangebroken. Thans is ons heil dichterbij dan toen wij tot het geloof kwamen. De nacht loopt ten einde, de dag breekt aan. Laten wij ons dus ontdoen van de werken der duisternis en ons wapenen met het licht. Laten wij ons behoorlijk gedragen, als op klaarlichte dag (Rom. 13,11-13).

Antwoordpsalm

De antwoordpsalm volgt op de korte lezing. De 17de-eeuwse Mauristen waren genieën in het componeren van antwoordpsalmen voor hun brevarium [brevier]. Elke lezing had een antwoordpsalm die er perfect op aansloot. Hier is een voorbeeld van een antwoordpsalm bij de bovenstaande lezing, gecomponeerd in Mauristische stijl.

R. Gij hebt aan de zon en maan hun plaats gewezen;
* Naar U zie ik uit bij het ochtendgloren.
V. Ik steeg naar
de hemel, daar zijt Gij reeds. R. Naar U zie ik uit bij de
dageraad.
V. Eer aan de Vader en de Zoon, en de Heilige
Geest. R. Gij hebt aan de zon en maan hun plaats gewezen…[1]

Hymne

Sint Benedictus sluit hymnen niet uit van het Opus Dei; zijn voorkeur gaat uit naar die zijn toegeschreven aan Sint Ambrosius (340-397). Mijn favoriete hymne van de Lauden is die voor de maandag:

O hemels licht, dat God ons geeft,
licht dat in licht zijn
oorsprong heeft,
o Zoon, o zuivere fontein,
ons
daglicht, onze zonneschijn.

Ja onze zon, die stralend
staat,
die dag en nacht niet ondergaat,
geef dat uw
Geest te allen tijd
in licht en waarheid ons geleidt.

Wij roepen ook de Vader aan,
de Vader, die ons bij kan
staan,
die in het licht zijn woning heeft,
dat Hij ons
onze schuld vergeeft.

Dat Hij ons leidt, — en zie wij
zijn
naar ziel en lichaam waarlijk rein,
en door een
groot geloof vervuld,
bevrijd van dwaling en van schuld.

Als Christus onze spijze is
en het geloof tot lafenis,
dan schenkt de Geest ons goede wijn,
wij zullen nuchter
dronken zijn.

Een lichte dag zij ons bestaan,
nog
schuchter in het opengaan,
vol warm geloof als ‘t middag is
en zonder nacht of duisternis.

De dageraad verrijst zo
schoon;
o onze zon, des Vaders Zoon,
de Vader is in U en
Gij,
Gij zit aan Vaders rechterzij.

Psalmvers

Het psalmvers dat volgt, is in de gezongen getijden gesierd met een fraai melisme (vocale versiering) op de laatste lettergreep:

V. Gij schenkt ons in de ochtend volop uw zegen
R. En wij
jubelen heel de dag van geluk (Ps. 90 [89],14)

Het Benedictus

Nu volgt het Benedictus of de Lofzang van Zacharias (Lc. 1,68-79). Dit is het hoogtepunt van de Lauden, een plechtige lofzang op Christus de Orient (de opgaande zon) die ons van omhoog bezoekt om onze voeten te geleiden op de wegen van vrede. Hoewel Sint Benedictus het niet noemt, ging het reciteren van het Benedictus in zijn tijd waarschijnlijk vergezeld van een antifoon, net zoals in het officie van nu.

Geprezen zij de Heer, de God van Israël,
omdat Hij omziet naar
zijn volk en het bevrijdt.
Een redder heeft Hij ons verwekt
in het geslacht van David, zijn getrouwe;
Zoals Hij reeds
van oudsher had verklaard
bij monde van zijn heilige
profeten:
Verlossing uit de macht van onze vijanden
en
uit de hand van allen die ons haten.
Zo zal Hij onze vaderen
barmhartig zijn,
zijn heilige verbond gestand doen;
De
eed aan onze vader Abraham gezworen
ons eenmaal te verlenen;
Om aan de greep van vijanden ontrukt
Hem zonder vrees te
dienen;
In vroomheid en gerechtigheid
al onze dagen voor
zijn aanschijn. —
En gij, kind, zult profeet zijn van de
Allerhoogste,
want gij gaat voor de Heer uit om zijn weg te
banen.
Gij zult zijn volk de boodschap van verlossing
brengen
door de vergeving van hun zonden;
Dank zijde
innige barmhartigheid van onze God,
die als een nieuwe dag
voor ons zal opgaan;
Om licht te brengen in het duister en
de schaduw van de dood
en onze voeten te geleiden op een weg
van vrede.

De litanie

Sint Benedictus begint het slot van de lauden met de litanie, d.w.z., “Heer, ontferm U over ons. Christus, ontferm U over ons. Heer, ontferm U over ons.” Zelfs deze korte formule (Kyrie eleison, Christe eleison, Kyrie eleison in het Grieks) prijst in feite Christus, de zegevierende Koning, die de goddelijke aalmoezen van zijn barmhartigheid uitstrooit over zielen die tot Hem roepen.


Noot

[1] Samengesteld uit Ps. 74 [73],16; 63 [62],1; 139 [138],8. Hier is omwille van de leesbaarheid afgeweken van de oorspronkelijke Engelse tekst:
R. Thou hast made the morning light and the sun (Ps. 74 [73],16) * To thee do I watch at break of day (Ps. 63 [62],1). V. I rose up and am still with thee. (Psalm 138,18) R. To thee do I watch at break of day. V. Glory be to the Father and to the Son, and to the Holy Ghost. R. Thou hast made the morning light and the sun…


Pater noster qui es in caelis

volgende
vorige
naar boven

HOOFDSTUK XIII. Hoe op gewone dagen de Lauden gevierd worden

  • 16 februari, 17 juni, 17 oktober (XIII,12-14)
  • In elk geval mogen de getijden van Lauden en Vespers niet beëindigd worden zonder dat helemaal op het einde het gebed des Heren door de overste gezegd wordt, zodat allen het horen; dit omwille van de doornen van tweedracht die telkens weer de kop opsteken. Zo zullen zij, gehouden door de overeenkomst die zij aangaan in dit gebed waarin zij zeggen: “Vergeef ons zoals wij vergeven”, zich zuiveren van een dergelijk kwaad. In de andere getijden wordt enkel het laatste gedeelte van dit gebed gezegd, zodat allen kunnen antwoorden: “Maar verlos ons van het kwade”.

Een Benedictijnse eigenaardigheid

Als bezoekers in een Benedictijner klooster de Lauden of Vespers bijwonen, zijn zij vaak verbaasd dat aan het eind van de viering alleen de abt (of prior) het Onze Vader reciteert, terwijl de monniken, diep gebogen, toehoren. In de nieuwe Romeinse Ritus zingen allen samen het Onze Vader; in de Benedictijnse traditie is dit niet het geval. Eeuwenlang hebben Benedictijnen Sint Benedictus’ duidelijke gebod in de Heilig Regel gevolgd. Wat betekent dit voorschrift?

De Abt als ikoon van Christus

Voor Sint Benedictus bekleedt de abt (of de prior) de plaats van Christus in het klooster; hij is een levende ikoon van Christus te midden van de broeders. Zijn functie verplicht hem om steeds meer transparant te worden, dat wil zeggen, te groeien in zuiverheid van hart. De abt is at tegelijkertijd de vriend van de Bruidegom en diens gevolmachtigde vertegenwoordiger; zijn streven en zijn vreugde is om te verdwijnen, en aan zijn monniken slechts hun gelovige waarneming van het gelaat van de Bruidegom te laten, van zijn stem, zijn handen en zijn hart.

De bruidegom is hij die de bruid heeft, maar de vriend van de
bruidegom, die staat te luisteren of hij hem al hoort, is al vol blijdschap wanneer hij de stem van de bruidegom verneemt. Zo nu is mijn vreugde en zij is volkomen. Hij moet groter worden maar ik kleiner (Joh. 3,29-30).

Christus, Hoofd en Bruidegom

Wanneer dus de abt het Onze Vader bidt aan het eind van de Lauden en Vespers, doet hij dat in persona Christi capitis sponsique, in de persoon van Christus, het Hoofd van zijn mystieke Lichaam en Bruidegom van zijn Bruid, de Kerk. Als de abt het Onze Vader reciteert, leent hij uiteindelijk hij zijn stem aan Christus, zodat door hem Christus zijn monniken leert bidden, juist zoals Hij het zijn discipelen leerde in antwoord op de vraag van een van hen: “Heer, leer ons bidden” (Lc. 11,1).

Luister…

Hoe antwoorden de monniken hierop? Door zich diep neer te buigen in het koor: een houding van volledige onderwerping, van nederigheid, van gehoorzaamheid – en door met het oor van het hart Christus’ woorden te aanhoren, gereciteerd door de abt. Nergens anders heeft de eerste zin van de Proloog op de Heilig Regel zulk een betekenis: “Luister, mijn zoon, naar de richtlijnen van uw meester, en neig het oor van uw hart.” Welke zijn de richtlijnen van de Meester? Allereerst deze: “Wanneer gij bidt, zegt dan: Vader, Uw Naam worde geheiligd, Uw Rijk kome. Geef ons iedere dag ons dagelijks brood, en vergeef ons onze zonden, want ook wij vergeven aan ieder die ons iets schuldig is. En leid ons niet in bekoring.”

De Balsem die geneest

Maar er is meer. Sint Benedictus stelt ons het Onze Vader, dat de abt tweemaal daags bidt voor zijn monniken, voor als een sacrament van genezing en als een verbond van barmhartigheid en wederzijdse vergeving. Zoals alle mensen die samenleven, irriteren en ergeren monniken elkaar, ze raken een gevoelige snaar en verwonden zelfs elkaar. Sint Benedictus kende dit niet als theorie maar uit ervaring. Wanneer de abt het Onze Vader bidt voor zijn zonen, die in een diepe stilte neerbuigen, smeert hij over hun schrammen, hun blauwe plekken en hun wonden de genezende balsem van het gebed van Christus, en doet dat met een bovennatuurlijke fijngevoeligheid en trefzekerheid.

Uiteindelijk de overwinning

Door te luisteren naar het Onze Vader dat tweemaal per dag over hen wordt gebeden, worden de monniken binnengetrokken in een geheimvol verbond: zij verbinden zich ertoe elkaar te vergeven zoals zij zouden worden vergeven door God. Zij bekrachtigen het gebed van de abt over hen door de laatste zin luidop te zeggen: sed libera nos een malo – maar verlos ons van het kwade. Het monastieke leven is een worsteling, een geestelijke strijd, maar het is ook een triomf, de overwinning van de barmhartigheid over de zonde, van vergeving over iedere belediging, van vreugde over droefheid en, uiteindelijk, van het leven over de dood.


Een menigte getuigen

volgende
vorige
naar boven

HOOFDSTUK XIV. Hoe de Metten op de heiligenfeesten gevierd worden

  • 17 februari, 18 juni, 18 oktober (XIV,1-2)
  • Op de feesten van de heiligen en op alle plechtige feesten worden de Metten gevierd zoals wij gezegd hebben, dat ze op zondag gevierd worden. Alleen worden de psalmen, antifonen en lessen gezongen die eigen zijn aan die dag. Maar men houdt zich aan de orde van dienst zoals die boven omschreven is.

Heiligenfeesten

Sint Benedictus onderscheidt de heiligenfeesten van “andere plechtige feesten”, vermoedelijk die van de Heer. In Sint Benedictus’ tijd waren er veel minder heiligenfeesten dan in de huidige liturgische kalender. Sint Benedictus’ monniken zullen de oudste feesten van de Moeder Gods op 1 januari en 15 augustus gekend hebben. Zij zullen de feesten van Johannes de Doper, van de Apostelen, de bekende en plaatselijke martelaren gevierd hebben, en van sommige belijders zoals, bijvoorbeeld, de heilige Martinus van Tours.

Oratoria [1]
en relieken

Benedictus’ eerste daad toen hij in 529 in Monte Cassino kwam, was het afgodsbeeld en altaar te verwoesten dat hij daar vond in de tempel toegewijd aan Apollo. Op die plaats bouwde hij een kerk toegewijd aan de heilige Johannes de Doper en een kapel toegewijd aan de heilige Martinus van Tours. Dit wijst erop dat Benedictus reeds de liturgische cultus vierde van deze twee monastieke heiligen. Sint Benedictus’ liturgische devotie tot de heiligen komt aan bod in hoofdstuk LVIII, over de opname van nieuwe broeders, waar hij refereert aan “de heiligen wier relieken zich in het altaar bevinden” [2].

De viering van de Metten regelen

Sint Benedictus bepaalt dat de Metten van de heiligenfeesten gevierd worden met eigen psalmen, antifonen en lezingen, waarbij hij de orde ervan handhaaft die voor de zondagen vastgesteld is. Dit detail onthult een scherpe fijngevoeligheid voor de liturgische cultus van de heiligen, en voor het reeds hoog ontwikkelde koorofficie dat door Sint Benedictus en zijn monniken gevierd werd.

Met de voortschrijdende verrijking van de heiligencyclus, werd het noodzakelijk om verschillende wijzen te ontwikkelen om de heiligenfeesten te ordenen, en om de viering ervan te regelen. Mettertijd gaf dit aanleiding tot de hedendaagse praktijk waarin de grotere feesten worden gekenmerkt door een geheel eigen Officie [koorgebed], of een officie genomen uit het gemeenschappelijke dat past bij de heilige in kwestie, terwijl op andere dagen alleen de uitnodiging [3], de lofzang, lezing, beurtzang en voorbeden eigen zouden zijn aan de heilige.

In het kielzog van het Tweede Vaticaans Concilie

Op veel plaatsen in Noord-Europa – bijzonder in Frankrijk, Duitsland, België en Nederland – sloop een zekere “protestantisering” in het liturgisch aanvoelen dat overheerste in de jaren na het Tweede Vaticaans Concilie. Dit leidde tot argwaan tegenover de cultus van de heiligen, hun feesten en relieken, en tot een trend tot minimalisering van de rol van de heiligen in het katholieke leven, en tot het zoveel mogelijk terugbrengen van hun plaats in de liturgie. Deze tendens werd gevoed door de ongelukkige invoering van zogeheten “niet-verplichte gedachtenissen”, waardoor bepaalde heiligen werden veroordeeld tot liturgische vergetelheid. Het is een principe, eenvoudig naspeurbaar in de recente liturgiegeschiedenis, dat zodra iets optioneel verklaard wordt, het in onbruik raakt.

Sentire Cum Ecclesia

Het is opmerkelijk dat de heilige Ignatius van Loyola in zijn zesde regel voor het vasthouden aan het aanvoelen van de Kerk (sentire cum ecclesia) de dreiging erkent van protestantse vijandigheid jegens de viering van de heiligen en de katholieke vroomheid, en schreef: “Het vereren van relieken van de heiligen, hen eer bewijzen en tot de heiligen te bidden; en het in ere houden van [kruisweg]staties, pelgrimages, aflaten, kruiswegen, en kaarsen opsteken in kerken.”

In gezelschap van de heiligen

Een authentieke Benedictijnse vroomheid schept vreugde in de viering van de heiligen, de verering van hun relieken en altaren. Ik herinner mij dat ik in mijn monastieke jeugd geroerd werd door de eenvoudige devotie van monniken die, hetzij voor de Metten hetzij na de Completen, als het ware pelgrimeerden van altaar naar altaar, en van afbeelding naar afbeelding, daarbij eer brengend aan de heiligen en hun voorspraak inroepend. “Laten wij ons dan aansluiten bij die menigte getuigen van het geloof, en elke last en belemmering van de zonde van ons afschudden, om vastberaden de wedstrijd te lopen waarvoor wij hebben ingeschreven. Zie naar Jezus, de aanvoerder en voltooier van ons geloof. In plaats van de vreugde die Hem toekwam, heeft Hij een kruis op zich genomen en de schande niet geteld; nu zit Hij aan de rechterzijde van Gods troon” (Hebr. 12,1-2)


Noten

[1] Oratoria
(gebedsplaatsen of -ruimten) is wat ruimer dan het begrip “kapellen”, waarmee we het originele “Oratories” ook kunnen vertalen.

[2] In de tekst van de
Regel die wij gebruiken, luidt de vertaling van het betreffende vers (LVIII,19): “Van deze belofte moet hij een oorkonde opmaken, op naam van de heiligen van wie de relieken ter plaatse aanwezig zijn en van de abt in functie.”

[3] De “Uitnodiging” is de eerste oproep tot het gebed, nog vóór de antifoon van de inleidingspsalm.


Alleluja

volgende
vorige
naar boven

HOOFDSTUK XV. Op welke tijden men het Alleluja zingt

  • 18 februari, 19 juni, 19 oktober (XV,1-4)
  • Van het heilig Paasfeest tot Pinksteren zingt men zonder onderbreking het Alleluja zowel bij de psalmen als bij de responsories. Maar van Pinksteren tot aan het begin van de Vasten zingt men het iedere nacht in de Metten enkel bij de laatste zes psalmen. Verder worden iedere zondag buiten de Vasten de kantieken, de Lauden, de Priemen, Terts, Sext en Noon met Alleluja gezongen, de Vespers daarentegen met antifoon. Maar de responsories worden nooit met Alleluja gezongen tenzij van Pasen tot Pinksteren.

Niet overgelaten aan persoonlijke inspiratie

Lezers die de Regel van Sint Benedictus voor het eerst ontdekken zijn vaak verbaasd over de zorgvuldige aandacht van de Heilige Patriarch voor de kleinste details van het Opus Dei (het Werk Gods of Goddelijk Officie, het koorgebed). Hij gaat zover als een hoofdstuk van de Heilige Regel te wijden aan de tijden van het jaar waarin Alleluja wordt gezegd. Het Allelujazang wordt niet overgelaten aan willekeurige persoonlijke inspiratie, opdat het niet een ongeordendheid wordt in de gewijde liturgie. Het Alleluja is in het weefsel van het Officie geweven op zo’n wijze dat het, wanneer het gezegd wordt, een heilige betovering schept; en wanneer het niet gezegd wordt, verandert het ethos van het Officie zó dat de ziel verlangt naar de terugkeer ervan, zoals naar de terugkeer van geliefde vriend bij wiens stemgeluid men zich verheugt.

Een hemels woord

Onder de heilig woorden die mensenlippen sieren in gebed, is er misschien geen heerlijker dan Alleluja. Het is een woord dat vraagt om een melodische ontwikkeling. Het roept om een oprijzende vocale jubel. Het draagt een cantus obscurior in zich, de verborgen en meest discrete vorm van verbale expressie die de zang van de Kerk tot leven laat komen. Alleluja is een hemels woord, een echo en een voorsmaak van de liturgie beschreven door Johannes in de Apokalyps:

Wat ik daarna hoorde, was als de machtige stem van een grote
menigte uit de hemel. En zij riepen: ‘Alleluja! Het heil en de eer en de macht zijn van onze God, want waarachtig en rechtvaardig zijn zijn oordelen. Hij sprak het oordeel over de grote hoer, die met haar hoererij de aarde ten verderve voerde. Hij heeft het bloed van zijn dienstknechten aan haar gewroken.’ En andermaal riepen zij: ‘Alleluja! Haar rook stijgt op in de eeuwen der eeuwen’. En de vierentwintig oudsten en de vier dieren wierpen zich neer en aanbaden God, die op de troon is gezeten, en zeiden: ‘Amen, Alleluja!’ En een stem ging uit van de troon en sprak: ‘Looft onze God, al zijn dienstknechten, gij die Hem vreest, gij kleinen en groten.’

Toen hoorde ik een geluid als van een grote menigte en als het gedruis van vele wateren en als het dreunen van zware donderslagen, en zij riepen: ‘Alleluja! De Heer, onze God, de Albeheerser heeft zijn koningschap aanvaard. Laat ons blij zijn en juichen en Hem de eer geven: de tijd is gekomen voor de bruiloft van het Lam en zijn bruid heeft zich al klaargemaakt’ (Apok. 19,1-7)

Vader Zundel

Vader Maurice Zundel (1887-1975), een meester zowel van het innerlijk leven als in zijn zeer poëtische uitdrukkingswijzen, schreef deze onnavolgbare tekst over het Alleluja (in De glans van de liturgie):

De anonieme Engelse schrijver van De wolk van niet-kennen [ TheCloud of Unknowing] legt de volgende vraag in de mond van de discipel die hij naar de contemplatie leidt. “Nu vraagt gij mij: Hoe zal ik over God denken en wat is Hij? Daarop kan ik niet antwoorden anders dan te zeggen dat ik het niet weet.” Dit is de traditionele leer van alle grote mystici. Zij kennen niet. Woorden lijken hen spotternij, ideeën een gevangenis, het gehele systeem van spraak een schaduw van een schaduw.

Wij waren weliswaar verplicht te beginnen vanuit taal, ons met onze riemen van het strand weg te duwen, onze ruggen naar de open zee. Wij waren ertoe gedwongen om ons in woorden vervuld van aardse associaties uit te spreken over de verheven geheimen van het Goddelijk Leven. Wel had het geloof de taal bezield met een nieuw leven en, gebruik makend van de wonderbaarlijke hulpmiddelen van de analogie, zonder grenzen de perspectieven verwijd die taal vermag te ontsluiten. Maar iedere vergelijking was tenslotte genoodzaakt zichzelf te ontkennen. Want geen volmaaktheid wordt ooit in zijn zuiverheid gerealiseerd binnen het gebied van onze tegenwoordige ervaring, en deze vrijheid van elke bijmenging is juist de onderscheidende trek die Gods volmaaktheid moet tekenen.

De Godheid kan in feite niet onderscheiden worden als een wezen te midden van andere of als een wezen aan het hoofd van andere wezens, in een opklimmende reeks waarvan het de hoogste in rang is. De Godheid moet onderscheiden worden als het Wezen dat niet alleen elk geschapen wezen afzonderlijk overstijgt, maar hun hele schare. Hoe ver wij de uitmuntendheid van het schepsel ook doortrekken, het is altijd oneindig verwijderd van God. Om God te vinden moeten wij de rangen verlaten waartoe wij geneigd zijn te denken dat Hij zou behoren, en zogezegd zoeken Hem te ont-definiëren veeleer dan te definiëren, ons realiserend dat wij beginnen Hem waarachtig te kennen voor zover wij erkennen dat Hij oneindig ver boven ieder idee gaat, zoals Hij gaat boven ieder woord, en dat de naam die Hem beter dan elke andere past, de Onuitsprekelijke is, omdat het volstaat Hem te noemen Hij die niet uitgesproken kan worden. “Gij zijt een onuitsprekelijke God, onbegrijpelijk, onzichtbaar en buiten ons bereik”, zoals de Liturgie van de heilige Johannes Chrysostomus het fijnzinnig uitdrukt.

Zo bezien geven weinige pagina’s degene die gelooft zo’n vreugde […] als het artikel in zijn Summa dat Sint Thomas wijdt aan de relatie tussen de zesde zaligspreking en de gave van verstand, waar hij spreekt over dit visioen waarin wij – hoewel wij niet zien wat God is – ten minste zien wat Hij niet is; en hieraan toevoegt: “hoe volmaakter wij God in dit leven kennen, hoe meer wij begrijpen dat Hij overstijgt al wat het intellect kan begrijpen”. Deze ontkenning, echter, is de opperste bevestiging van ons verstaan. Want het is de weigering om de Oneindige te beperken. En het hart heeft een weidser gebied voor zijn liefde, en voelt zich ten minste vrij om zich volledig te hechten zonder gevangen te worden. Ongeduldig over de riemen die op de golven slaan op het moeizame ritme van het denken, vraagt het dat het zeil gehesen zou worden en dat het vrijelijk de wind van de Geest moge volgen doorheen Gods onbegrijpelijke transcendentie, verre van Hem te verwijzen naar een ontoegankelijke grootsheid; verzekert ons dat Zijn relaties met het universum oneindig gratuit zijn en dat geen andere band met zijn schepselen mogelijk is dan zijn goedheid die zich uitstort in zijn liefde die geeft. Wat zou Hij kunnen verwachten of ontvangen die de volheid van zijn is? Hij geeft waarlijk wat Hij geeft. Hij geeft zelfs wat Hij vraagt, Hij geeft tweemaal wat Hij ontvangt.

Daarom, aangezien Onuitsprekelijke Liefde zijn Naam is, kan Hij Die niet uitgesproken kan worden niet onderworpen zijn aan enige noodzakelijkheid in zijn handelen met ons. Onze afhankelijk van Hem geeft ons het zijn; het maakt Hem niet méér. Als Hij ons het object van zijn macht maakt, is dit daarom steeds om ons het object te maken van zijn liefde. Wat ons betreft is Hij geheel hart. Hij is een moeder. En daar wij geen greep hebben op ons zijn anders dan zijn wil die altijd actief is om het ons te schenken, worden wij ieder moment uit zijn liefde geboren. De meest verheven theologie komt naar voren zonder zichzelf te ontkennen, als ze verdiept is door het licht van wijsheid die erin getrokken is, in de meest tedere kinderlijke liefde.

Niet langer in staat om zijn verrukking in te houden, en bovendien uitgestegen boven het bereik van woorden, barst de juichende ziel los in het extatisch aanheffen van het Alleluja. “Hij die jubelt,” verklaart Sint Augustinus, “uit geen woorden, maar een geluid van vreugde zonder woorden: want het is de stem van de geest verloren in vreugde, die deze vreugde met al zijn kracht uitdrukt maar niet vermag zijn betekenis te omschrijven. En wie is het passende object van deze jubelzang anders dan de onuitsprekelijke God? Onuitsprekelijk, ja, is Hij die gij niet kunt benoemen. Maar als gij Hem niet kunt benoemen, moogt gij nog niet stil blijven; wat kunt gij doen dan juichen, dat uw hart zich verheugt zonder woorden, en de grootsheid van uw vreugde aan de begrenzing van lettergrepen ontsnappen.”

Het ware niet mogelijk om het mysterie van het Alleluja, zijn verheven aspiratie om uiting te geven aan het onuitsprekelijke door het onuitsprekelijke.

De betekenis van het Alleluja

Sint Augustinus zegt over het Alleluja (Over de Psalmen, Psalm 148,
1-2: CCL 40, 2165-2166):

Onze gedachten in het tegenwoordige leven moeten zich richten op de eer van God, omdat in de lof van God wij ons zullen verheugen in het komende leven; en niemand kan gereed zijn voor het komende leven tenzij hij zichzelf er nu in oefent. Wij prijzen dus God gedurende ons aardse leven, en tezelfdertijd richten wij onze smeekbeden tot Hem. Onze lofzang uiten wij met vreugde, onze smeekbeden vol verlangen. Ons is iets beloofd dat wij nu nog niet bezitten, en omdat de belofte gedaan werd door Een die zijn word houdt, vertrouwen wij Hem en zijn verheugd; maar voor zover het bezit uitgesteld wordt, kunnen wij er slechts naar verlangen en hunkeren. Het is goed voor ons om te volharden in het verlangen tot wij ontvangen wat beloofd was en ons smachten over is; dan zal slechts lofprijzing blijven.

Omdat deze twee tijdsperiodes bestaan – de tegenwoordige, bestookt door de beproevingen en moeilijkheden van dit leven, en die nog komen moet, een leven van eeuwige sereniteit en vreugde – zijn ons twee liturgische seizoenen gegeven: het ene vóór Pasen en het andere erna. De tijd vóór Pascha beduidt de moeilijkheden waarin wij hier en nu leven, terwijl de tijd na Pascha […] het geluk beduidt dat in de toekomst het onze zal zijn. Wat wij herdenken vóór Pascha is wat wij in dit leven ervaren; wat wij vieren na Pascha verwijst naar iets wat wij nog niet bezitten. Daarom onderhouden wij de eerste tijd met vasten en gebed; maar nu is het vasten voorbij en wijden wij de tijd nu aan lofprijzing. Zo dan is de betekenis van het Alleluja dat wij zingen.

Beide periodes worden gesymboliseerd en ons getoond in Christus ons Hoofd. Het lijden van de Heer schildert ons ons tegenwoordige leven van beproeving – toont hoe wij moeten lijden en gekweld worden en tenslotte sterven. De opstanding en verheerlijking van de Heer tonen ons het leven dat ons in de toekomst gegeven zal worden.

Daarom nu, broeders, sporen wij u aan om God te loven. Dat is wat wij allen tot elkaar zeggen wanneer wij zeggen Alleluja. Gij zegt tot uw naaste: “Loof de Heer!”, en hij zegt hetzelfde tot u. Wij allen sporen elkaar aan om de Heer te loven, en doen daarin allen waartoe ieder de ander aanspoort. Maar zie toe dat uw lof vanuit uw hele wezen komt; met andere woorden, zie dat gij God looft niet met uw lippen en stem alleen, maar met uw verstand, uw leven en al uw daden.

Wij loven God nu, zoals wij hier in de kerk vergaderd zijn; maar als wij weer onze wegen gaan, lijkt het alsof wij ophouden God te prijzen. Vooropgesteld echter dat wij niet ophouden een goed leven te leven, zullen wij altijd God loven. Gij houdt slechts op God te loven indien u zich afkeert van de gerechtigheid en van wat God welgevallig is. Als gij nooit u afkeert van een goed leven, moge uw tong zwijgen maar uw daden zullen het uitroepen, en God zal uw bedoelingen zien; want zoals wij met onze oren elkaars stemmen horen, zo horen Gods oren onze gedachten.


Altijd en overal lof

volgende
vorige
naar boven

HOOFDSTUK XVI. Hoe het werk Gods in de loop van de dag gevierd wordt

  • 19 februari, 20 juni, 20 oktober (XVI,1-5)
  • Zoals de profeet zegt: “Zevenmaal daags heb ik uw lof gezongen”. Dit heilig getal zeven zullen wij waar maken, als wij de plichten van onze dienstbaarheid nakomen op het uur van de Lauden, de Priemen, de Terts, de Sext, de Noon, de Vespers en de Completen; omdat hij juist over deze uren van de dag heeft gezegd: “Zevenmaal daags heb ik uw lof gezongen”. Want over de Metten zegt diezelfde profeet: “Midden in de nacht ben ik opgestaan om U te loven”. Op deze uren moeten wij dan ook onze lofzangen doen klinken voor onze Schepper “om de oordelen van zijn gerechtigheid”: namelijk in de Lauden, de Priemen, de Terts, de Sext, de Noon, de Vespers en de Completen, en ‘s nachts moeten wij opstaan om Hem te loven.

Zevenmaal
per dag

Voor Christenen, gevoed en verlicht door Gods Woord, betekent het getal zeven voltooiing, volheid en volmaaktheid. Sint Benedictus’ zeven getijden (of vieringen) betekenen in feite dat de hele dag gedrenkt is in de aanbidding van God en vol van zijn lof. De volmaaktheid van elke dag ligt in zijn totale toewijding aan Gods glorie.

Het ritme van ononderbroken gebed

De zeven “uren” (getijden) van Lauden, Priem, Terts, Sext, Noon, Vespers en Completen markeren het ritme van onafgebroken lof en een onophoudelijke aanbidding als die van de engelen in de hemel. Een monnik is geroepen te bidden, niet slechts wanneer hij zijn plaats in het koor inneemt, maar op iedere plaats en op ieder moment. Is dit niet de leer van de Kerk die wordt uitgedrukt in het voorwoord bij de Mis? “Het is waarachtig waardig en recht, goed en heilzaam voor onze verlossing, dat wij altijd en overall dank zouden brengen aan U, O Heilige Heer, Vader Almachtig, eeuwige God.”

Lauden – bij de dageraad

Ieder van de getijden heft zijn specifieke theologische betekenis. De Lauden zijn overgoten met de luister van de verrezen Christus. De Lauden vieren de luister van de opstanding met herhaalde verwijzingen naar de zonsopgang, de Opgaande Zon die van omhoog verschijnt (Lc. 1,78); ze roepen de Kerk en al haar leden op tot een dagelijkse geestelijke opstanding en tot vernieuwing van de genade van het Doopsel:

Sprenkel mij met hysop dat ik rein word,
was mij dat ik witter word dan sneeuw.
Maak mij weer ontvankelijk voor blijde klanken,
geef mijn gekastijde lichaam nieuwe levensmoed. —
Wend uw ogen af van mijn gebreken,
scheld mij al mijn schulden kwijt.
Schep in mij een zuiver hart, mijn God,
geef mij weer een vastberaden geest (Ps. 51 [50],9-14)

Het Benedicite – de lofzang uit Daniël

Op zondagen en op feestdagen zingen wij het Benedicite, de kantiek van de drie jongemannen in de vuuroven. Het Benedicite vergadert de hele schepping tot een symfonie van lofzang en dankzegging. Nergens wordt het uiteindelijke doel van alle schepselen beter uitgedrukt dan in deze magnifieke kosmische lofzang. Zoals ik elders heb opgemerkt, vormt het Benedicite tevens de officiële liturgische dankzegging van de priester nadat hij het heilig Misoffer heeft opgedragen.

De laudate-psalmen

De dagelijkse herhaling van de laudate-psalmen (148-149-150) was, tot de hervorming van het Romeins Brevier door de heilige paus Pius X in 1911, gemeenschappelijk aan zowel het Romeins als het Benedictijns Officie. Aan deze drie psalmen, gezongen met één Gloria Patri (Eer aan de Vader), ontleent het morgenofficie de naam van Lauden en zijn karakter van uitbundige en gratuite lof. Het is passend dat het oude en traditionele dagelijkse gebruik van deze drie psalmen levend zou blijven onder de kinderen van Sint Benedictus.

Het Benedictus

De kroon en het hoogtepunt van de Lauden is de lofzang gezongen door Zacharias na de geboorte en naamgeving van de heilige Johannes de Doper: het Benedictus. Tijdens het zingen van het Benedictus gaan wij over van de schaduwen en het prille ochtendlicht van het Oude Testament over naar de volle helderheid van het Nieuwe. Het Benedictus prijst het grootse werk van de verlossing en herinnert bij het begin van iedere nieuwe dag aan de blijvende opdracht van de heilige Johannes de Doper om voor de Heer uit te gaan en zijn weg te bereiden.

De
Priem – het eerste uur

Het uur van de Priem is van monastieke oorsprong en wordt heden ten dage nog altijd in veel kloosters gevierd. De Priem is een morgengebed, maar anders dan de Lauden, die gericht zijn op de lof en glorie van God die schijnen van het gelaat van de verrezen Christus, is de Priem gericht op de heiliging en de opdracht van het werk van de dag. In Silverstream Priory, waar wij ons houden aan de wekelijkse zang van het volledige psalter (alle 150 psalmen plus de gewone kantieken), is de Priem de kortste gebedstijd van de dag; het kent maar één psalm, gekozen voor de dag.

De Terts – het derde uur

De Terts is, zoals zijn hymne Nunc Sancte Nobis Spiritus aangeeft, een dagelijkse hernieuwing van het mysterie en de genade van Pinksteren. Een Nederlandse vertaling hiervan luidt:

Kom, Geest, die zijt in ‘t hemelrijk,
de Vader en de Zoon gelijk,
verwaardig U, keer tot ons in,
vervul ons hart en ziel en zin.

Mond, tong en geest en zin en kracht
belijden zingende uw macht,
laat vuur van liefde door ons gaan
en naar de naaste overslaan.

Doe ons de Vader en de Zoon
aanschouwen in de hoge troon,
o Geest van Beiden uitgegaan,
wij bidden U gelovig aan.

De Terts en het Heilig Offer

Tevens – volgens de traditie – herinnert het uur van de Terts aan het begin van het heilig Lijden van Onze Heer; het was dus passend dat, al vroeg in de ontwikkeling van de dagelijkse gebedsuren in de Kerk, het derde “uur” geassocieerd zou worden met de onbloedige hernieuwing van het Offer van Christus in de Heilige Mis. De Terts gaat nu aan het heilig Misoffer vooraf. Dame Aemiliana Löhr legt uit dat “terwijl de gelovigen de Terts bidden, de oblata (offergaven, brood en kelk) naar het altaar gebracht worden, en de priester de misgewaden aantrekt.” Dit alles verleent aan de Terts zijn special karakter als inleiding op het Heilig Offer.

Op het derde uur begon Onze Heer aan zijn via crucis, zijn priesterlijke opgang naar het altaar van het Kruis. Op het derde uur ontving zijn Lichaam en Bruid, de Kerk, de zalving van omhoog, de uitstorting van de Heilige Geest in een machtige wind en in tongen van vuur, opdat zij, van Pinkstergenade vervuld, gereed zou zijn om door haar priesters het brood en de kelk te nemen, en zo het Kruisoffer doen voortduren tot het einde der tijden, “de dood des Heren [verkondigend] totdat Hij komt” (1 Kor. 11,26)

De Sext – het zesde uur

De Sext, het zesde uur, is het uur waarop Jezus zijn armen uitstrekte op het hout van het Kruis; het is ook het uur waarop Jezus over zijn dorst sprak tot de Samaritaanse bij de bron en het verlangen van de Vader openbaarde naar aanbidders in geest en waarheid.

Hij kwam aan een stad van Samaria, Sichar genaamd, dichtbij het stuk
grond dat Jakob aan zijn zoon Jozef had gegeven. Daar bevond zich de bron van Jakob en vermoeid ding Jezus zomaar bij deze bron zitten. Het was ongeveer het zesde uur. Toen een vrouw uit Samaria water kwam putten, zei Jezus tot haar: ‘Geef Mij te drinken’ (Joh. 4,5-7).

Op het zesde uur, tenslotte, ging Sint Petrus “naar het dak om te bidden” (Hnd. 10,9), en zag het visioen zag dat hem de toelating van de heidenen tot de Kerk openbaarde.

De Noon – het negende uur

De Noon is het uur van de dood van Onze Heer op het kruis, en van zijn neerdaling in de onderwereld. Tegelijkertijd is het het uur van de genezing van de lamme door de apostelen Petrus en Johannes.

Hierna, wetend dat nu alles was volbracht, zei Jezus, opdat de Schrift vervuld zou worden: ‘Ik heb dorst.’ Er stond daar een kruik vol zure wijn. Ze doopten er een spons in, staken die op een hysopstengel en brachten die aan zijn mond. Toen Jezus van de zure wijn genomen had, zei Hij: ‘Het is volbracht.’ Daarop boog Hij het hoofd en gaf de geest (Joh. 19,28-30).

Petrus en Johannes gingen eens naar de tempel op het uur van gebed, het negende uur. Daar was een man die vanaf zijn geboorte lam was en iedere dag naar de tempelpoort gedragen werd, die de Schone genoemd wordt, om daar aalmoezen te vragen aan de mensen die de tempel binnengingen. Toen hij Petrus en Johannes zag, die juist de tempel wilden binnengaan, vroeg hij om een aalmoes. Petrus, evenals Johannes, zag hem strak aan en zei: ‘Kijk ons eens aan.’ Hij richtte zijn blik op hen in de verwachting iets van hen te krijgen. Doch Petrus sprak: ‘Zilver of goud heb ik niet; maar wat ik heb geef ik u. In de naam van Jezus Christus de Nazoreeër: gebruik uw voeten!’ Hij pakte hem bij zijn rechterhand en hielp hem overeind. Op hetzelfde ogenblik kwam er kracht in zijn voeten en enkels, met en sprong stond hij overeind, begon te lopen en ging lopend en springend met hen de tempel binnen, terwijl hij God verheerlijkte. Heel het volk zag dat hij liep en God verheerlijkte. Zij herkenden hem als de man die altijd bij de Schone Poort van de tempel zat te bedden, en waren buiten zichzelf van verbazing over hetgeen met hem gebeurd was (Hnd. 3,1-10).

De Vespers – bij zonsondergang

De Vespers zijn het avondoffer (sacrificium vespertinum) van de Kerk. De Kerk biedt de geurige wierook van haar gebed aan Christus, haar Bruidegom aan; Hij drukt het aan zijn Hart, en verenigt het met zijn eigen gebed tot de Vader. “Door Jezus willen wij God voortdurend een lofoffer brengen, de hulde namelijk van lippen die zijn naam prijzen” (Hebr. 13,15). Bij de Vespers staat de Kerk voor de Vader der hemellichten, bij wie geen verandering is of verduistering door omwenteling (Jak. 1,17), en dankt Hem voor de beste gaven van de dag, en volmaakte gaven, en voor elke genade ontvangen door de opeenvolging van de getijden.

Een Eucharistisch uur

De Vespers hebben een unieke eucharistische hoedanigheid. Het is het uur van het Laatste Avondmaal in het Cenakel waar Jezus aan tafel zat met zijn Apostelen en de wonderbaarlijke consecratiewoorden uitsprak over het brood en over de kelk, waarmee Hij aan zijn eerste priesters de macht verleende om zijn offer tegenwoordig te stellen van de opgang der zon tot aan haar ondergang. Het is het uur waarop de discipelen, na hun ontmoeting met Jezus op de weg naar Emmaus, tot Hem zeiden: “Blijf bij ons, want het wordt al avond en de dag loopt ten einde” (Lc. 24,29). Het is het uur waarop Hij gehoor gaf aan hun bede en met hen binnenging.

Terwijl Hij met hen aanlag, nam Hij het brood, sprak de zegen uit, brak het en reikte het hen toe. Nu gingen hun ogen open en zij herkenden Hem, maar Hij verdween uit hun gezicht. Toen zeiden ze tot elkaar: Brandde ons hart niet in ons, terwijl Hij onderweg met ons sprak en ons de Schriften ontsloot? (Lc. 24,30-32).

Aangekomen bij zonsondergang, is de Kerk vol dankbaarheid dat, terwijl duisternis over de aarde daalt, zij in zichzelf een Licht bezit dat nooit uitdooft of plaats maakt voor duisternis: het aanbiddelijke en levengevende mysterie van de Allerheiligste Eucharistie. De psalmodie van de Vespers kalmeert de onrustige geest, en bereidt zowel de ziel als het lichaam voor op de nachtrust.

Het Magnificat

Zoals het Benedictus de kroon en het hoogtepunt is van de Lauden, zo is het Magnificat de kroon en het hoogtepunt van de Vespers. De waardigheid en adel van het Magnificat is ongeëvenaard, en wel om drie redenen:
1) omdat het voortvloeit uit het allerzuiverste hart van de Heilige Maagd Maria, Moeder van God;
2) het de grote dingen viert die God deed, en zijn barmhartigheid verheerlijkt die duurt van geslacht tot geslacht; en
3) omdat het de meest nederige en meest verheven gevoelens beschrijft die een mens in Gods tegenwoordigheid kan uitdrukken.

De Completen – vóór de nacht

De Completen komen overeen met de Priem, en is net als de Priem van monastieke oorsprong. Ze omvatten drie psalmen, een hymne, korte lezing, psalmvers, gebed en zegen. In de Benedictijnse Completen komt de lofzang van Simeon, het Nunc Dimittis, niet voor, hoewel de Mauristen het in hun brevarium na de psalmen toevoegden. Sint Benedictus kiest de psalmen 4, 90 en 133 voor de Completen. Hij maakt ere en punt van dat de Completen gezongen worden voor het invallen van de nacht. De psalmen van de Completen zijn een uitnodiging tot berouw, tot vertrouwen in God en tot stilte. As een soort naspel op de Completen, verheffen wij onze stem in een kinderlijk eerbetoon aan de Heilige Maagd Maria, onze hemelse Abdis en onze Koningin; wij vertrouwen erop dat, aan het einde van de dag, zij op de zwakste en meest behoeftige van haar zonen neerziet met een blik van barmhartigheid.


Deus in adjutorium meum intende

volgende
vorige
naar boven

HOOFDSTUK XVII. Hoeveel psalmen in deze getijden gezongen worden

  • 20 februari, 21 juni, 21 oktober (XVII,1-10)
  • Voor de Metten en Lauden hebben wij de regeling van het psalmgezang al vastgesteld: laten wij nu de volgende Uren nog nader bezien. Op het uur van de Priemen worden drie psalmen gezongen, elk afzonderlijk en niet onder één “Eer aan de Vader”. De hymne van dit Uur volgt op het vers: “God, kom mij te hulp” voordat de psalmen beginnen. Nadat de drie psalmen geëindigd zijn, wordt één les opgezegd, het vers, Kyrie eleison en het slotgebed. Op het uur van de Terts, Sext en Noon wordt het gebed ook volgens deze orde van dienst gevierd, te weten: het vers, de hymne van deze Uren, telkens drie psalmen, de les en het vers, Kyrie eleison en het slotgebed. Als de gemeenschap wat talrijker is, zingt men de psalmen met antifoon; als ze daarentegen gering in aantal is, worden ze aan één stuk door gezongen. De Vesperdienst blijft beperkt tot vier psalmen met hun antifonen. Na deze psalmen wordt de les gezegd; vervolgens komt het responsorie, de ambrosiaanse hymne, het vers, het kantiek uit het Evangelie, de litanie en het Onze Vader, dat als slotgebed dient. De Completen blijven beperkt tot drie psalmen. Deze psalmen worden aan één stuk door gezongen zonder antifoon. Daarna volgt de hymne van dat Uur, één les, het vers, Kyrie eleison, en de zegen die het slot vormt.

Waar
gebed begint

Sint Benedictus bepaalt dat de getijden moeten beginnen met het eerste vers van Psalm 69: Deus, in adjutorium meum intende; Domine, ad adjuvandum mij festina. Men kan niet beginnen met bidden zonder een speciale genade van God: “Niemand kan zeggen ‘Jezus is de Heer’, tenzij door de Heilige Geest” (1 Kor 12:3). Gebed begint niet in het mensenhart, maar in het Hart van God; het is een goddelijk initiatief. Wanneer een monnik, of een monastiek koor, de immense uitroep ‘ Domine, ad adjuvandum mij festina’ hemelwaarts zendt, hoort men daarin de dringende smeking van ieder menselijk hart om gemeenschap met God, de dorst van miljoenen zielen naar levend water.

De genade van de Heilige Geest

Ik heb reeds lang een innerlijk aanvoelen dat het ‘ Deus in adjutorium’ de genade van de Heilige Geest op een unieke wijze afroept. Zegt de Apostel niet dat, “de Geest onze zwakheid te hulp komt. Want wij weten niet hoe wij behoren te bidden, maar de Geest zelf pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen. En Hij die de harten doorgrondt, weet waar de Geest op zint, want Hij pleit voor de heiligen naar Gods bedoeling” (Rom 8:26-27)?

Goed beginnen

Het bezinnend karakter of de geestelijke teneur van een Officie is recht evenredig met de aandacht en devotie die wordt gelegd in het ‘ Deus in adjutorium’. Een Officie dat goed wordt begonnen zal zich ontvouwen in vrede en in een tedere aandacht voor Gods aanwezigheid. Een Officie dat slecht begint, dat wil zeggen meer afwezig, zonder tevoren zijn koorboeken te hebben klaargelegd, of in de haast van op het laatste moment binnenkomen, zal veelal moeizaam verlopen van begin tot eind. Het is altijd goed om enkele minuten vóór het Offcie op zijn plaats in het koor aan te komen (of in de statio buiten het koor). De koorboeken moeten tijdig klaarliggen op de juiste plaats. Men moet even tijd nemen om te ademen alvorens te proberen om een Officie te zingen.

Belichaamd gebed

De gebaren die het ‘ Deus in adjutorium’ vergezellen zijn net zo belangrijk als de woorden. Gewijde gebaren zijn de belichaming van gebed: handen gevouwen en tamelijk hoog voor de borst gehouden, hemelwaarts wijzend als een pijl, met de rechter duim over de linker gekruist. Dan volgt een groots, majestueus gebaar van het kruis, langzaam en ernstig geslagen. Bij de doxologie wende zich allen in het koor [naar het Allerheiligste] en buigen diep neer in aanbidding van de Allerheiligste Drie-eenheid, en rijzen weer op voor het ’ sicut erat in principio’.


Via, Veritas et Vita

volgende
vorige
naar boven

HOOFDSTUK XVIII. In welke volgorde de psalmen gezongen worden

  • 21 februari, 22 juni, 22 oktober (XVIII,1-6)
  • Eerst zingt men het vers “God, kom mij te hulp; Heer, haast u mij te helpen” met “Eer aan de Vader”; vervolgens de hymne eigen aan elk uur. Dan worden voor het uur van de Priemen op zondag vier delen van psalm 119 (118) gezongen; voor de andere uren, te weten de Terts, Sext en Noon, worden telkens drie delen van diezelfde psalm 119 (118) gezongen. In de Priemen van de maandag zingt men drie psalmen, namelijk 1, 2 en 6. En zo zingt men iedere dag tot aan de zondag in de Priemen telkens drie psalmen zoals ze op elkaar volgen tot aan psalm 19, maar dan zó, dat psalm 9 en psalm 17 in tweeën gedeeld worden. Op die manier kan men de Metten op zondag altijd met psalm 20 beginnen.

Een litanie van lof

Sint Benedictus behoudt psalm 119 (118) (Beati immaculati – Gelukkig degenen wier levensweg rein is) voor aan de zondag, de dag des Heren, de dag par excellence van lectio divina, met de overvloed aan verzen gezongen op maandag. Psalm 119 (118) is één lange, verrukte litanie van lof op de Wet. Door de Wet maakte God zijn Hart – de schittering van zijn waarheid, de glorie van zijn schoonheid, de onmetelijkheid van zijn goedheid – bekend aan Israel. De psalmist kan niet genoeg woorden vinden om de genereuze zelfopenbaring van God aan Israel te beschrijven. Met de mystieke accenten van een minnaar zingt de psalmist van het woord van de Heer, van zijn voorschriften, zijn geboden, zijn verordeningen, zijn bepalingen, zijn wetten, zijn wil, zijn rechtvaardigheid, zijn gerechtigheid, zijn barmhartigheid en zijn uitspraken. Na zich uitgeput te hebben, slaagt hij er nog niet in de glorie van wat God aan Israel openbaarde zelfs maar te benaderen!

De Weg, de Waarheid en het Leven

De vroegere rabbi’s verwezen naar de Torah, de Wet, as “de weg, de waarheid en het leven.” Als de Heer Jezus deze drie woorden op Zichzelf toepaste met de woorden “Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven”, openbaarde Hij Zichzelf als de ware Torah, de vervulling van de Wet en van de Profeten, de Ene en Enige Weg naar de Vader. In dit licht wordt psalm 119 (118) een litanie van liefde gericht tot het Woord, een langdurig schouwen van zijn Gelaat, een belijdenis van zijn heiligheid, zijn schoonheid, zijn goedheid en zijn barmhartigheid.

Een offer van aanbidding en van liefde

Er is waarachtige spirituele vreugde in de wekelijks terugkeer van psalm 119 (118). Het is een integraal onderdeel van de Dag des Heren, overstromend naar de feria secunda, de tweede dag van de week. Van alle psalmen is dit is degene die ik het meest direct tot Christus kan bidden, Hem vers na vers in aanbidding en in liefde aanbiedend.


Kleine uren

volgende
vorige
naar boven

HOOFDSTUK XVIII. In welke volgorde psalmen gezongen worden

  • 22 februari, 23 juni, 23 oktober (XVIII,7-11)
  • In de Terts, Sext en Noon van de maandag worden de negen nog overblijvende delen van psalm 118 gezongen, telkens drie in elk van die Uren. Psalm 118 wordt dus verdeeld over twee dagen, de zondag namelijk en de maandag; en van dinsdag af zingt men in de Terts, Sext en Noon telkens drie psalmen, te beginnen met psalm 119 tot en met psalm 127: dat zijn samen negen psalmen. Deze psalmen worden in die Uren tot aan de zondag telkens eender hernomen en eveneens blijft de regeling voor de hymnen, lessen en verzen voor al die dagen dezelfde. Dat wil dus zeggen, dat men op zondag altijd weer begint met psalm 118.

Geconcentreerde momenten van gebed

De zogenaamde Kleine uren zijn intense en geconcentreerde momenten van gebed, ongeveer iedere drie uren door de dag. Elk van de Kleine uren is verbonden met een mysterie in de Passie van Onze Heer, en met een gebeurtenis in het leven van de vroege Kerk die verhaald wordt in de Handelingen der Apostelen. Door deze mysteries en gebeurtenissen terug te halen, ondervindt de Kerk opnieuw de genade die zij betekenen, en dit dag aan dag.

Terts: de eerste statie van een dagelijkse kruisweg

Het Uur van de Terts roept in herinnering dat Jezus wordt beladen met het kruishout. Het is het begin van de dagelijkse liturgische kruisweg van de Kerk, gecomprimeerd tot drie staties.

Pilatus besliste dat gebeuren zou wat zij eisten: hij liet de man
die zij opvorderden los, al zat hij wegens oproer en moord in de gevangenis, maar Jezus leverde hij over aan hun willekeur. Toen zij Hem wegvoerden hielden zij een zekere Simon aan, een man uit Cyrene die van het veld kwam; hem belaadden ze met het kruis om het achter Jezus aan te dragen. Een grote volksmenigte volgde Hem, ook vrouwen die zich op de borst sloegen en over Hem weeklaagden. Jezus keerde zich tot hen en sprak: “Dochters van Jeruzalem, weent niet over Mij maar weent over uzelf en over uw kinderen. Weet dat er een tijd zal komen waarop men zeggen zal: Gelukkig de onvruchtbaren, wier schoot niet heeft gebaard en wier borst geen kind heeft gevoed. Dan zal men tot de bergen zeggen: Valt op ons en tot de heuvels: Bedekt ons. Want als men zo doet met het groene hout wat zal er dan met het dorre gebeuren?” Er werden nog twee anderen weggevoerd, twee misdadigers, om samen met Hem ter dood te worden gebracht. (Lc 23,24-32)

Wij moeten tot de Heilige Geest bidden en Hem afsmeken, want ieder
van ons heeft grote nood aan zijn bescherming en zijn hulp. Hoe meer iemand tekortschiet in wijsheid, zwak is in kracht, neergedrukt door moeilijkheden, geneigd tot zonde, des te meer moet hij vluchten tot Hem Die de niet aflatende bron is van licht, kracht, troost en heiligheid. (Paus Leo XIII, Divinum Illud Munus, encycliek van 9 mei 1897 over de Heilige Geest)

Pinksteren

Het uur van de Terts roept ook het mysterie van Pinksteren in herinnering (zie 19 februari). Iedere morgen roept de Kerk op het uur van de Terts de Heilige Geest aan. Degenen die stellen dat de traditionele katholieke vroomheidweinig aandacht besteedt aan de Heilige Geest, hebben weinig kennis of ervaring wat betreft het dagelijkse liturgische Pinksteren, het uur van de Terts. Het volstaat om de hymne van de Terts te overwegen, om iets te vatten van de intense traditionele “devotie” van de Kerk tot de Heilige Geest.

Kom, Geest, die zijt in ‘t hemelrijk,
de Vader en de Zoon gelijk,
en overstroom met overmacht
ons hart dat op uw zegen wacht.

Mond, tong, en geest en zin en kracht,
belijden zingende uw macht,
geef dat uw vuur dwars door ons gaat
en naar de naaste overslaat.

Wanneer de Kerk in haar liturgie een bepaald mysterie van Christus naar voren haalt, wordt dat mysterie present gesteld op een werkzame en indringende wijze. Het wordt in zekere zin hernieuwd in de zielen van degenen die, door zich over te geven aan het gebed van de Kerk, toelaten dat de liturgie hen in bezit neemt en als veren op de wind draagt ad Patrem, naar de Vader, met de Zoon, in de Heilige Geest.

Toen de dag van Pinksteren aanbrak waren allen bijeen op dezelfde
plaats. Plotseling kwam uit de hemel een gedruis alsof er een hevige wind opstak en heel het huis waar zij gezeten waren was er vol van. Er verscheen hun iets dat op vuur geleek en dat zich, in tongen verdeeld, op ieder van hen neerzette. Zij werden allen vervuld van de heilige Geest en zij begonnen te spreken in vreemde talen, naargelang de Geest hun te vertolken gaf. (Hnd 2,1-4)

Sext: Christus opgeheven van de aarde

Het uur van de Sext, de tweede statie op de dagelijkse via crucis, herinnert aan Jezus’ kruisiging. Genageld aan het hout van het Kruis, is hij gefixeerd in een houding van offerande aan de Vader als de Verlosser der mensen.

“Nu heeft er een oordeel over de wereld plaats, nu zal de vorst
dezer wereld worden buitengeworpen; en wanneer Ik van de aarde zal zijn omhooggeheven, zal Ik allen tot Mij trekken.” Hiermee duidde Hij aan welke dood Hij zou sterven. (Joh 12,31-33)

Voor de verlossing van alle naties

Tezelfdertijd herinnert het uur van de Sext aan de openbaring aan Petrus dat de verlossing, door Christus aan het Kruis bewerkt, openstaat voor iedere natie op aarde.

Petrus nam het woord en sprak: “Nu besef ik pas goed dat er bij God
geen aanzien des persoons bestaat, maar dat uit welk volk ook ieder die Hem vreest en het goede doet, Hem welgevallig is.” (Hnd 10,34-35)

Noon: bloed en water

Het uur van de Noon herinnert aan het verlossend sterven van Jezus aan het Kruis; het herinnert aan zijn heilige zijde, geopend door de lans van de soldaat, en het bloed en water die uit zijn doorboorde Hart stroomden. Door het uur van de Noon te vieren, heeft de Kerk altijd de herinnering bewaard van wat moderne devoties, voortbouwend op een tedere middeleeuwse vroomheid, terecht voorstelden als Het uur van de Barmhartigheid.

Bron van genezing

Tezelfdertijd herinnert het uur van de Noon aan de genezing van de lamme door de apostelen Petrus en Johannes, die Sint Lucas verhaalt in de Handelingen der Apostelen:

In die dagen gingen Petrus en Johannes eens naar de tempel op het
uur van de gebed, het negende uur. Daar was een man die vanaf zijn geboorte lam was en iedere dag naar de tempelpoort gedragen werd die de Schone genoemd wordt om daar neergezeten aalmoezen te vragen aan de mensen die de tempel binnengingen. Toen hij Petrus en Johannes zag die juist de tempel wilden binnengaan vroeg hij om een aalmoes. Petrus, evenals Johannes zag hem strak aan en zei: “Kijk ons eens aan.” Hij richtte zijn blik op hen in de verwachting iets van hen te krijgen. Doch Petrus sprak: “Zilver of goud heb ik niet maar wat ik heb geef ik u. In de naam van Jezus Christus de Nazoreeër gebruik uw voeten!” Hij pakte hem bij zijn rechterhand en hielp hem overeind. Op hetzelfde ogenblik kwam er kracht in zijn voeten en enkels, met een sprong stond hij overeind, begon te lopen en ging lopend en springend met hen de tempel binnen terwijl hij, God verheerlijkte. Heel het volk zag dat hij liep en God verheerlijkte. Zij herkenden hem als de man die altijd bij de Schone Poort van de tempel zat te bedelen en zij waren buiten zichzelf van verbazing over hetgeen met hem gebeurd was. (Hnd 3,1-10)

Immens in hun gevolgen

De zogenaamde Kleine uren zijn immens in hun gevolgen voor een waarachtig katholieke vroomheid. Iemand die ze dagelijks bidt, hetzij binnen het klooster hetzij te midden van het lawaai en de chaos van de wereld, zal de helende invloed van Christus’ Passie ervaren en de werking van de Heilige Geest, Die op ieder uur actief en werkzaam is in de Kerk.


Dixit Dominus Domino meo

volgende
vorige
naar boven

HOOFDSTUK XXVII. In welke volgorde de psalmen gezongen worden

  • 23 februari, 24 juni, 24 oktober (XVIII,12-19)
  • In de Vespers worden iedere dag vier psalmen gezongen. Deze psalmen beginnen bij psalm 109 en lopen tot psalm 147, met uitzondering van die welke voorbehouden zijn voor andere Uren, dat wil zeggen psalm 117 tot en met psalm 127 en bovendien psalm 133 en psalm 142; al de overige worden gezongen in de Vespers. Maar omdat men zo drie psalmen te kort komt, verdeelt men de langste psalmen van bovengenoemde reeks, te weten psalm 138, 143 en 144. Psalm 116 daarentegen wordt, omdat hij maar kort is, bij psalm 115 gevoegd. Dat is dan de volgorde van de vesperpsalmen: al het overige: de les, het responsorie, de hymne, het vers en het cantiek worden uitgevoerd zoals wij dat hierboven hebben vastgesteld. In de Completen herhaalt men iedere dag dezelfde psalmen, namelijk psalm 4, 90 en 133.

Christus, Priester en Koning

Sint Benedictus begint de wekelijkse cyclus van psalmen van de Vespers met psalm 109 op zondagmiddag. Psalm 109, een mysterievolle openbaring van Christus als Priester en Koning, heeft een voorkeursplaats in onze traditionele Benedictijnse cyclus van het Psalterium.

Toen Onze Heer Jezus Christus naar de psalmen zag, zag Hij zijn eigen gelaat als in een spiegel. Zo ook ziet zijn Bruid, de Kerk, het gelaat van Christus, haar Bruidegom, haar Koning, en Priester in de psalmen. Jezus citeert Psalm 109, waar Hij zegt (Mc 12,36): “David geeft zelf gezegd, door de Heilige Geest bewogen: ‘De Heer heeft gesproken tot mijn Heer: Zit aan mijn rechterhand, totdat Ik uw vijanden onder uw voeten heb gelegd.’ Als David Hem Heer noemt, hoe kan Hij dan zijn zoon zijn?”. Een toespeling op dezelfde Psalm 109 keert terug aan het slot van Sint Marcus’ evangelie: “Nadat de Heer Jezus aldus tot hen gesproken had, werd Hij ten hemel opgenomen en zit aan de rechterhand van God” (Mc 16,19).

Zowel Heer als Christus

Op de morgen van Pinksteren, predikt Sint Petrus, vervuld van de Heilige Geest, het mysterie van de verrezen en ten hemel opgestegen Christus met de woorden: “David immers is niet ten hemel opgestegen, maar toch zegt hij zelf ‘De Heer heeft gesproken tot mijn Heer: Zit aan mijn rechterhand, totdat Ik uw vijanden onder uw voeten heb gelegd.’ Voor heel het huis van Israël moet dus onomstotelijk vaststaan, dat God Hem en Heer en Christus heeft gemaakt, die Jezus die gij gekruisigd hebt” (Hnd 2,34-36). Psalm 109 is de basis van enkele van de belangrijkste Christologische leerstukken van het Nieuwe Testament. Sint Paulus verwijst ernaar in de brieven aan de Romeinen (8,34), Efeziërs (1,20) en Kolossenzen (3,1). Wij ontmoeten Psalm 109 viermaal in de Brief aan de Hebreeën.

Zit aan mijn rechterhand

Sinds de tijd van de Apostelen is Psalm 109 een spiegel geweest waarin de Kerk het mysterie overweegt van Christus in Zijn lijden en overwinning. Het gebruik van Psalm 109 in de gewijde liturgie zet in de Kerk Jezus’ eigen verstaan ervan voort, zoals het is doorgegeven aan de Apostelen. Diep in haar collectieve geheugen koestert de Kerk de unieke antifoon in de zevende modus, die eeuwenlang het avondoffer van lof op zondag heeft geopend: Dixit Dominus Domino meo: Dede een dextris meis (Ps 109,1). Zij hoort de stem van Christus die voor haar herhaalt wat de Vader tot Hem zei op de dag van de opstanding: “Zit aan mijn rechterhand” (Ps 109,1).

Psalmopschriften

De middeleeuwse monastieke psalmenboeken plaatsen een Christologische opschrift boven iedere psalm. Deze oude opschriften van de psalmen – er bestaan vele reeksen van – zeggen op een bepaalde manier: “Hier is het mysterie van Christus in deze psalm. Beschouw zijn gelaat als in een spiegel, en hoor in deze psalm het geluid van zijn stem.” Een zeer oude reeks opschriften heeft bij Psalm 109: “De godheid, de mensheid, het koningschap en het priesterschap van Christus.”

Het gehele mysterie van Christus

Als wij vers voor vers door de psalm gaan, zien wij in vers 1 de tronende Christus aan de rechterhand van de Vader, een beeld dat terugkomt in het Gloria van de Mis en in het Te Deum. In vers 3 horen wij de stem van de Vader: “Ik heb U vóór de dageraad verwekt”. Vers 4 is de verklaring van Christus’ eeuwig priesterschap: “Voor eeuwig zijt gij priester als Melchisedek”. De verzen 5 en 6 beschrijven de overwinning van Christus op de machten van de dood. In het laatste vers van de psalm wordt het mysterie van Christus’ lijden, dood en opstanding genoemd: “Hij laaft zich uit de bergstroom langs de weg de stroom van zijn bitter lijden – dan gaat Hij voort met opgeheven hoofd – in de glorie van de opstanding en hemelvaart”.

Drinken uit de stroom

Hoe verhoudt zich dit alles tot ons leven? Wanneer wij het gelaat van Christus gaan zien in de psalmen zoals in een spiegel, kunnen wij ook het verband leggen met onze eigen monastieke tocht. Wij zijn allen geroepen om op een of andere wijze te “drinken uit de stroom [van vernedering en lijden] langs de weg” (Ps 109,7). Tegelijkertijd is onze onvergankelijke hoop is dat, zoals Christus en met Hem, ook wij “ons hoof zullen opheffen.” Al wat door de Vader tot Christus gezegd werd, is tot ons gezegd. Al wat voltooid werd in Christus ons Hoofd, moet worden vervuld in zijn Lichaam en in elk van zijn ledematen. Op die wijze zingen wij de psalmen van David, de psalmen van Christus, als wij dag aan dag, week aan week, voortgaan.


Noot

In de katholieke nummering is deze psalm Psalm 110!
De psalm zoals de zusters die zingen:

1 Zo zegt het De Heer tot mijn heer:
    ‘wees gezeten aan mijn rechterhand:
welhaast doe ik uw vijanden zijn
    een voetschabel voor uw voeten.’
2 Want De Heer strekt uw heersersstaf vanuit Sion: gebieden zult gij
    tot diep in vijandelijk tand.
3 U toegewijd is uw volk
    als de dag aanbreekt van uw heerban.
Getooid als gold het een feest,
uit de schoot van de dageraad
    zie! als schitterdauw uw jonge krijgers.
4 De Heer zwoer het – Hij neemt het niet terug:
    ‘gij zult priester zijn, de eeuwen door,
    krachtens mijn uitspraak: Melchisedek.’
5 Mijn heer zetelt aan uw rechterhand:
    koningen slaat hij neer als hij toornt,
6 richt over de heidenen, velt hen ongeteld,
    verplettert hun sterkte zover de aarde reikt.
7 Hij lest zijn dorst onderweg uit de beek.
    Hoog mag hij heffen het hoofd.

Het wekelijks psalterium

volgende
vorige
naar boven

HOOFDSTUK XVIII. In welke volgorde de psalmen gezongen worden

  • 24 februari (buiten de schrikkeljaren bij 23 februari trekken), 25 juni, 25 oktober (XVIII,20-25)
  • Dit is dan de regeling van het psalmgezang in de loop van de dag. Alle psalmen die overblijven worden gelijkmatig verdeeld over de zeven nachtgetijden, maar zó, dat de langste van die psalmen gedeeld worden en iedere nacht er twaalf krijgt. Vóór alles dringen wij hierop aan: als iemand deze psalmverdeling niet zou bevallen, laat hij dan een andere maken die hij beter oordeelt, mits hij er onverkort aan vasthoudt, dat iedere week het volledig psalmboek met zijn honderdvijftig psalmen gezongen wordt en dat dit telkens opnieuw van het begin af hernomen wordt in de Metten van de zondag. Want al te traag in de dienst waaraan zij zich gewijd hebben tonen zich monniken, die in de loop van een week minder zingen dan het boek der Psalmen met de gebruikelijke kantieken, als wij immers lezen, dat onze heilige Vaders met ijver ditzelfde op één dag verrichtten, wat wij, lauwe monniken, toch wel in een hele week mogen doen.

Een niet-onderhandelbaar punt

Met dit gedeelte van Hoofdstuk XVIII besluit onze vader Sint Benedictus zijn verdeling van de 150 psalmen over de loop van de week. Dit gedaan zijnde, toont hij zijn nederigheid en redelijkheid door een andere verdeling van de psalmen toe te staan, echter onder een voorwaarde: dat het hele psalterium van honderdvijftig psalmen elke week gezongen wordt, en altijd opnieuw begonnen met de Metten op zondag. Sint Benedictus is zo duidelijk op dit punt, dat men niet kan afwijken van het principe van de recitatie van het gehele psalterium van honderdvijftig psalmen over de week verdeeld, zonder buiten de marges van de Heilige Regel te treden. De verdeling van de psalmen over de week is een van de zeer weinige niet-onderhandelbare punten van Sint Benedictus.

Vanuit Benedictus’ verlof voor een andere verdeling
van de psalmen, hebben de Benedictijnen van de Congregatie van Sint-Maurus in de 17de eeuw een meesterlijke psalmencyclus van een week ontwikkeld voor hun eigen Breviarium. Anderen, waaronder de monniken van Silverstream Priory, baseren zich op dit schema van de Mauristen.

Wij lauwe monniken

Waarom is Sint Benedictus zo vasthoudend met betrekking tot dit principe? Hij legt uit: “Al te traag in de dienst waaraan zij zich gewijd hebben tonen zich monniken, die in de loop van een week minder zingen dan het boek der Psalmen met de gebruikelijke kantieken, als wij immers lezen, dat onze heilige Vaders met ijver ditzelfde op één dag verrichtten, wat wij, lauwe monniken, toch wel in een hele week mogen doen..” Het is daarom duidelijk dat Benedictijnen gehouden zijn wekelijks het psalterium in zijn geheel te bidden.

Voordelen

Er ontstaat wonderlijk profijt van de wekelijkse herhaling van de psalmen: ze worden vertrouwd, soms zozeer dat men ze onthoudt; de smaak ervan blijft lang op het gehemelte van de ziel; ze worden de grond van authentieke Christelijke contemplatie, want dóór de psalmen gaat het gebed van Christus over in ons en wij gaan over in zijn gebed tot de Vader.


De zorg voor de zwakken

volgende
vorige
naar boven

HOOFDSTUK XXVII. Hoezeer de abt bezorgd moet zijn voor hen die in de ban zijn

  • 4 maart, 4 juli, 3 november (XXVII,1-9)
  • De grootste zorg moet de abt besteden aan de broeders die misdoen, omdat “ niet de gezonden een geneesheer nodig hebben maar de zieken”. En daarom moet hij alleszins als een ervaren arts alle middelen aanwenden: hij stuurt “ senpecten” uit, dat wil zeggen ervaren en wijze broeders, die de wankele broeder als het ware in het geheim komen bemoedigen en opwekken om nederig voldoening te brengen. Zij moeten hem bemoedigen, “ opdat hij niet door al te grote droefheid overmand worde”, maar zoals de Apostel verder zegt: “De liefde voor hem moet nog groeien”, en door allen moet voor hem gebeden worden.
    De abt moet immers met de uiterste zorg ervoor waken en zich met al zijn scherpzinnigheid en ijver ervoor inzetten, om geen enkel van de schapen, die hem zijn toevertrouwd te laten verloren gaan. Want hij moet goed weten, dat hij de zorg voor zieke zielen op zich genomen heeft en geen heerschappij over gezonden, en hij vreze de dreigende uitspraak van de profeet, waardoor God zegt: “ Wat u vet toescheen, hebt ge gehouden, en wat zwak was hebt ge verstoten”. Laat hij het liefdevol voorbeeld van de goede Herder navolgen, die de negenennegentig schapen in de bergen achterliet om het ene schaap, dat verdwaald was, te gaan zoeken. Met diens zwakheid had Hij zoveel medelijden, dat Hij het op zijn heilige schouders wilde nemen om het zo naar de kudde terug te dragen.

Zien zoals God ziet

Zelden roep God mannen met schitterende kwaliteiten, smetteloze integriteit en volmaakte gezondheid tot het monastieke leven. Een klooster is geen stadion voor ascetische prestaties; het is een ziekenzaal voor zielen in verschillende stadia van geestelijke revalidatie en herstel. Sint Benedictus bevestigt dit in Hoofdstuk LXXII, waar hij zegt: “zij moeten elkanders zwakheden, lichamelijke zowel als morele, met het grootste geduld verdragen.” En in dit hoofdstuk (XXVII) zegt Sint Benedictus: “[de abt] moet goed weten, dat hij de zorg voor zieke zielen op zich genomen heeft.” God ziet niet zoals de mens ziet. Wat de mens ziet als mislukking, crisis en instabiliteit, ziet God speelruimte voor de ontplooiing van zijn barmhartigheid, zijn kracht en zijn trouw.

Redden van de schroothoop van ongeschikten

“Jezus zei tot hen: Hebt gij nooit in de Schrift gelezen: de steen die de bouwlieden hebben afgekeurd, is juist de hoeksteen geworden? Op last van de Heer is dit gebeurd en het is wonderbaar in onze ogen” (Mt. 21,42). Het meesterplan van de Vader waardoor de Zoon, verworpen door de bouwers van zijn tijdperk, de hoeksteen werd in het bouwwerk van Gods Koninkrijk, wordt voortgezet door de tijden in de heiligen, bekend en niet onbekend, in de levens van die door de Kerk gecanoniseerd zijn en in het duister van levens die volslagen onbekend gebleven zijn. Het behaagt God om gebruik te maken van degenen die wijzen en verstandigen verwerpen. God redt in alle tijden mensen van de schroothoop van ongeschikten waarheen de wereld (en de wereldlijken in de Kerk) ze hebben verbannen.

Sint Petrus

Toen de Heer Simon Petrus riep, wist Hij tevoren dat Petrus een gebroken en weinig betrouwbaar element zou blijken in de fundering van zijn Kerk. Hij wist dat Petrus Hem zou verloochenen. Hij wist dat Petrus meer lafhartigheid dan moed zou tonen in het aangezicht van het lijden. Hij wist ook dat, na de Opstanding, een gevallen Petrus deze schitterende belijdenis zou uitspreken van vertrouwen en van liefde, deze volmaakte act van eerherstel: “Heer, Gij weet alles; Gij weet dat ik U liefheb” (Joh.  21,17).

Sint Paulus

Toen Onze Heer Saulus van Tarsus riep, zag Hij een man getekend door hoogmoed, spirituele arrogantie, buitensporig in woord en in daad, diep gezonken in eigengerechtigheid en gekweld door een innerlijke onrust. Hij zag ook Paulus de Apostel, ten diepste nederig, vol van barmhartigheid voor zondaars en medeleven voor de zwaksten, in staat tot grote heldhaftigheid in de dienst van het Evangelie, volledig overgegeven aan zijn algenoegzame genade, en met het vermogen om de vrede van de Heilig Geest uit te stralen.

Denkt maar aan uw eigen roeping, broeders. Naar menselijke maatstaf
waren er niet velen geleerd, niet velen machtig, niet velen van hoge afkomst. Nee, wat voor de wereld dwaas is, heeft God uitverkoren om de wijzen te beschamen; wat voor de wereld zwak is, heeft God uitverkoren om het sterke te beschamen; wat voor de wereld van geringe afkomst is en onbeduidend, heeft God uitverkoren; wat niets is o teniet te doen wat iets is, opdat tegenover God geen mens zou roemen op zichzelf. Dankzij Hem zijt gij in Christus Jezus, die van Godswege heel onze wijsheid is geworden, onze gerechtigheid, heiliging en verlossing. Daarom, zoals er geschreven staat: als iemand wil roemen, laat hem roemen op de Heer. (1 Kor.  1,26-31)

De gebrekkigen en gebrokenen

Een abt moet het gezin van gebrekkigen en gebrokenen aanvaarden die God hem heeft toevertrouwd, vol vrees voor de dreiging van de profeet (Ez. 34,3-4), waarin God zegt: Wat u vet toescheen, hebt ge gehouden, en wat zwak was hebt ge verstoten. Dit wil niet zeggen dat ieder die komt moet worden opgenomen. Roepingen moeten zorgvuldig onderscheiden worden; sommigen zullen heengezonden moeten worden als ongeschikt voor het kloosterlijk leven. Geloof in de kracht van de genade en vertrouwen op het helende werk van de Heilige Geest ontslaan iemand niet van het gebruik van gezond verstand, voorzichtigheid en de nodige zorgvuldigheid.

Volslagen disfunctioneel naar menselijke maatstaf

Dit gezegd zijnde, zodra iemand door de professie is opgenomen in de monastieke familie, moet hij worden behandeld als een zoon van het huis. Door de gelofte van stabiliteit bindt een monnik zich aan een specifieke monastieke familie, aan zijn vader en aan zijn broeders. Na de tijdelijke geloften wordt de nieuwe relatie erkend en bevestigd, en het besluit om vooruit te gaan wordt publiek. Met de eeuwige professie is de aanname volledig.
Een klooster is geen bedrijf waarin medewerkers ontslagen kunnen worden op grond van onvoldoende prestatie. Het is geen universiteit waar degenen die sufferds blijken, kunnen worden weggestuurd. Het is geen exclusieve club die het volledig lidmaatschap weigert aan wie niet aan de juiste vereisten voldoet. Een klooster is een familie, volslagen disfunctioneel naar welke menselijke maatstaf ook, en tegelijkertijd functionerend door de genade als het levend organisme van het Lichaam van Christus.

Wat nodig is

Andere religieuze ordes kunnen – terecht – mannen weigeren met onvoldoende kwaliteiten en talenten die nodig zijn voor hun specifieke of karakteristieke apostolaten. Een Jezuïet moet snel kunnen denken, bereid zijn tot zelfverloochening en zich gemakkelijk in de wereld kunnen bewegen zonder wereldlijk te worden. Een Dominicaan moet kunnen preken en de schittering van de waarheid uiteenzetten, daarbij God voortdurend prijzend. Een Franciscaan moet kunnen leven met heel weinig, in de totale verzaking aan bezit, en in een vreugdevol en zorgeloos zich verlaten op de Voorzienigheid. Een Redemptorist moet de armen kunnen evangeliseren in de verste uithoeken, met gebruik van een taal die eenvoudig is en het hart weet te raken.

Eenvoudigweg monniken

Wij Benedictijnen hebben geen onderscheidend apostolaat, geen specifieke zending, geen bijzonder doel behalve onophoudelijk gebed en zuiverheid van hart. In Hoofdstuk LVIII van de Heilig Regel, vraagt Sint Benedictus slechts drie zaken van iemand die toelating zoekt tot het klooster: 1) dat hij werkelijk God zoekt; 2) dat hij ijver heeft voor het Opus Dei (het Goddelijk Office); 3) dat hij bereid is tot gehoorzaamheid en vernederingen. In mannen met deze drie vereisten zal een abt zonen vinden, gereed voor opname in de monastieke familie. Wanneer een ervan ontbreekt, kan men van zo iemand niet zeggen dat hij een Benedictijner roeping heeft.
Hoewel het waar is dat kloosters bepaalde werken verrichten, bepalen die werken niet het monastieke leven. Wanneer de werken die Benedictijnen ondernemen, mislukken of failliet gaan, of onderdrukt worden door een vijandige overheid, wordt niets essentieels van het Benedictijnse leven erdoor geraakt. Monnik-zijn gaat niet over kaas of bier maken of wat ook, hoewel zij dat alles kunnen doen en zeer goed doen. Monnik-zijn heeft niet te maken met gewaden ontwerpen en maken, of met miniaturen schilderen, geleerde verhandelingen schrijven of uitstekende scholen leiden, hoewel zij dat alles kunnen doen en het tot een succes maken. Monnik-zijn gaat zelfs niet om Gregoriaans zingen, hoewel men mag hopen dat ze het doen en het goed doen!

Dokter, vader, herder

Dit alles bij wijze van achtergrond bij Hoofdstuk XXVII. Het is een van de mooiste hoofdstukken van de Regel; het toont Sint Benedictus’ vaderlijk hart. De abt is een dokter die zich wijdt aan de zorg voor de zielen ziek van zonde; hij is een vader die er zorg voor heeft dat geen van zijn zoons door te grote droefheid overmand wordt; hij is een goede herder, gereed om het verdwaalde schaap te zoeken, om medelijden te hebben met zijn zwakheid, en het op zijn eigen schouders over ruw en verraderlijk terrein te dragen. De plicht van de abt is om zijn gezin bijeen te houden, waarbij hij de zwakken en brozen even stevig en teder vasthoudt als de gezonden en sterken.

Over hen die herhaaldelijk gestraft zijn en zich niet willen beteren

volgende
vorige
naar boven

HOOFDSTUK XXVIII. Over hen die herhaaldelijk gestraft zijn en zich niet willen beteren

  • 5 maart, 5 juli, 4 november (XXVIII,1-8)
  • Als een broeder herhaaldelijk voor een vergrijp gestraft is en zich, zelfs na in de ban gedaan te zijn, niet betert, moet er een gevoeliger straf op hem worden toegepast; dat wil zeggen, dat men zijn toevlucht neemt tot lijfskastijding.
    Als hij zich dan nog niet betert of zich zelfs ongelukkigerwijze door hoogmoed laat meeslepen en zijn handelwijze wil verdedigen, dan doet de abt wat een ervaren arts moet doen: als hij kompressen heeft aangewend, de zalf van zijn vermaningen, de geneesmiddelen van de heilige Schrift en tenslotte de gloeiende stift van ban en geseling, en hij bemerkt dan dat al zijn moeite vruchteloos blijft, dan moet hij ook nog het sterkste middel aanwenden, namelijk zijn eigen gebed en dat van alle broeders, opdat de Heer die alles vermag, de genezing van de zieke broeder moge bewerken.
    Als hij ook op deze wijze niet geneest, dan tenslotte gebruikt de abt het amputeermes volgens het woord van de Apostel: “Verwijder de boosdoener uit uw midden”; en verder: “gaat de trouweloze heen, laat hem gaan”, anders zou één ziek schaap wel eens de hele kudde kunnen besmetten

Gehechtheid aan de zonde

Uit de toon van dit hoofdstuk blijkt duidelijk dat onze vader Sint Benedictus uit de eerste hand kennis had van de zaken die hij beschrijft. Er zijn altijd Christenen geweest, zelfs binnen het klooster, die de genade van de bekering weerstaan. Je ontwikkelt gemakkelijk een gehechtheid aan je zonde. Je overtuigt jezelf ervan dat een bepaald genot het leven met al zijn ontberingen minder ondraaglijk maakt. Je praat jezelf aan dat je niet kunt veranderen terwijl je in waarheid niet langer wilt veranderen. Hoe makkelijk word je oud in je zonden op de manier waarop je gewend raakt aan een paar comfortabele sloffen.

Rationalisatie

God verhoede dat in het monastiek leven patronen van zonde zo routineus worden dat ze een monnik verblinden tot op het punt van niet zien dat zijn gebruikelijke overtredingen hem vervreemden van God en zijn afdaling in de hel versnellen. De overtreder, misleid door hoogmoed, kan zelfs zijn gehechtheid aan de zonde gaan rationaliseren. De abt is daarom verplicht om tussenbeide te komen voordat incidentele fouten veranderen in systematische fouten (ondeugden), die veel lastiger uit iemands leven te snijden zijn, en van het leven van de gemeenschap.

De werkwijze

Sint Benedictus ordent de ingrepen van de abt in vijf opklimmende stappen. Deze zijn:

1) Kompressen en vermaningen. Dit zijn remedies die iedere wijze arts zou toepassen. Een kompres is het aanleggen van een warm verband, met of zonder geneeskrachtig kruid, om de pijn te verlichten en ontsteking te verminderen. Het is niet ongewoon dat bepaalde ondeugden slechts een poging zijn om overweg te kunnen met een onderliggende emotionele pijn. Herhaald zondigen veroorzaakt geestelijke ontsteking. Welke soort kompressen zou de abt gebruiken? Minzame woorden die het hart kunnen openen, woorden van licht en van hoop, krachtige woorden om de wil te bespoedigen en in de juiste richting te stimuleren. Vaak zijn enkele eerlijke gesprekken van hart tot hart voldoende om een openheid voor de genade te bewerken en een nieuwe start.

2) De geneesmiddelen van de Heilige Schrift. Het Woord van God is een krachtig reinigingsmiddel, een machtig ontsmettingsmiddel, een genezende balsem. De abt zal de afgedwaalde broeder wijzen op bepaalde passages in de Heilige Schrift – met name die voorkomen in de Heilig Mis en het Goddelijk Officie – en hem opdragen deze te lezen, te herhalen, ermee te bidden, ze te herhalen,ermee te bidden totdat zij tenslotte een innerlijke bekering bewerken. Bepaalde zondenpatronen kunnen worden herleid tot het verwaarlozen en vervolgens opgeven van de lectio divina.

3) De ban. Door de ban wordt een broeder uitgesloten van het koor en de gemeenschappelijke tafel. Hij krijgt een time out, tijd om na te denken, tijd om alleen te zijn met zichzelf. De ban is een gelegenheid om de woestijn binnen te gaan. “Daarom, weldra lok Ik haar weer naar Mij toe, zorg Ik dat zij naar de woestijn gaat en spreek Ik tot haar hart” (Hos. 2,16). Tijd van afzondering kan iets heilzaams zijn.

4) Lijfstraf. Sint Benedictus schrikt niet terug van het gebruik van lijfstraffen; hij weet dat de mens een samenstel is van lichaam en ziel. Men zal zich herinneren dat stokslagen in veel scholen werden toegepast. Hoewel er geen sprake is van die praktijk nieuw leven in te blazen, is het onderliggend beginsel dat het lichamelijke betrokken wordt in het bekeringsproces, om degene die in de zonde verhard is te bewegen tot meewerking met de tedere en krachtige werking van goddelijk genade. Hoewel een pak slaag niet langer met dit doel wordt toegepast, blijft enigerlei vorm van lijfelijke deelname in het werk van de bekering heilzaam. Dit kan iets simpels zijn als een broeder zijn glas wijn te ontzeggen (een klassieke methode, vooral in Italië), of hem een overwoekerd deel van de tuin te laten wieden.

5) Het gebed van de abt en dat van alle broeders. Het zal sommigen verbazen te zien dat Sint Benedictus deze remedie als laatste noemt. Hij verwijst hier niet slechts naar een privaat smeekgebed ten behoeve van de dwalende broeder, maar naar een algehele mobilisatie van de voorbede van de gehele communiteit opdat de Heer die alles vermag, de genezing van de zieke broeder moge bewerken. In Sint Benedictus’ tijd kan dit best een openbaar quasi-liturgisch karakter gehad hebben. Tegenwoordig kan een abt zijn communiteit opdracht geven samen met hem een noveen te houden voor een broeder in dringende geestelijke nood, of hij kan communiteit rond zich verzamelen in een vertrouwvol bemiddelingsgebed, vertrouwend op de woorden van Onze Heer: “Eveneens zeg Ik u: wanneer twee van u eensgezind op aarde iets vragen – het moge zijn wat het wil – zullen zij het verkrijgen van mijn Vader die in de hemel is. Want waar twee of drie verenigd zijn in mijn Naam, daar ben Ik in hun midden” (Mt. 18,19-20).

Verwijdering

Als al deze geneesmiddelen op een zieke broeder zijn toegepast, kan de abt verplicht zijn om, voor de bestwil van de monastieke familie, het zwaard of het amputeermes van de verwijdering te gebruiken. Het is duidelijk dat dit voor Sint Benedictus een laatste redmiddel is. De monnik die verhard is in de zonde blijft een zoon van het monastieke huis; het is hartverscheurend en verschrikkelijk om hem te moeten wegzenden, analoog aan het wegsturen van iemands eigen moeilijke puber om de jongere broers en zusters in het familie te beschermen. In onze tijd kan een abt niet overgaan tot verwijdering uit de communiteit zonder zich strikt te houden aan de procedures die het Canoniek Recht voorschrijft.


Wanneer een monnik heengaat

volgende
vorige
naar boven

HOOFDSTUK XXIX. Of broeders die uit het klooster zijn heengegaan weer opgenomen moeten worden

  • 6 maart, 6 juli, 5 november (XXIX,1-3)
  • Een broeder, die uit eigen schuld heengaat uit het klooster, moet, als hij wil terugkeren, eerst beloven, dat hij zich geheel zal beteren van de fout die zijn weggaan veroorzaakt heeft; dan pas neemt men hem weer op, maar op de laatste plaats om hierdoor zijn nederigheid te beproeven. Wanneer hij nogmaals heengaat, moet men hem zo tot driemaal toe opnieuw opnemen, maar hij moet wel weten, dat hem nadien iedere terugkeer zal worden ontzegd.

Om zijn nederigheid te beproeven

Het gebeurt soms dat monniken “van huis heengaan.” Het is het oude verhaal, zo vaak verhaald door de woestijnvaders, van de monnik die zijn oude verblijf mist tussen de lichten en glans van De Grote Stad, of van de monnik die meent dat de oplossing voor zijn melancholie en aversie voor gebed (klassieke symptomen van lusteloosheid of apathie) elders ligt, waar dan ook, behalve in zijn klooster. Meestal wil de monnik die het klooster ontvlucht – na in de wereld weer bij zinnen gekomen te zijn – erheen terugvluchten. Sint Benedictus is geduldig en wijs. De monnik, vernederd en gelouterd door zijn overhaast gedrag en instabiliteit, moet opnieuw worden opgenomen in de gemeenschap, en dit tot driemaal toe.

Een zachte barmhartigheid

Naar het uiterlijk wordt er geen gemest kalf geslacht, zijn er geen mooie nieuwe kleren of schoenen aan zijn voeten, noch geluiden van feestelijkheden; maar er is die zachte barmhartigheid van de abt, bewezen met een rustige, mannelijke terughoudendheid, en er is die liefde van de broeders die in hun eigenzinnige broeder de wegloper in henzelf herkennen, en bewogen worden tot mededogen jegens hem. De teruggekeerde broeder wordt verwelkomd op de laatste plaats teneinde zijn nederigheid te beproeven. Heeft hij uit deze onfortuinlijke escapade werkelijk iets geleerd over zichzelf en over God? Wordt die voor hem een gebeuren van genade en van berouw?

Afscheid

Na drie van dergelijke voorvallen echter, wil Sint Benedictus dat de abt de weggelopen broeder helpt te begrijpen dat diens gangen goed zijn noch hemzelf noch de gemeenschap. Hij zal een definitieve keuze moeten maken. Indien dit een keuze is voor een leven in de wereld en afscheid van het klooster, zal de abt zijn keuze bekrachtigen; de noodzakelijke canonieke procedure wordt gevolgd, en een nieuw hoofdstuk in de mans leven begint. Er zullen altijd mannen zijn die de idee van monastiek leven koesteren maar, om welke reden ook, zich niet kunnen aanpassen aan dit dag in dag uit te leven. Zulke mannen kunnen voortgaan met heilig en vruchtbaar te leven in de wereld, maar zij moeten voor ogen houden dat nostalgie naar bepaalde aspecten van monastiek leven nog geen monastieke roeping betekent.


Iedere leeftijd en begripsvermogen

volgende
vorige
naar boven

HOOFDSTUK XXX. Hoe men kinderen van jeugdige leeftijd moet straffen

  • 7 maart, 7 juli, 6 november (XXX,1-3)
  • Iedere leeftijd en begripsvermogen moet men op een aangepaste wijze bejegenen. Daarom moeten kinderen of jonge monniken of zij, die niet in staat zijn in te zien welk een zware straf de ban is, wanneer zij iets verkeerds doen, ofwel met streng vasten worden gestraft, ofwel met gevoelige lijfstraffen getuchtigd worden, om zo genezing te vinden.

Juiste maat van discipline

Kloosters hebben niet langer klein oblaten: jongens die door hun ouders aan God gegeven zijn en aldus opgenomen in de school van de dienst van de Heer. Dit hoofdstuk kan echter om deze reden niet terzijde geschoven worden. Het bevat twee belangrijke beginselen. Het eerste is dat men “iedere leeftijd en begripsvermogen moet men op een aangepaste wijze bejegenen [1].” Mannen komen naar het klooster met verschillende maten van emotionele rijpheid en ervaring. Niet allen kunnen direct de waarde en betekenis van de hele observantie bevatten. Het kost tijd – een leven – om monnik te worden. In het Benedictijnse leven is er een bereidheid om de objectieve maten van discipline aan te passen aan de leeftijd en het begripsvermogen van het individu. Het is geen kwestie van een maat die allen past.

Dat zij leven bezitten

Het tweede beginsel is dat elke disciplinaire maatregel wordt genomen omwille van de innerlijke genezing van de monnik: om zo genezing te vinden. Monastieke discipline is genezend en, in de edelste zin van het woord, therapeutisch. Het is niet slechts straffend. Het staat ten dienste van het leven, en van leven in overvloed. “Ik ben gekomen opdat zij leven bezitten en wel in overvloed” (Joh 10,10).


Noot

[1] De Engelse vertaling van de Regel heeft: “every age and understanding should have its proper measure of discipline”, wat de nadruk legt op de discipline of kloosterlijke tucht.


Kellenaars en diakens

volgende
vorige
naar boven

HOOFDSTUK XXXI. Welke hoedanigheden de kellenaar van het klooster moet bezitten

  • 8 maart, 8 juli, 7 november (XXXI,1-12)
  • Als kellenaar van het klooster wordt iemand uit de gemeente gekozen, die wijs is, rijp van karakter, sober en matig, niet verwaand, niet wispelturig, niet bars, niet traag, en niet verkwistend, maar godvrezend; hij moet als een vader zijn voor de gehele gemeente. Hij draagt zorg voor alles, maar doet niets buiten de opdracht van zijn abt om. Hij houdt zich aan wat hem bevolen wordt. Hij mag de broeders niet grieven. Zou een broeder hem iets onredelijks komen vragen, dan moet hij hem niet grieven door hem vanuit de hoogte te behandelen, maar nederig weigere hij met opgave van redenen wat ten onrechte gevraagd werd. Hij wake over zijn ziel, steeds het woord van de Apostel indachtig, dat “wie zijn taak goed volbrengt, zich een goede plaats verwerft”. Bijzonder veel zorg moet hij besteden aan de zieken, de kinderen, de gasten en de armen, wel wetend, dat hij over hen allen rekenschap zal moeten afleggen op de dag van het oordeel. Alle gerei en bezit van het klooster moet hij beschouwen als vaatwerk dat aan de altaardienst gewijd is. Niets mene hij te mogen verwaarlozen. Hij mag niet gierig zijn, maar ook geen verkwister die het bezit van het klooster verspilt; alles daarentegen moet hij doen met gevoel voor maat en in overeenstemming met de opdracht van de abt.

Als een vader zijn voor de gehele gemeenschap

De abt kiest zijn kellenaar uit de broeders, waarbij hij ervoor zorgt een man te benoemen die “wijs is, rijp van karakter, sober en matig, niet verwaand, niet wispelturig, niet bars, niet traag, en niet verkwistend, maar godvrezend; hij moet als een vader zijn voor de gehele gemeenschap”. De beschrijving van Sint Benedictus’ kellenaar lijkt precies te zijn waarnaar een bisschop op zoek is in zijn diakens. Merk op dat Sint Benedictus zegt dat hij wil dat de kellenaar “als een vader zijn voor de gehele gemeenschap” zij. Het is de verantwoordelijkheid van de abt, als vader van het klooster, om andere vaders voort te brengen, om in ieder van zijn zonen de volle ontwikkeling van hun mannelijk potentieel te bevorderen. Slechts door de groei in het vaderschap realiseert een man zijn door God gegeven potentieel.

Een vader onder vaders

Ooit zei een Europese abt in een interview: “Noem mij geen Vader; ik ben slechts een broeder onder broeders, zelfs al ben ik gekozen om de communiteit te leiden”. (Hetzelfde hoort men onder vrouwelijke religieuzen.) Dit is niet anders dan een aftreksel van de oude beginselen van de Franse Revolutie – vrijheid, gelijkheid, broederschap – die het religieuze leven besmetten en vergiftigen, en het vermoeid, steriel en degeneratief maken. Een abt is niet een broeder onder broeders; hij is de Vader onder vaders.

Groei of teruggang

Een monastieke gemeenschap moet iets voortbrengen of ze zal gaat achteruit. Zonder mannen die volgroeid zijn in geestelijk vaderschap, in elk van zijn vele uitingsvormen, en de verantwoordelijkheden nemen die daaraan eigen zijn, zal een gemeenschap wegkwijnen en uitsterven. Geestelijke vruchtbaarheid is intrinsiek verbonden aan vaderschap en moederschap in de rangorde van genade. “Ik ben de wijnstok, gij de ranken. Wie in Mij blijft terwijl Ik blijf in hem, die draagt veel vrucht, want los van Mij kunt gij niets. Als iemand niet in Mij blijft wordt hij weggeworpen als de rank en verdort; men brengt ze bij elkaar, gooit ze in het vuur en ze verbranden.” (Joh. 15,5-6) Zoals de kellenaar is als een vader voor zijn klooster, is de diaken, op zijn manier, als een vader voor de Kerk.

Onzichtbaar toegerust

Door te zeggen “hij draagt zorg voor alles” [lett. alle dingen], maakt Sint Benedictus een belangrijk onderscheid. De kellenaar heeft de zorg voor alles – de dingen; de abt, daarentegen, heeft de zorg voor allen. De abt van het klooster draagt zorg voor de zielen; het is zijn zending om te zorgen voor de mannen onder zijn hoede door hen te voorzien van het dagelijks brood van goddelijk onderricht, de sacramenten, geestelijk voedsel, drank en medicijnen en, bovenal, zijn zegen en bemiddelend gebed. De kellenaar heeft de zorg voor de dingen. Sint Benedictus minimaliseert het belang en de waarde van dingen niet. Integendeel, hij wil dat men ermee omgaat “als [met] vaatwerk dat aan de altaardienst gewijd is”. De kellenaar voert zijn beheerstaak uit in onderwerping aan de abt, want zoals in alles staat hier het materiële ten dienste van het geestelijke, het menselijke ten dienste van het goddelijke, het vergankelijke van wat eeuwige. Dit kunnen wij teruglezen in de Inleiding van Sacrosanctum Concilium (nr 2):

[De Kerk] heeft als eigen kenmerk dat zij menselijk is en goddelijk
tevens, zichtbaar een met onzichtbare werkelijkheden toegerust, bruisend van activiteit en zich wijdend aan de beschouwing. In de wereld prezen en toch een vreemdelinge: en dit alles zó, dat het menselijke in haar op het goddelijke is gericht en daaraan ondergeordend, het zichtbare op het onzichtbare, de actie op de contemplatie en het tegenwoordige op de toekomstige woonplaats, die wij zoeken.

Welwillendheid

De kellenaar mag zijn broeders niet grieven of ergeren. Zijn zending is feitelijk een atmosfeer te bevorderen van tevredenheid en vreugde binnen de communiteit. Zelfs verzoeken die onredelijk mogen lijken moeten welwillend in overweging genomen worden. Deze houding van welwillendheid is typisch Benedictijns; ze is een uitdrukking van vriendelijkheid, van nederigheid en van een edel karakter. Zou een verzoek moeten worden geweigerd, dan moet zelfs de weigering op zo’n wijze geschieden dat de broeder die het verzoek deed tevreden en met vrede in zijn hart heengaat. De kellenaar moet zich de kunst eigen maken van “nee” zeggen, wanneer nodig, op zo’n welwillende en hoffelijke manier, dat de liefde op geen enkele wijze wordt aangetast, en vreugde op geen enkele wijze wordt verminderd.

Een uitdeler van barmhartige hulp

“Bijzonder veel zorg moet hij besteden aan de zieken, de kinderen, de gasten en de armen, wel wetend, dat hij over hen allen rekenschap zal moeten afleggen op de dag van het oordeel”. Bij het lezen van deze zin komt ons direct Sint Laurentius, de Romeinse diaken-martelaar, voor de geest. De kellenaar is de aalmoezenier van de abt, dat wil zeggen de gevolmachtigde uitdeler van barmhartige hulp aan degenen in nood. Nogmaals, men ziet duidelijk dat de diaken zijn dienst verricht in relatie tot zijn bisschop op dezelfde wijze als de kellenaar zijn dienst verricht in relatie tot zijn abt.

Eerbied, goede orde en netheid

“Alle gerei en bezit van het klooster moet hij beschouwen als vaatwerk dat aan de altaardienst gewijd is”. Dit is een van de meest aangehaalde passages van de Heilig Regel. Dit beginsel is niet alleen van toepassing op de kellenaar, maar op iedere monnik en op het eerbiedige rentmeesterschap over de zaken onder zijn beheer. De cel van een monnik is is het niet minder waard om in goede orde en schoon te zijn dan het heiligdom van de kapel. De bibliotheek, keuken, eetzaal, wasserij, gereedschaps- en tuinschuren, opslagruimten en gastenverblijven zijn niet minder gewijd dan het koor en de sacristie, en dit omdat het hele klooster het huis is van God, een tempel van altijddurende aanbidding. Een chaotische cel zorgt voor een chaotische ziel. Wanorde in het kantoor of de werkplaats schept wanorde in de geest. Slordigheid leidt tot ontmoediging, depressie en onverschilligheid.

In overeenstemming met Christus’ opdracht

Zoals altijd staat Sint Benedictus op het “gevoel voor maat”. Sint Benedictus wil dat alles passend is, geschikt en welgekozen. Als de kellenaar fouten moet maken, let hem dan overhellen naar de kant van de vrijgevigheid, want er is niets onaangenamer dan een kleingeestige, geknepen zuinigheid die te dicht bij de grens blijft. De kellenaar is niet een onafhankelijk tussenpersoon; hij doet alles in overeenstemming met de opdracht van de abt. De abt, van zijn kant, moet alles doen in overeenstemming met Christus’ opdracht, gezocht in gebed en geopenbaard door de Heilig Geest.


De zorg voor gereedschap en andere zaken

volgende
vorige
naar boven

HOOFDSTUK XXXII. Over de gereedschappen en goederen van het klooster

  • 10 maart, 10 juli, 9 november (XXXII,1-5)
  • Over het bezit van het klooster aan gereedschappen, kleren en allerlei andere dingen moet de abt broeders aanstellen, over wier leven en gedragingen hij gerust kan zijn, en naar gelang hij het nuttig oordeelt belast hij ieder van hen met het bewaren en opbergen van al die dingen. De abt houdt er aantekening van, zodat hij weet wat hij geeft en wat hij terugkrijgt, als de broeders elkaar in die taken aflossen. Als iemand het bezit van het klooster laat vervuilen of er slordig mee omgaat, krijgt hij een terechtwijzing. Indien hij zich niet betert, ondergaat hij de vastgestelde straf.

De rust van orde

Sint Benedictus ziet de werkelijke waarde van gereedschap en andere uitrusting. Hij schuwt de dromerige, romantische idee dat monniken kunnen bestaan zonder te werken. Voor Sint Benedictus zijn dingen van belang. Monniken hebben kleding nodig, schoenen en een bed. Werk vereist gereedschap. Studie vereist boeken. Waar mannen gaan samenleven, hebben zij gereedschap nodig, kleding en andere goederen. De zorg voor en goede orde van deze zaken wordt een taak van groot belang. Wanneer ieder wordt verondersteld verantwoordelijk te zijn voor de zorg voor en goede orde van dingen, is uiteindelijk niemand verantwoordelijk. Dan treedt wanorde op, en zaken worden verkeerd opgeborgen, breken en zaken worden verwaarloosd.

Een plaats voor alles

De oude zegswijze “Een plaats voor alles en alles op zijn plaats,” drukt een onmisbaar beginsel op van samen te leven. Het beginsel is van toepassing op elke zaak in het klooster, te beginnen in de cel en werkruimte van elke monnik, en strekt zich uit tot de keuken, eetzaal, bibliotheek, sacristie, voorraadkamers, linnenkasten, gastenverblijf, boekwinkel, wasserij en toiletten. Dit is natuurlijk een ideaal wat met niet van de ene op de andere dag in een pas gesticht klooster bereikt.

Geduld en leefregels

De organisatie van een nieuw klooster vraagt tijd en veel geduld. Organisatie op zich is een gave die niet allen gegeven is. Om die reden dient de abt broeders aan te stellen “over wier leven en gedragingen hij gerust kan zijn”, en “belast ieder van hen met het bewaren en opbergen van alle dingen”.

Het in acht nemen van zes praktische leefregels, echter, kan het bereiken van een goede orde ten goede komen, alsook efficiëntie en verantwoord rentmeesterschap:

  • 1. Als u iets leent, breng het terug.
  • 2. Als u iets opent, sluit het.
  • 3. Als u iets wegneemt, leg het terug.
  • 4. Als u iets vuil maakt, maak het schoon.
  • 5. Als u iets breekt of verliest, kom ervoor uit.
  • 6. Als u iets nodig hebt, vraag erom op de juiste wijze en op een gepast
    moment.

Dit alles gezegd zijnde, begint een goede ordening in iemands eigen cel en werkruimte. Het is goed om geregeld zijn zaken na te lopen en alles te verwijderen wat overbodig is: wekelijks, maandelijks en in het groot tijdens de Quatertemperdagen.

Quatertemperdagen (van oorsprong telkens een woensdag, donderdag en vrijdag in eenzelfde week) zijn dagen van bezinning, gebed en vasten, die vallen in de vier seizoenen. Tot 1969 vielen deze dagen voor de gehele Kerk

  • in de lente: woensdag, vrijdag en zaterdag na de eerste zondag van de
    vastentijd;
  • in de zomer: woensdag, vrijdag en zaterdag na Pinksteren;
  • in de herfst: woensdag, vrijdag en zaterdag na Kruisverheffing (14
    september);
  • in de winter: woensdag, vrijdag en zaterdag na zondag Gaudete,
    de derde zondag van de Advent.

Bij de liturgiehervorming volgend op het Tweede Vaticaans Concilie
(1962-1965) werd de viering van bijzondere vasten- en gebedsdagen niet meer
algemeen voorgeschreven in het Romeins Missaal, maar overgelaten aan de
lokale bisschoppenconferenties. In Nederland raakten ze in onbruik. In 2005
voerden de Nederlandse bisschoppen deze dagen opnieuw in, echter als
facultatieve dagen. Voor elk seizoen hebben zij een woensdag aangewezen:

  • in de lente: tweede woensdag in maart (dit is ook de protestantse Biddag
    voor Gewas en Arbeid);
  • in de zomer: woensdag na Pinksteren;
  • in de herfst: woensdag na de derde zondag in september;
  • in de winter: woensdag in de eerste week van de Advent.

Benedictijnse armoede

volgende
vorige
naar boven

HOOFDSTUK XXXIII. Of de monniken iets in eigendom mogen bezitten

  • 11 maart, 11 juli, 10 november (XXXIII,1-8)
  • Dit kwaad vooral moet in het klooster met wortel en al worden uitgeroeid: niemand mag dan ook zonder verlof van de abt iets geven of aannemen en ook niets in eigendom bezitten, volstrekt niets: geen boek, geen schrijfbordje, geen stift, helemaal niets; ze hebben immers niet eens het vrije beschikkingsrecht over hun lichaam en over hun wil. Zij moeten erop vertrouwen, dat ze alles wat ze nodig hebben van de vader van het klooster zullen ontvangen en ze mogen niets ter beschikking hebben dat de abt hun niet heeft gegeven of toegestaan. “Allen moeten alles gemeenschappelijk hebben”, zoals er geschreven staat, “en niemand mag iets het zijne noemen” of als zodanig beschouwen. Wanneer men bemerkt dat iemand voldoening vindt in dit verderfelijk kwaad, wordt hij eenmaal en andermaal gewaarschuwd. Als hij zich niet betert krijgt hij een strenge terechtwijzing.

De ondeugd van het eigendom
[>> andere overweging bij
deze tekst]

De drang om zaken te verwerven, te bezitten en ze zijn eigen eigendom te noemen, is een ondeugd die van de wortel af uit het klooster moet worden gesneden. Wat is een ondeugd? Een ondeugd is een zondige aanleg, versterkt door herhaling van concrete daden, tot aan het punt van een gewoonte en allesdoordringend te worden. De neiging om zich over iets te buigen en het “het mijne” te noemen is onverenigbaar met de monastieke levenswandel.

“De vossen hebben holen en
de vogels des hemels hun nesten, maar de Mensenzoon heft niets om zijn hoofd op te leggen” (Mt. 8,20).
De armoede van de Zoon van God op aarde die Sint Matteüs in zo weinig woorden beschrijft, illustreert religieuze armoede. Onze heilige patriarch brengt een eerbetoon aan deze armoede door zijn zonen aan te sporen om van niets het eigendom te claimen. Vrijheid van persoonlijk bezit kan niet anders dan aangenaam zijn aan degene wiens leven een offergave is, en die moet leven in deze wereld als iemand die er reeds aan is afgestorven, noodzakelijk beperkt tot het gebruik van dingen met onthechting, en in een heilige onverschilligheid met betrekking tot eigendom. De monnik die deze kostbare armoede omhelst, zal zich vervuld zien van rijkdommen, wetend dat de ledigheid van de schepselen zorgt voor een overvloed van God.
Uit de Constituties van Silverstream Priory

Radicale onteigening

Tegenover de ondeugd van een bezitterige geest stelt Sint Benedictus de deugd van een radicale onteigening: “Niemand mag zonder verlof van de abt iets geven of aannemen en ook niets in eigendom bezitten, volstrekt niets: geen boek, geen schrijfbordje, geen stift, helemaal niets; ze hebben immers niet eens het vrije beschikkingsrecht over hun lichaam en over hun wil.” De monnik verzaakt aan de eigendom zelfs van zijn eigen lichaam en zijn eigen wil. Dit is de diepe betekenis van het Suscipe (Ps. 119 (118),116) dat de monnik, met handen ten hemel geheven en staande voor het altaar, zingt op de dag van zijn professie.

Slachtoffer-zijn

Voor Sint Benedictus is de monnik een geofferd man, een offergave, een slachtoffer aan God ten offer gegeven. Door de monastieke professie plaatst een man zichzelf op het altaar samen met de gaven van brood en wijn. Door dit te doen wordt hij, volgens de lering van Sint Augustinus, een sacrificium.

Een waarachtige offerande is ieder werk verricht opdat wij mogen worden verenigd met God in een heilige vriendschap, en dat verwijst naar dat enige hoogste goed en doel waarin wij waarlijk gezegend kunnen zijn. En daarom is zelfs onze barmhartigheid tegenover mensen, als die niet bewezen wordt om God, geen offergave. Offeren immer is, hoewel verricht of opgedragen door de mens, een goddelijk iets, zoals degenen die het offer noemden ook bedoelden aan te geven. Aldus is de mens zelf, toegewijd in de naam van God en met een eed aan God beloofd, een offer voor zover hij afsterft aan de wereld opdat hij mag leven voor God. Want dit is onderdeel van die barmhartigheid die ieder mens aan zichzelf bewijst; zoals geschreven staat: “Betoon uw ziel barmhartigheid door God te behagen.” Ook ons lichaam is een offergave als wij het kastijden door matigheid, als wij doen wat wij zouden moeten doen, om Gods wil, dat wij onze ledematen niet in dienst stellen van de zonde als werktuigen van ongerechtigheid, maar aan God als werktuigen der gerechtigheid (zie Rom. 6,13). Als aansporing tot dit offer zegt de apostel: “Ik smeek u, broeders, bij Gods erbarming, wijd uzelf aan Hem toe als een levende, heilige offergave, die Hij kan aanvaarden” (Rom. 12,1). Als dus het lichaam, […] door de ziel gebruikt als dienaar of werktuig, een offergave is als het juist gebruikt wordt en met verwijzing naar God, hoeveel meer wordt de ziel zelf een offergave als deze zich aan God aanbiedt opdat zij, aangestoken door het vuur van zijn liefde, van zijn schoonheid mag ontvangen en Hem aangenaam wordt; niet meer naar de vorm van aardse verlangens, en opnieuw gevormd naar het beeld van duurzame liefelijkheid? (Augustinus, De Stad van God, boek X, hoofdstuk VI)

Gevormd naar het Lam

De hoogste uitdrukking van Benedictijnse onthechting (armoede) wordt gevonden in het zich wegschenkend slachtoffer-zijn waardoor een monnik op mystieke wijze (dat wil zeggen werkelijk, maar op verborgen wijze) gevormd wordt naar Christus, het Lam Gods, “het zuivere offer, het heilig offer, het volmaakte offer” (Romeinse Canon – Eerste Eucharistisch Gebed).

******

Niet het vrije beschikkingsrecht over hun lichaam
en over hun wil
[>> andere overweging bij
deze tekst]

Het is opmerkelijk dat de dagelijkse lezing uit de Heilige Regel op het feest van onze glorierijke vader Sint Benedictus uitkomt op Hoofdstuk XXXIII: “Of de monniken iets in eigendom mogen bezitten”. Precies dit hoofdstuk bevat de regel die het best uitdrukt en uiteenzet welke de onderscheidende “Mectildiaanse” hermeneutiek is van de Heilige Regel:
zij hebben immers niet eens het vrije beschikkingsrecht over hun lichaam en over hun wil. Sint Benedictus’ radicale uitroeiing van de ondeugd van het bezit, die verre is van een louter negatieve opsomming van verboden – niemand mag zonder verlof van de abt iets geven of aannemen en ook niets in eigendom bezitten, volstrekt niets: geen boek, geen schrijfbordje, geen stift, helemaal niets – leidt tot een zich gevende armoede, tot de onthechting waardoor een offerlam dat op het altaar is gelegd, een hostia, overgegeven wordt aan God. Hierin ligt volgens Sint Augustinus de essentie van sacrificium.

Dit is Mijn Lichaam dat voor u wordt overgeleverd

De sleutelzin van Hoofdstuk XXXIII – zij hebben immers niet eens het vrije beschikkingsrecht over hun lichaam en over hun wil – kan niet begrepen worden los van de Jezus’ woorden in de nacht voor zijn lijden: “Dit is mijn lichaam [overgeleverd] voor u” (1 Kor. 11,24), noch los van de eerste priesterlijke uitspraak van het Woord nadat Dit het vlees had aangenomen in het heiligdom van de schoot van de Maagd: “Slachtoffers en gaven hebt Gij niet gewild, maar Gij hebt voor Mij een lichaam bereid” (Hebr. 10,5), en nogmaals: “Toen zei Ik: hier ben Ik; zoals van Mij in de boekrol geschreven staat: Ik ben gekomen, o God, om uw wil te doen” (Hebr. 10,7).

Gelijkvormigheid met Jezus het Slachtoffer

De monnik die, aldus Sint Benedictus, niet eens het vrije beschikkingsrecht heeft over zijn lichaam en over zijn wil, is ingegaan in de weg van een mystieke gelijkvormigheid met Jezus het Slachtoffer, het Offerlam. Met Jezus leert de Benedictijner monnik, geroepen om een specifiek Mectildiaanse hermeneutiek van de Heilige Regel te leven, dag aan dag en uur na uur, te zeggen: “Dit, o Vader, is mijn lichaam dat voor U wordt overgeleverd in Christus, het lichaam dat Gij mij bereid hebt opdat ik uw wil zou doen”.

Een en hetzelfde offer met Christus

In het beschouwen van het Slachtoffer – Christus in de staat van zich wegschenkend slachtoffer – krijgt de monnik kennis van de diepte van wat Sint Benedictus zegt wanneer hij voorschrijft dat monniken niet het vrije beschikkingsrecht hebben over hun lichaam en over hun wil. De monnik heft niets, zelfs niet zijn lichaam en zijn wil, omdat hij, door dagelijks Christus’ Lichaam te ontvangen in de Heilige Communie, binnengetrokken wordt in het mysterie van het Heilig Offer; hij wordt zoals de liturgie zegt “een en hetzelfde slachtoffer met Christus Zelf.” Dit is de uiteindelijke betekenis van de Benedictijnse onthechting.

Haec munera, Domine, mediator noster Iesus
Christus
Tibi reddat accepta;
et nos, una secum,
hostias Tibi gratas exhibeat.

Heer, moge onze Middelaar Jezus Christus deze gaven voor U
aanvaardbaar maken en ons, samen met Hem, aan U opdragen als een
offer dat U welgevallig is.
(Gebed over de gaven uit de votiefmis van Jezus Christus,
Eeuwige Hogepriester)


Alle ledematen zullen in vrede zijn

volgende
vorige
naar boven

HOOFDSTUK XXXIV. Of allen volgens een gelijke maatstaf moeten ontvangen wat
ze nodig hebben

  • 12 maart, 12 juli, 11 november (XXXIV,1-7)
  • Zoals er geschreven staat “werd aan elkeen uitgedeeld volgens de maat van ieders behoefte”. Daarmee willen wij niet zeggen, dat er aanzien van persoon mag bestaan: verre van dien; maar wel dat er rekening moet worden gehouden met zwakheden. Wie op dit punt minder nodig heeft danke God en zij niet ontstemd; wie daarentegen meer nodig heeft vernedere zich om zijn zwakheid en ga niet groot op de barmhartigheid (die men hem betoont). Zo zullen alle ledematen in vrede zijn. Vóór alles moet voorkomen worden, dat het kwaad van de ontevredenheid onder welk voorwendsel dan ook zelfs maar in een woord of een uiting de kop opsteekt. Als iemand hierop betrapt wordt, moet hij een bijzonder strenge straf ondergaan.

Allemaal uniek

Zoals in een gezin geen twee kinderen hetzelfde zijn, zo zijn ook in een klooster geen twee monniken hetzelfde. Sint Benedictus vraagt dat zijn monniken behandeld worden als individuen. In het Benedictijnse leven is er geen verlammende gelijkschakeling, geen poging om ieder in dezelfde vorm te persen, geen eis dat allen tevreden zijn met hetzelfde, in dezelfde hoeveelheid, op hetzelfde ogenblik.

Zwakheden

Sint Benedictus maakt rekening houden met zwakheden een leidend beginsel van de Regel. Zwakheden vormen een claim op de liefde en verdraagzaamheid van de abt en de broeders, en op de altijd voldoende genade van Onze Heer Jezus Christus. Hierin stemt Sint Benedictus overeen met wat de Apostel schrijft (2 Kor. 12,7-10):

Ook is er een doren in mijn vlees gestoken, als een bode van de
satan, die mij moet afranselen. Tot driemaal toe heb ik de Heer aangeroepen, dat hij van mi zou weggaan. Maar Hij antwoordde mij: ‘Je hebt genoeg aan mijn genade; kracht wordt juist in zwakheid volkomen.’

Minder of meer nodig

De monnik die aan minder genoeg heeft — met minder van wat ook — moet niet zelfgenoegzaam worden en opgeblazen van hoogmoed. Veeleer moet hij nederig de God en Vader van Onze Heer Jezus Christus die hem zo begiftigd heeft met gezondheid, energie, fysieke kracht, scherpzinnigheid of welke gave dan ook. De sterken moeten nederig zijn.

De monnik die meer nodig heeft van wat ook — meer voedsel, drank, rust, aandacht, stilte, gesprek, bevestiging, werk of tijd — moet om die reden zeer nederig zijn en erkennen dat hij het voorwerp is van een bijzondere bekommernis. Zodoende zal hij overal en altijd dankbaar zijn. De zwakken moeten dankbaar zijn.

Nederigheid en dankbaarheid

Nederigheid, dan, en dankbaarheid; zo zegt Sint Benedictus: “zo zullen alle ledematen in vrede zijn.” Een klooster waar de sterkere nederig en de zwakken dankbaar zijn, zal het verblijf zijn van de liefde. Er zal eenheid onder de broeders zijn, eerbied voor elkaar, en een grote innerlijke vrijheid van geest.

Gemor

Het ene date en vredig klooster verstoort, is ontevredenheid. Onvrede is vergif. Vergif voor de geest zowel van degenen die eraan toegeven en van hen die ernaar luisteren. Morren is niet louter verbaal. Men kan klagen, omlaag halen, kleineren, en men kan het zaad zaaien van ontmoediging, achterdocht en ongehoorzaamheid niet slechts in word maar ook in gebaar – de zogenoemde lichaamstaal – en non-verbale suggestie. De ontevredene is een verstoorder van de pax benedictina. “God,” zegt Sint Paulus, “is geen God van wanorde, maar van vrede: dit onderwijs ik in alle gemeenten der heiligen” (1 Kor. 14,33) [1].


Noot

[1] “God is not the God of dissension, but of peace: as also I teach in all the churches of the saints”. De Willibrordvertaling heeft: “God is geen God van wanorde, maar van vrede. Zoals in alle gemeenten der heiligen [moeten de vrouwen…]”. De vertaling volgt hier het Engels vanwege het ontbreken van het vervolg “moeten de vrouwen…”


De keukendienst

volgende
vorige
naar boven

HOOFDSTUK XXXV. Over hen die de weekbeurt hebben in de keuken

  • 13 maart, 13 juli, 12 november (XXXV,1-11)
  • De broeders moeten elkander dienen en niemand mag dan ook ontslagen worden van de keukendienst, tenzij hij ziek is of in beslag genomen door bezigheden van groot belang. Want dit is een bron van rijke beloning en liefde. Aan zwakken wordt hulp gegeven, opdat zij het niet met tegenzin doen. Trouwens, iedereen krijgt hulp naarmate de grootte van de gemeenschap en de plaatselijke gesteldheid dit eisen. Als de gemeente talrijk is, wordt de kellenaar vrijgesteld van de keukendienst; en eveneens zij, die zoals wij gezegd hebben belangrijke bezigheden hebben. De overigen dienen elkaar met liefde. Wie zijn week gaat beëindigen, houdt ‘s zaterdags schoonmaak: hij wast het linnen waarmee de broeders hun handen en voeten afdrogen. De voetwassing van allen verrichten zowel hij die zijn week beëindigt als hij die zijn week begint. De voorwerpen die hij voor zijn werk gekregen heeft levert hij schoon en in goede staat weer bij de kellenaar in. De kellenaar op zijn beurt wijst ze weer toe aan hem die de nieuwe week ingaat: zo weet hij wat hij geeft en wat hij terugkrijgt.

Elkander dienen

Sint Benedictus’ monniken zijn dienaars van elkaar, en niet slechts in theorie maar concreet in daden en in inspanning. Veel van het dienen in een klooster draait om de keuken, de refter, en de bijkeuken. Mensen moeten eten. De bereiding van maaltijden, de dienst in de refter en de afwas zijn een noodzakelijk onderdeel van het dagelijks leven. Niemand is uitgezonderd van de dienst in de keuken, behalve degenen die door ziekte verzwakt zijn of belast met andere belangrijke taken. De vrucht van het keukenwerk, zegt Sint Benedictus, is een toename van naastenliefde. Liefde verwijdt het hart, zij stelt hem die in klein zaken trouw is in staat tot zelfopoffering in grotere.

Ban tegenzin uit

In dit hoofdstuk voegt Sint Benedictus een andere van de grote overkoepelende principes van de Heilige Regel in: “Aan zwakken wordt hulp gegeven, opdat zij het [werk] niet met tegenzin doen; en iedereen krijgt hulp naarmate de grootte van de gemeenschap en de plaatselijke gesteldheid dit eisen.” Benedictus wil niet dat zijn monniken verpletterd worden door te grote werken of gespannen raken door hun onvermogen alles gedaan te krijgen. Hij erkent dat er zwakkere broeders zijn en bepaalt dat hen hulp geboden wordt. En waarom? Opdat zij hun werk niet met tegenzin doen. Als er tegenzin heerst in de kloosterkeuken, begint de gemeenschap die te proeven in het eten! Tegenzin ontaardt snel in bitterheid, en bitterheid verandert in vijandigheid en wrok. Nog afgezien van hun invloed op de liefde en eenheid binnen het klooster, hebben deze zaken ook een negatieve uitwerking op de eetlust en de spijsvertering.

Hulp waar nodig

Een opgewekte sfeer in de keuken zorgt voor smakelijk voedsel, en smakelijk voedsel zorgt voor een blije gemeenschap. Als de bereiding van maaltijden een last wordt, begint een sfeer van wisselvalligheid te heersen in de keuken, en van daaruit verspreidt deze zich snel door het klooster. Als het al waar is dat “teveel koks de soep bederven”, is het even waar dat “vele handen licht werk maken”. De abt zal er daarom voor zorgen dat de keukenmeester en koks alle hulp krijgen die nodig is.

De liturgie van eten en drinken

Waar zij de cultuur van fast food en onderweg eten mijden, begrijpen Sint Benedictus’ zonen dat de keuken voor de refter is wat de sacristie is voor de kapel. “Daarom, of gij eet of drinkt, of wat gij ook doet, doet alles ter ere Gods” (1 Kor. 10,31). Benedictijnen huldigen de liturgie van eten en drinken in de refter, en zien de refter als een soort spiegelbeeld van de kapel. Zelfs de rangschikking is dezelfde als in het koor: de tafels staan tegenover elkaar; de tafel van de prior met het crucifix erachter; de afbeelding van de Heilige Maagd Maria; en de tafel van de voorlezer. Tweemaal per dag weerklinkt de refter van het reciteren van psalmen en gebeden. Zoals ook de kapel, is de refter een plaats van stilte.

Het Mandatum

Sint Benedictus organiseert een wekelijkse wisseldienst voor de keuken. In kleinere gemeenschappen is het niet mogelijk om meer dan één keukenteam te hebben. Al is het maar tijdelijk – elke dag zijn dezelfde broeders aangesteld voor de afwas. Het Mandatum (de voetwassing) vindt niet langer wekelijks plaats, maar verricht bij de opname van novicen en op Witte Donderdag. Het Mandatum is een soort sacrament van nederige dienst en van liefde. Hoewel de liturgische ritus minder vaak wordt uitgevoerd, is de genade die deze in de ziel drukt en naar buiten toe laat uitkomen, op ieder ogenblik nodig wil een gemeenschap gedijen in heiligheid.

Properheid in de keuken

Sint Benedictus staat erop dat de keuken schoon is: “Wie zijn week gaat beëindigen, houdt ‘s zaterdags schoonmaak: hij wast het linnen waarmee de broeders hun handen en voeten afdrogen.” Een schone, ordelijke keuken is een vreugde om in te werken. Monniken moeten even ijverig zijn ten aanzien van het schoon en ordelijk houden van de keuken, als zij zijn ten aanzien van de zorg voor de sacristie en de benodigdheden van de eredienst. Met Sint Benedictus is het gehele leven gedrenkt in de lof van God; er is niets dat niet geadeld en bekleed kan worden met heiligheid. “Want alles is het uwe; gij bent van Christus en Christus is van God” (1 Kor. 3,23).


Ik was ziek en gij hebt Mij bezocht

volgende
vorige
naar boven

HOOFDSTUK XXXVI. Over de broeders die ziek zijn

  • 15 maart, 15 juli, 14 november (XXXVI,1-10)
  • Vóór alles en boven alles moet men zorg dragen voor de zieken, zodat ze werkelijk gediend worden als Christus in eigen persoon, daar Deze immers gezegd heeft: “Ik was ziek en gij hebt Mij bezocht”, en “Wat gij aan een van deze geringsten hebt gedaan, hebt gij aan Mij gedaan”. De zieken van hun kant moeten er dan ook aan denken, dat zij ter ere Gods gediend worden, en zij mogen het hun broeders niet moeilijk maken door hun veeleisendheid. Toch zou men hen dan geduldig moeten verdragen, omdat men bij dit soort mensen een rijker beloning verwerft. De abt moet derhalve de grootste zorg aan de dag leggen om te voorkomen dat de zieken onder enige verwaarlozing te lijden hebben. Voor de zieke broeders wordt een afzonderlijk verblijf bestemd met een ziekenverpleger die godvrezend is, dienstvaardig en zorgzaam. De gelegenheid om een bad te nemen moet de zieken geboden worden, zo vaak dit nodig is; de gezonden, vooral als het jonge broeders zijn, wordt dit minder gemakkelijk toegestaan. Zelfs het eten van vlees kan aan heel zwakke zieken worden toegestaan om weer op krachten te komen; maar zodra ze weer beter zijn, moeten zij allen zich weer volgens de gewone regel van vlees onthouden. Met de grootste zorg moet de abt ervoor waken, dat de zieken niet door de kellenaars of de verplegers worden verwaarloosd, want persoonlijk is hij aansprakelijk voor alle tekortkomingen van zijn leerlingen.

Vóór alles en boven alles

Sint Benedictus stelt zorg voor de zieken vóór alles en boven alles. Men vindt vergelijkbare uitdrukkingen in de Heilig Regel met betrekking tot de liefde van Christus (Hoofdstuk IV,21) en het Werk Gods (Hoofdstuk XLIII). De zieke broeder is een werkelijke tegenwoordigheid van Christus in het klooster:

De gemeenschap zal hun zieke broeders de meest
tedere ontferming betonen in woord en in daad. In het geloof dat, behalve in het Allerheiligst Sacrament van het altaar, Onze Heer nergens meer tegenwoordig is in het klooster dan in de persoon van een monnik vernederd door zwakte, de monniken zullen hem behandelen met grote liefde, rekening houdend met zijn zwakte en zijn lasten dragend.

De ziekte juist beleven

Wat de zieken zelf aangaat, zij moeten niet profiteren van de liefde die hen betoond wordt door wispelturig, humeurig en veeleisend te worden. Als zij met zachtheid en eerbied worden behandeld, gebeurt dit omwille van God. Een zieke broeder kan licht zichzelf gaan zien als centrum van het universum, in zichzelf gekeerd te raken en bezorgd over vele zaken. De broeder die in deze fouten vervalt, heft het zicht verloren op de betekenis van zijn monastieke zelfgave. Door het Doopsel, door het zegel van de Heilige Geest in het Vormsel en krachtens iedere Heilige Communie die hij ontvangt, alsook krachtens zijn monastieke professie en wijding, is de monnik een slachtoffer, dat wil zeggen iemand die onherroepelijk opgedragen is als offer aan God.

Slachtoffer-zijn

De vocabulaire van slachtoffer en slachtoffering is vaak ten onrechte gebruikt en wordt vaak verkeerd begrepen en gemanipuleerd. Ze is niettemin onmisbaar, omdat ze behoort tot de liturgie van de Kerk (de lex orandi), waarin ze keer op keer wordt toegepast op alle gedoopten voor zover zij verenigd zijn met Christus in het mysterie van zijn Offer. Een slachtoffer, in de traditionele liturgische betekenis, is niet iemand aan wie iets slechts is gebeurd; een slachtoffer is een sacrale offergave die op het altaar gelegd is, vanwaar het opstijgt tot God. Wij bidden, bijvoorbeeld, in de Secreta van de votiefmis van Jezus Christus Eeuwige Hogepriester:

O Heer, moge Jezus Christus, onze Middelaar,
deze offergave voor U aanvaardbaar maken,
en moge Hij ons tegelijk met Hem voor U brengen als offergaven die U aangenaam
zijn.
Hij, God, die met U leeft en heerst, in de eenheid van de Heilige Geest,
in alle eeuwen der eeuwen.

Vereniging met het lijden van Christus

Een monnik met een chronische aandoening zal een serene vreugde vinden te midden van het lijden wanneer hij zij zichzelf met Onze Heer plaatst op het altaar van zijn offer. Dan wordt hij opgenomen in de immense beweging uit het zelf weg en in de oneindigheid van God, waartoe de priester het volk in iedere Heilige Mis uitnodigt: Sursum corda! Verheft uw hart! De monnik die zijn ziekte aanvaardt in het licht van het Heilig Misoffer, zal zijn ziekenkamer gaan zien als een heiligdom, zijn bed als een altaar, en zichzelf als een offerande – een heilig slachtoffer – in de handen van Christus de Priester. Ziekte, zwakheid en vermoeidheid, het zij lichamelijk of geestelijk, of beide tegelijk, kunnen leven-gevend worden mits doortrokken met de gerichtheid van het Hart van Jezus, Priester en Offer in zijn Lijden en in het Sacrament van Zijn Liefde, de blijvende herdenking van dit lijden.

Wij worden opgejaagd maar niet in de steek gelaten; wij worden
neergeveld maar gaan er niet aan dood. Altijd dragen wij het sterven van Jezus in ons lichaam mee, want ook het leven van Jezus moet in ons lichaam openbaar worden. Voortdurend wordt ons leven aan de dood uitgeleverd om Jezus’ wil, opdat ook het leven van Jezus zich zou openbaren in ons sterfelijk bestaan. Zo verricht de dood zijn werk in ons en het leven in u (2 Kor. 4,9-12).

Gebonden aan de lijdende en stervende Christus

De monnik die worstelt met ziekte en in het zicht van de dood, wordt uitgenodigd binnen te gaan in de offergesteltenis van Jezus’ Hart:

Als gaven bestemd voor het offer worden monniken,
hoewel levend, voortdurend uitgeleverd aan de dood om Jezus’ wil, opdat ook het leven van Jezus openbaar wordt in hun sterfelijk lichaam. De ziekenboeg is gewoonlijk de plaats waar, hoewel de dood in ons werkt, Hij die Jezus heeft opgewekt ook ons zal opwekken met Hem. Zoals [in] de voorhof van de tempel, waar de offerdieren van de Oude Wet gedood werden, of [in] het amfitheater waar de heilige martelaren, blootgesteld aan de woede van beesten en de toorn van tirannen, hun geloof en hun liefde lieten stralen, […] zal het somtijds gebeuren dat de Goddelijke Voorzienigheid toelaat dat hun lijden toeneemt door de geneeswijzen die verlichting zouden moeten bieden.

Ware een monnik vrij om zijn dood te kiezen, zou zonder twijfel ijver hem ertoe bewegen zijn bloed te vergieten in het offer aan de voet van het altaar, teneinde enig bewijs te leveren van liefde jegens Hem die daar verblijft. Maar daar een monnik door het offer van zijn geloften niet langer enig beschikkingsrecht heeft over zichzelf, noch de vrijheid om te doen zoals hij zou wensen, zal hij heilig vuur van zijn hart onderwerpen aan de wet van Gods wil, teneinde te sterven op de tijd en de plaats die Hem aangenaam zijn, waarbij hij zijn ziekbed beschouwt als de plaats van het brandoffer, waar zijn lijden hem vastbindt aan de lijdende en stervende Christus.


Zwakheid altijd in aanmerking genomen

volgende
vorige
naar boven

HOOFDSTUK XXXVII. Over de bejaarden en de kinderen

  • 16 maart, 16 juli, 15 november (XXXVII,1-3)
  • Hoewel de mens van nature reeds geneigd is om milder te zijn voor deze leeftijden, die van de bejaarden namelijk en die van de kinderen, toch moet ook het gezag van de Regel in hun geval voorzien. Altijd moet hun zwakheid in aanmerking genomen worden en wat de voeding betreft mag de Regel beslist niet in al zijn gestrengheid op hen worden toegepast. Integendeel, men moet te hunnen opzichte een liefdevolle toegeeflijkheid in acht nemen en hen reeds vóór de vastgestelde uren laten eten.

Jong en oud

Al hebben wij geen “kinderen” als broeders (Silverstream) of zusters (Priorij Nazareth), wij vinden in dit hoofdstuk van de Heilig Regel beginselen die in alle omstandigheden van toepassing zijn.

In Sint Benedictus’ tijd zouden er kinderen in het klooster geweest zijn: jongens als de heilige Placidus, aan de zorg van de monniken toevertrouwd en opgedragen aan God. Er zouden ook jongeren geweest zijn, zoals de adolescente Sint Maurus, de vertrouweling van de heilige Patriarch. En er zouden ook ouderen geweest zijn, mannen van gevorderde leeftijd; vijftig jaar zou in die dagen een hoge ouderdom geweest zijn.

Beginselen van mildheid

Het menselijk hart wordt van nature bewogen tot medelijden bij het zien van de zwakheid van een kind of de broosheid van een oudere. Niettemin treft Sint Benedictus, die de grillen van de menselijke gevoelens kent, voorzieningen voor kinderen en ouderen met de autoriteit van de Regel. Het eerste beginsel dat hij uiteenzet is: “Altijd moet hun zwakheid in aanmerking genomen worden.” Het tweede is: “Laat men te hunnen opzichte een liefdevolle toegeeflijkheid in acht nemen.” Er is geen klooster, geen parochie, geen gezin waar deze twee beginselen van mildheid geen concrete toepassing vinden, want de Kerk omvat, in al haar verschijningsvormen, de kleinen, de brozen en de armen.


Mijn mond zal Uw lof verkondigen

volgende
vorige
naar boven

HOOFDSTUK XXXVIII. Over de weekbeurt van de lezer

  • 17 maart, 17 juli, 16 november (XXXVIII,1-12)
  • Tijdens de maaltijden van de broeders mag de lezing nooit ontbreken. En niet de eerste de beste, die zich van het boek meester maakt om te lezen komt in aanmerking, maar iemand die opdracht heeft om gedurende de hele week te lezen moet op zondag zijn dienst ingaan. Die zijn week ingaat vraagt na de Mis en de Communie aan allen om voor hem te bidden, dat God hem beware voor de geest van hoogmoed. Drie maal zingen allen, hijzelf te beginnen, in het koor het vers: “Heer, open mijn lippen, en mijn mond zal uw lof verkondigen”. En dan, als hij de zegen heeft ontvangen, begint hij zijn taak als lezer.
    Er moet een volstrekt stilzwijgen in acht genomen worden, zodat aan tafel niemands gefluister of stem gehoord wordt buiten die van de lezer. Wat zij bij het eten en drinken nodig hebben, dienen de broeders elkaar zo aan te reiken, dat niemand om iets behoeft te vragen. Mocht iemand toch iets nodig hebben, dan vraagt hij het door een of ander teken te laten horen liever dan door te spreken. Evenmin mag iemand aan tafel iets vragen over de lezing of over iets anders; dit om wanorde te voorkomen. Wel zou de overste, als hij dat wenst, een kort woord ter stichting kunnen zeggen.
    De broeder die de week heeft om te lezen, ontvangt alvorens te gaan lezen een beker versneden wijn omwille van de heilige Communie en omdat het hem wellicht zwaar zou vallen om zolang nuchter te blijven. Later gebruikt hij dan zijn maaltijd met de broeders die in de keuken en aan tafel gediend hebben. De broeders lezen of zingen niet op rij af, maar alleen diegenen die in staat zijn de toehoorders te stichten.

Lezen tijdens de maaltijden

Lezen tijdens de maaltijden is een monastieke gewoonte al van vóór Sint Benedictus. Een communiteit profiteert op velerlei wijzen van allen samen te luisteren naar de lezing van dezelfde tekst en op hetzelfde moment. Het stimuleert het intellect op een gezonde wijze, spoort de monastieke ijver aan, verbreedt de culturele horizon en biedt tezelfdertijd ontspanning en zelfs momenten van humor en ontspanning. De gemeenschappelijke maaltijden beginnen met een passage uit de Heilige Schrift. De lezing vervolgt met een biografie, een geschiedkundig werk of een commentaar over de Heilige Liturgie.

Nederigheid in dienstbetoon

Sint Benedictus wil dat alles zich op een geordende wijze ontvouwt; een goede ordening bevordert vrede. De lezer wordt door de abt gekozen uit de broeders die begrijpelijk en duidelijk kunnen lezen, echter zonder zelfgenoegzaamheid en hoogmoed. Geletterdheid en vloeiend lezen, hoewel waardevolle gaven, kunnen ook aanleiding worden om zich boven anderen te stellen. Sint Benedictus herkent het gevaar dat iemand met deze gaven opgeblazen wordt van hoogmoed, en waarschuwt ertegen. De monnik die aangewezen is om in de eetzaal, begint zijn dienst op zondag met een korte liturgische ritus, met daarin een driemaal herhaald vers 17 van de Miserere (Psalm 51), hetzelfde vers dat aan het begin van de Metten gezongen wordt: “Heer, open mijn lippen, en mijn mond zal Uw lof verkondigen.”

Stilte

De eetzaal is, evenals de kapel van het klooster, een plaats van stilte waarin het Woord optimale weerklank vindt. Zelfs fluisteren verstoort het luisteren naar wat er gelezen wordt. Sint Benedictus stelt grenzen aan de vertederende zuid-Italiaanse spontaneïteit waardoor commentaar, interrupties, uitroepen en geluiden van afkeuring gemakkelijk ontaarden in lawaaiige chaos. Alleen aan de abt is het toegestaan om “een kort woord ter stichting te zeggen.”

Menselijke behoeften

Altijd bezig met de menselijke zwakheid en met de behoeften van het lichaam, staat Sint Benedictus de lezer toe om wat brood en wijn te nemen alvorens te beginnen met lezen. Om het traditionele vasten voor de Heilige Communie te verlengen tot na de maaltijd, zou onredelijk en bezwaarlijk zijn. De lezer eet samen met de kok en degenen die bedienen na de kloosterlijke maaltijd.

Eetzaal en kapel

De eetzaal heeft een liturgische trek. Ze is een afspiegeling van de rangschikking in de kapel van het klooster. De rangschikking van de tafels lijkt op het koor. De tafel van de abt, met een groot crucifix erboven, neemt de plaats in van het altaar. De tafel of het gestoelte van de lezer is een soort ambo. De monastieke tafelgebeden zelf zijn zeer oud en omvatten passende psalmverzen, een korte litany (Kyrie eleison), het Onze Vader, een voorbede en een zegen.

Lezen en reciteren

Tenslotte herinnert Sint Benedictus ons eraan dat lezen en reciteren ten bate van de communiteit gaven zijn die een zekere technische voorbereiding en kunstzinnigheid vragen. De monniken die geroepen zijn om te lezen en reciteren, in de eetzaal zowel als in de kapel, moeten in staat zijn om een tekst duidelijk uit te spreken, op een objectieve en aangename wijze. Aan de cantors en lectors van het klooster wordt het toevertrouwd om duidelijk en objectief het Woord van God door te geven of zijn echo in de levens en geschriften van de heiligen.


Bereid uw ziel voor op beproevingen

volgende
vorige
naar boven

HOOFDSTUK LVIII. Over de wijze waarop de broeders worden aangenomen

  • 11 april, 11 augustus, 11 december (LVIII,1-4)
  • Wanneer een nieuweling zich voor het monniksleven komt aanmelden, mag hem de intrede niet gemakkelijk gemaakt worden, maar men doet wat de Apostel zegt: “Beproef de geesten, of ze uit God zijn”. Als de aangekomene dus blijft kloppen en hij blijkt de onvriendelijkheid waarmee men hem behandelt en de weigering om hem binnen te laten gedurende vier of vijf dagen geduldig te verdragen en te volharden in zijn verzoek, dan wordt hij binnengelaten en voor enkele dagen ondergebracht in het gastenverblijf.

Postulaat

Sint Benedictus’ “postulaat” bestaat uit twee delen: in het eerste laat men degene die toelating tot het klooster verlangt, erbuiten wachten om zijn geduld en zijn volharding te beproeven; in het tweede laat men hem, hoewel ondergebracht in het gastenverblijf, opnieuw enkele dagen wachten. De postulant van tegenwoordig wordt niet veel anders behandeld. Hij wordt met sympathie ontvangen maar niet met enthousiasme. Deze houding beschermt zowel degene die toelating zoekt als de gemeenschap. Postulanten komen en gaan, maar meestal gaan ze. Te vroeg investeren in een postulant – omdat hij de vereiste kwaliteiten lijkt te bezitten, of bijzondere gaven, innemende persoonlijkheid of spirituele diepgang – is hachelijke speculatie. Degenen die op het eerste gezicht bij uitstek geschikt lijken, kunnen na enkele weken blijken ongeschikt te zijn. En degenen die op het eerste gezicht volledig ongeschikt, kunnen na enkele weken blijken goede en veelbelovende roepingen te zijn. Het is goed om zich te woorden te binnen te brengen van de Heer tot Samuel toen hij Isaï en zijn zonen bezocht (1 Sam. 16,5-7):

[Samuel sprak] ‘Ik ben gekomen om aan de heer te offeren: zorg dat u
heilig bent en ga dan met mij offeren.’ Hij droeg er zorg voor dat Isaï en zijn zonen zich heiligden en nodigde hen uit voor het offer. Toen zij aankwamen, viel zijn blik op Eliab en hij dacht: ‘Die daar voor de heer staat is ongetwijfeld zijn gezalfde!’ Maar de heer zei tegen Samuël: ‘Ga niet af op zijn voorkomen of zijn rijzige gestalte; hem wil Ik niet. Want God ziet niet zoals een mens ziet; een mens kijkt naar het uiterlijk, maar de heer kijkt naar het hart.’

Gegeven de huidige schaarste aan roepingen op vele plaatsen, is het makkelijk om toe te geven aan de bekoring van de eisen te verlichten die aan monniken in spe gesteld worden. Postulanten moeten de heldere aanwijzingen van Jezus Sirach lezen en herlezen (Sir. 2,1-6):

Mijn kind, wanneer je de Heer gaat dienen, bereid je dan voor op
beproevingen. Laat je hart de juiste weg inslaan, laat het sterk zijn, en wind je niet op als de tegenspoed komt. Houd je aan Hem vast en laat Hem niet los: dan zul je uiteindelijk groter worden. Alles wat je overkomt moet je aanvaarden; je moet geduldig zijn in de gebeurtenissen die je vernederen. Want goud wordt in het vuur beproefd, en de mens die God aangenaam is in de oven van de vernedering. Vertrouw op Hem en Hij zal je helpen; bewandel rechte wegen en stel je hoop op Hem.

Je bent gekomen om te sterven

Een postulant moet te horen krijgen dat hij naar het klooster gekomen is om aan zichzelf af te sterven. Iets anders zeggen is oneerlijk. Degene die gewend is te doen wat hij verkiest op het moment, de plaats en de wijze waarop hij verkiest, zal het monastieke leven zwaar vinden. Niet slechts moet een postulant zich aanpassen aan een onverbiddelijk tijdschema, aan een nieuw voedingsschema en aan een andere manier van met anderen omgaan; zelfs zijn wijze van verkeren met God zal verandering ondergaan indien hij afziet van de eerbewijzen die hem in de wereld overeind hielden, de devotionele praktijken die hem troostten, en hij de soberheid en rijkdom van het Goddelijk Office gaat ervaren.

Onvermijdelijk komt de dag waarop de postulant zich realiseert dat het geen toneel is en dat het monastieke leven heilige ernst is. Gescheiden te zijn van de wereld en de monotonie van de monastieke routine begin het valse zelf te vernietigen, dat tevoren gecharmeerd en opgetogen raakte door romantische voorstellingen van het slot. Wanneer dit gebeurt, wordt het eenvoudiger om te zien of een man al dan niet geroepen is tot het monastieke leven.


Vernederingen

volgende
vorige
naar boven

HOOFDSTUK LVIII. Over de wijze waarop de broeders worden aangenomen

  • 12 april, 12 augustus, 12 december (LVIII,5-8)
  • Daarna pas krijgt hij een plaats in het verblijf van de novicen, waar zij onderricht ontvangen, eten en slapen. Met hun zorg wordt een ouderling belast die de kunst verstaat hun zielen te winnen en die zeer nauwkeurig op hen let. Hij moet zorgvuldig toezien of de kandidaat werkelijk God zoekt, of hij ijver heeft voor het Werk Gods, voor de gehoorzaamheid en voor de beproeving van zijn nederigheid. Al het harde en moeilijke waardoor men tot God gaat moet hem worden voorgehouden.

Dit is zo vernederend

Vernederingen zijn situaties, gebeurtenissen of omstandigheden waardoor wij verlaagd worden. Een mens die vernedering ervaart kan verleid worden tot een veelheid aan antwoorden. “Waarom overkomt mij dit?” “Dit is onrechtvaardig.” “Ik zou willen dat ik onder een rots kon kruipen en uit het zicht verdwijnen.” Vernederingen kunnen gevoelens oproepen van boosheid, droefheid, hopeloosheid of opstandigheid. Op welke wijze dan kunnen vernederingen goed zijn voor een mens? Waarom zou een novice ze aanvaarden wanneer ze op zijn weg komen? Waarom zegt Sint Benedictus dat een novice ijver moet hebben voor de beproeving va zijn nederigheid?

Als een min een plus is

Alle vernederingen worden door God toegelaten of ze zouden niet voorkomen. Wanneer God iets toelaat dat vanuit ons menselijk gezichtspunt een minus is, is het omdat God het vanuit zijn gezichtspunt ziet als een plus. Juist dat wat voor mijn gevoel mij neerhaalt, kan door Gods barmhartige voorzienigheid dat zijn waardoor Hij mij wil opbouwen. Dit is een mysterie dat het allerzuiverst Hart van Maria zo goed begreep, dat zij in staat was het om te zetten in een kantiek van lof:

Nu weet mijn hart hoe groot Hij is, de Heer; mijn vreugde zing ik
uit: God is mijn Redder.
Op mijn klein leven heeft Hij neergezien, op mij, niets dan zijn
dienstmaagd.
Van deze dag af zullen eeuw na eeuw de mensen van mijn groot
geluk gewagen.
Hij heeft met mij gehandeld naar zijn grootheid, de Machtige,
geheiligd zij zijn Naam.
En elk geslacht zal zijn barmhartigheid ervaren, wanneer de mens
eerbiedig naar Hem opziet.
Hij laat het ongelooflijke gebeuren, de zelfverheffing slaat Hij
met paniek; gestoten van hun troon worden de machtigen, wie
niets was, wordt verhoogd.
Die hongert, geeft Hij van zijn overvloed, bezitters gaan naar
huis met lege handen.
Hij trekt het lot zich aan van Israël, zijn knecht,
barmhartigheid bewijzend, altijd weer – zijn woord aan onze
vaderen getrouw – voor Abraham en wie bij hem behoren.

Job, patroonheilige van de vernederden

Vernederingen kunnen van iemand zelf komen of van anderen. Het is vernederend om in iets te mislukken; het is vernederend om tekort te schieten in kracht, in intelligentie, schoonheid of vaardigheden; het is vernederend om gezien te worden in een toestand van zwakheid of zonde. Het is vernederend om te moeten zeggen: “ik kan dit niet”, of “ik heb hulp nodig”; “ik ben gevallen en kan niet opstaan”, of “ik begrijp dit niet”; “ik heb een fout gemaakt”, of “ik heb gezondigd.” Job is het beeld ban de mens die nederig en wijs geworden is in de smeltkroes van vernederingen. Uiteindelijk kan Job de Heer antwoorden die alles toeliet wat hem overkwam (Job 42,2-6):

Inderdaad, Gij kunt alles, voor U is niets onuitvoerbaar[1] meer tekst. Hoe durft onze kortzichtigheid uw plan te verdoezelen? Ik sprak zonder iets te weten over wondere dingen die ik niet begreep, en dan nog in de trant van: luister, ik zal spreken, ik stel vragen, probeer eens te antwoorden. Alleen van horen zeggen kende ik U, nu heb ik U gezien met eigen ogen. Alles herroep ik, over alles heb ik spijt, neergezeten in stof en as.

Het gebed van de vernederde

De psalmen zien het probleem van vernedering onder ogen en veranderen het in gebed. De psalmen bieden de vernederde mens, degene die verlaagd is, van precies het juiste gebed in elk van deze situaties. Jezus Zelf, in de extreme vernedering en verwerping van Zijn Passie, nam zijn toevlucht tot de psalmen: “En rond het negende uur riep Jezus met luide stem: Eli, Eli, lamma sabacthani? Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?” (Mt. 27,46; de aanhaling is uit Ps 22,2.)

Mijn genade is u genoeg

Vernederingen (Sint Paulus noemt ze zwakheden) zijn nuttig en even kostbaar, in zoverre zij de mens in staat stellen een waarheid over zichzelf te ontdekken en een waarheid over God. Beschouw, bij wijze van voorbeeld, de ervaring van Sint Paulus:

Voor mijzelf wil ik alleen roemen op mijn zwakheden. Zou ik
werkelijk willen roemen, dan was ik geen dwaas; ik zou immers de waarheid zeggen. Maar daar zie ik van af; ik wil niet dat iemand mij meer toeschrijft dan wat hij van mij kan zien of horen. Ook is er – want anders zouden de buitengewone openbaringen mij verwaand kunnen maken – ook is er een doren in mijn vlees gestoken, als een bode van de satan die mij moet afranselen. Tot driemaal toe heb ik de Heer aangeroepen dat Hij van mij zou weggaan. Maar Hij antwoordde mij: ‘Je hebt genoeg aan mijn genade. Kracht wordt juist in zwakheid volkomen’ (2 Kor 12,5-10).

Wil God mij slaan…

Een novice, of een monnik in welke fase ook van zijn leven, omlaag gebracht door een vernedering, zal met de Psalmist willen leren zeggen: “Mijn verdrukking werd mij tot zegen: uw verbondseisen heb ik begrepen” (Ps 119,71). Vernederingen voelen niet goed, maar zij kunnen een mens goed doen. Vernederingen kunnen heilzaam zijn, dat wil zeggen gezondheid (heil) voortbrengend; zij kunnen tot iemands verlossing bijdragen. “Intussen weten wij,” zegt Sint Paulus, “dat God in alles het heil bevordert van hen die Hem liefhebben, van hen die volgens zijn raadsbesluit geroepen zijn” (Rom 8,28). God staat toe dat zijn uitverkorenen omlaag gebracht worden, alleen omdat Zijn barmhartig plan is hen hoog op te heffen en hen tot Zichzelf te trekken in liefde en in glorie. Dit ene moet een novice geloven, hopend tegen alle hoop in, zelfs als al wat hij voelt hem het tegendeel zegt. “Wil God mij slaan, ik blijf op Hem vertrouwen” (Job 13,15)[2].


Noten

[1] In het Engels: “no thought is hid from thee”, “geen gedachte is voor u verborgen”.

[2] Hier volgen wij de Engelse tekst: “Although he should slay me, I will trust in him”. Het Nederlands heeft hier: “Wil God mij doden, ik ga Hem niet uit de weg”.


Vaders, zonen en broeders

volgende
vorige
naar boven

HOOFDSTUK LXIII. Over de rangorde in de gemeenschap

  • 19 april, 19 augustus, 19 december (LXIII,10-19)
  • De jongeren moeten dus hun ouderen eren, de ouderen hun jongeren liefhebben. Als ze elkaar aanspreken mag niemand een ander enkel maar bij zijn naam noemen, maar de ouderen noemen hun jongeren “broeder” en de jongeren hun ouderen “nonnus”, wat “eerwaarde vader” betekent. De abt, die als vertegenwoordiger van Christus beschouwd wordt, wordt “Heer” en “Abt” genoemd, niet omdat hij hierop zelf aanspraak zou kunnen maken, maar uit eerbied en liefde voor Christus. Zelf moet hij zich dit goed bewust zijn en zich zó gedragen, dat hij zulk een eer waardig is. Steeds als de broeders elkaar ontmoeten vraagt de jongste aan de oudste de zegen. Wanneer een oudere langskomt, staat de jongere op en biedt hem zijn plaats aan; en de jongere gaat niet opnieuw zitten, vooraleer zijn oudere het hem zegt. Aldus wordt in toepassing gebracht wat geschreven staat: “Overtreft elkaar in eerbetoon”. Kleine kinderen en jonge monniken moeten in het koor en aan tafel in goede orde hun vaste plaats innemen. Maar buiten en overal elders wordt er op hen gelet en staan zij onder toezicht, totdat zij tot de jaren van verstand gekomen zijn.

Incarnationeel en sacramenteel

Het Benedictijner leven is incarnationeel en sacramenteel, dat wil zeggen dat Sint Benedictus wil dat zijn monniken door middel van zichtbare dingen opstijgen naar de onzichtbare. Het Benedictijner leven verwijst, tot in de kleinste details, naar de economie van de Vleeswording waarvan wij in de Prefatie van Kerstmis en in de Missen van het Allerheiligst Sacrament zingen –

Door het mysterie van het vleesgeworden Woord scheen het licht van Uw glorie opnieuw over de ogen van onze geest: opdat wij, terwijl wij Hem erkennen als de zichtbare God, door Hem mogen worden getrokken tot de liefde voor wat onzichtbaar is.

De menselijke icoon van Christus

Ieder lid van de communiteit, oud en jong, is een icon van Christus. De eerbied aan een broeder bewezen bereikt Christus Zelf, volgens het woord van de heilige Johannes van Damascus: “De eerbied bewezen aan een icon wordt overgebracht naar zijn oerbeeld”. De Benedictijnse eerbied voor Christus wordt feitelijk vertaald naar de eerbied die onze onderlinge relaties tekent.

Broeders

De titel “broeder” is een erkenning van de relatie die door de genade bestaat onder zonen van dezelfde Vader. Wie zijn broeder erkent, erkent daardoor de Vader. Achter de praktijk van elkaar “broeder” te noemen ligt het onderricht van de Apostel: “En omdat ge zonen zijt heeft God de Geest van zijn Zoon in ons hart gezonden, die roept Abba, Vader” (Gal. 4:6). Wij noemen elkaar “broeder” omdat de heilige Geest, die in ons verblijft, ons ertoe beweegt om God “Vader” te noemen. Sint Benedictus geeft de titel “broeder” aan de jongste leden van de gemeenschap; het is een uitdrukking van genegenheid en van eerbied, die de banden uitdrukt die ons, door de abt en door degenen die delen in diens vaderschap, verenigen met Christus en door Christus met de Vader.

Vaders

De titel “Vader”, die gegeven wordt aan de ouderen van de gemeenschap, is een eerbiedige erkenning van hun deelname in het geestelijk vaderschap van de abt, en van hun rol als bemiddelaars van vaderlijke liefde en bronnen van leven in de gemeenschap. Een communiteit zonder vaders zal niet overleven. De monastieke traditie heeft altijd de genade onderkend van bovennatuurlijke voortbrenging. Telkens wanneer deze genade met onverschilligheid of met weinig respect wordt bejegend, wordt de overheersende ethos er een van spirituele steriliteit.

Vaders en broeders

In de Middeleeuwen kozen de bedelorden, Franciscanen, Dominicanen en anderen ervoor, frater of zelfs fra of fratello genoemd te worden. Toen deze broeders begonnen te preken en biecht te horen, begonnen mensen hen aan te spreken als vader. De broeders bleven onderling frater gebruiken, zelfs voor hun meerderen. Later, toen de heilige Philippus Neri en de eerste Oratorianen aangesproken warden als vader, was dit een uitdrukking van vertrouwen in hun geestelijke wijsheid en onderscheidingsvermogen, en een erkenning van hun bovennatuurlijk vaderschap.

De sociale onrust van 1968
veroorzaakte een anti-paternalistische/maternalistische tendens die zijn weerslag had binnen de Kerk in de afwijzing van paus Paulus VI’s profetische encycliek Humanae Vitae. Beïnvloed door Nietzsche en Freud, achtten degenen die rebelleerden tegen iedere vorm van autoriteit het nodig om “zowel vader als moeder te doden”. Rond dezelfde tijd werden in monastieke en religieuze gemeenschappen de echtelijke en voorbrengende dimensies van het godgewijde leven geminimaliseerd, of zelfs gewist uit het collectieve bewustzijn, doordat de overgeleverde vocabulaire die de mysteries uitdrukte van spiritueel vader- en moederschap radicaal werd veranderd. Dit opende de deur naar de koortsachtige zoektocht naar “zelfvervulling” en naar de praktijk van een soort geestelijke anticonceptie. De kloosters en communiteiten die de “contraceptieve mentaliteit” overnamen van deze seculiere cultuur, zijn in de afgelopen vijftig jaren stervende geweest.

Eros en agàpe

Paus Benedictus XVI’s voorstelling van de eros (zie Deus Caritas Est, 25 december 2005) – de liefde die verlangt naar eenheid – belicht de echtelijke dimensie van het godgewijde leven. Zijn voorstelling van de agàpe – de offerliefde die leven verwekt – belicht de vaderlijke en moederlijke dimensie van het godgewijde leven. De oude monastieke titels vader (abba) en moeder (amma) bevestigen en zijn uitdrukking van de geestelijke gaven waardoor het leven van de ene op de andere generatie wordt doorgegeven. Wee de communiteiten die de overgeërfde vocabulaire van geestelijke voortbrenging hebben weggedrukt, of die haar hebben vervangen door wereldlijke termen die geacht worden “politiek correct” te zijn, zoals “leidershap.”

Oversten of leiders?

Op eendere wijze zijn er communiteiten die, zonder voldoende kritische reflectie, de term “overste” hebben vervangen door “leider”. Waarbij uit het gemeenschappelijk geheugen de verticale dimensie van middelaarschap is uitgewist, ten gunste van een louter horizontaal model. Dergelijke communiteiten vervallen tot een praktisch Protestantisme. Immers, de essentie van Protestantisme is de verwerping van de heilseconomie, en van deelname in het “neerdalende” en “opstijgende” middelaarschap van Christus die deze economie uitdrukt.

Celibataire contraceptie

Sommige religieuzen, daartoe verleid door een bedrieglijke hang naar nederigheid, stellen dat een exclusief gebruik van de titels broeder en zuster beter overeenstemt met een ethos van evangelische nederigheid, eenvoud en – natuurlijk – gelijkheid. Zij zien echter niet dat dit gebruik onvoldoende uitdrukking geeft aan de gewone spirituele ontwikkeling langs een spiritualiteit van verloving en huwelijk naar geestelijke vruchtbaarheid en voortbrenging. Sociologen zullen stellen dat de zaken die een samenleving weigert te erkennen, mettertijd zullen verdwijnen uit de cultuur. De traditionele uitdrukking van eros en agàpe binnen het godgewijde leven wordt feitelijk onderdrukt door een wijze van “social engineering” die veranderingen in de woordenschat manipuleert. Hoeveel religieuzen zijn, zij het zonder het te beseffen, in de val gelokt van een mentaliteit van geestelijke contraceptie?


Gezonden om anderen te steunen en troosten

volgende
vorige
naar boven

HOOFDSTUK LXIV. Over het aanstellen van de abt

  • 20 april, 20 augustus [gedachtenis van Bernardus van Clairvaux], 20 december (LXIV,1-7)
  • Bij het aanstellen van een abt moet altijd als grondregel gelden, dat ofwel hij wordt aangesteld, die de hele gemeente, geleid door de vreze Gods, eenstemmig gekozen heeft; ofwel hij, die slechts door een gedeelte van de gemeente, hoe klein dit ook zij maar met beter inzicht, gekozen is. Een goede levenswandel en een onderricht dat van wijsheid getuigt zijn de gronden waarop men iemand kiest voor dit ambt, ook al zou hij de laatste in rang zijn binnen de gemeente. Zou de gemeente echter – wat verre zij – in haar geheel eenstemmig iemand kiezen, die het eens is met haar wangedrag, en dit wangedrag zou op een of andere manier bekend worden aan de bisschop in wiens bisdom die plaats ligt, of aan de abten en christenen uit de buurt, dan moeten zij verhinderen, dat het plan van de kwaadwilligen doorgang vindt, en dienen zij aan het huis Gods een waardig bestuurder te geven. Zij moeten weten, dat zij daarvoor een rijk loon zullen ontvangen, als zij het doen met onzelfzuchtige bedoelingen en uit ijver voor God, zoals zij zich anderzijds zouden bezondigen, als zij het nalieten.

Dit is het tweede hoofdstuk van de heilige Regel waarin Sint Benedictus spreekt over de abt. In dit hoofdstuk zien wij een sterke resonantie met de Regel van Sint Augustinus, die schrijft:

Allereerst moet u eensgezind tezamen wonen,
één van ziel en één van hart, op weg naar God. … Leef dus allen één van ziel en één van hart (Regel van Sint Augustinus, Hoofdstuk I).

Hoewel Sint Benedictus hier enkele richtlijnen geeft voor de keuze van de abt, is zijn primaire doel om licht te werpen op de plichten van de abt als vader, leraar en heelmeester van zielen. Het is passend dat wij de lezing van Hoofdstuk LXIV, Over het aanstellen van de abt, beginnen op het feest van Sint Bernardus van Clairvaux, een van de grootste abten die de Kerk ooit gekend heeft. Onder de brieven van Sint Bernardus is er een gericht aan Rainaldus, een monnik van Clairvaux die hij uitzendt om abt te zijn van Foigny. Abt Rainaldus vond zijn ambt een verpletterende last. Hij moest zorgen voor monniken die werden geteisterd door elke soort van zwakte naar geest en ziel. Sint Bernardus schrijft Rainaldus dat de taak van de abt niet is om de vriendschap te genieten van hen die hem geen last bezorgen, maar veeleer om die broeders te dienen die “bedroefd, kleingeestig en ontevreden” zijn.

Deze last is die van zieke en zwakke zielen. De gezonden hoeven niet gedragen te worden en vormen daarom geen last. Daarom, wie van uw broeders u ook bedroefd, kleingeestig en ontevreden zult vinden – bedenk wel dat u van diegenen en om hunnentwil vader en abt bent. In het troosten, het aansporen en het terechtwijzen doet u uw plicht, draagt u uw last; en degenen die u draagt opdat zij genezen, zult u genezen door ze te dragen. Maar is iemand in zulk een geestelijke gezondheid dat hij veeleer u helpt dan dat hij geholpen wordt, erken dat u voor hem niet vader en abt bent, maar zijn gelijke en vriend. Klaag niet als u meer beproevingen ontmoet dan vertroosting van hen te midden van wie u leeft. U bent gezonden om anderen te steunen en te troosten, omdat u geestelijk sterker bent en beter in staat te dragen dan zij, en omdat u met Gods genade in staat bent om allen te helpen en troosten zonder zelf nood te hebben aan iemands hulp en troost. Tenslotte, is de last groot, zo is ook de beloning; echter, hoe meer bijstand u ontvangt, des te meer wordt uw eigen loon verminderd. Kies daarom: als u hen verkiest die voor u een last zijn, zal uw verdienste des te groter zijn; maar kiest u daarentegen den die u vertroosten, dan hebt gij in het geheel geen verdienste. De eersten zijn als de bron waaruit uw verdienste opstijgt; de anderen als de afgrond waarin zij wordt verzwolgen; want het lijdt geen twijfel dat zij die delen in de arbeid, ook mede delen in de beloning. Daarom, wetend dat u gezonden werd om te helpen en niet om geholpen te worden, houdt in gedachten dat u de plaats bekleedt van Hem die niet kwam om gediend te worden maar om te dienen (Sint Bernardus, Brief XVII).


Nieuw en oud naar voren brengen

volgende
vorige
naar boven

HOOFDSTUK LXIV. Over het aanstellen van de abt

  • 21 april, 21 augustus, 21 december (LXIV,7-22)
  • Degene die tot abt is aangesteld moet altijd bedenken, welke last hij op zich genomen heeft en aan wie hij rekenschap zal moeten geven van zijn rentmeesterschap; hij moet goed weten dat hij veeleer moet dienen dan heersen. Daarom moet hij goed onderlegd zijn in de wet Gods, zodat hij de nodige kennis bezit om daaruit nieuw en oud naar voren te brengen. Ook moet hij onbaatzuchtig, matig en barmhartig zijn, en altijd late hij de barmhartigheid het winnen van de rechtvaardigheid, opdat hijzelf dit ook eens wedervaren mag. Laat hij het kwaad haten, maar de broeders liefhebben. Als hij moet straffen, zal hij voorzichtig te werk gaan en vermijde hij iedere overdrijving, want als men al te hardhandig het roest van een pot wil schuren, zou men hem wel eens kunnen breken. Laat hij zijn eigen broosheid altijd indachtig zijn, en bedenken, dat men het geknakte riet niet mag breken.
    Daarmee willen wij niet zeggen, dat hij de ondeugden moet laten voortwoekeren; integendeel: hij moet ze met beleid en liefde uitroeien op een wijze die hem – zoals we reeds gezegd hebben – voor elkeen het beste voorkomt. Daarbij moet hij er zich op toeleggen eerder bemind dan gevreesd te worden. Hij mag niet gejaagd of angstig zijn, niet overdreven of koppig, niet jaloers of al te achterdochtig, want anders vindt hij nooit rust. Omzichtig en bezonnen geeft hij zijn bevelen, en of de opdracht die hij geeft op de goddelijke dan wel op de tijdelijke dingen betrekking heeft, altijd moet hij met onderscheiding en met mate te werk gaan en denken aan de gematigdheid van de heilige Jacob, die zeide: “Als ik mijn kudde nog langer vermoei met lopen, zullen allen nog binnen de dag sterven”.
    Laat hij deze en andere voorbeelden van gematigdheid, die de moeder der deugden is, ter harte nemen en alles met zoveel maatgevoel regelen, dat er voor de sterken nog iets te verlangen blijft, en de zwakken niet worden afgeschrikt. Vooral moet hij even goed als de anderen in alles deze Regel onderhouden, dan zal hij, als hij zijn taak goed volbracht heeft, van de Heer mogen vernemen wat de goede knecht te horen kreeg, die op tijd de tarwe aan zijn medeknechten had uitgedeeld: “Voorwaar Ik zeg u, – zo staat er – hij stelde hem aan over al zijn goederen”.

“Degene die tot abt is aangesteld moet altijd bedenken, welke last hij op zich genomen heeft”. Het woord “last” is hier van belang omdat dit het woord in herinnering roept van Onze Heer:

Komt allen tot Mij die uitgeput zijt en onder lasten gebukt,
en Ik zal u rust en verlichting schenken. Neemt mijn juk op uw schouders en leert van Mij: Ik ben zachtmoedig en nederig van hart; en gij zult rust vinden voor uw zielen, want mijn juk is zacht en mijn last is licht (Matt. 11,28–30).

De abt gaat, in al zijn werken, onder één juk mat Christus, loopt stap na stap met Christus, en doet niets los van Hem. Het juk is een symbool van verbondenheid; de abt gaat voort gebonden aan Christus. Alleen op deze wijze kan de abt van nut zijn voor zijn zonen, door hen te tonen dat het juk van Christus zacht is en de last van Christus licht.

“Daarom moet hij goed onderlegd zijn in de wet Gods, zodat hij de nodige kennis bezit om daaruit nieuw en oud naar voren te brengen”. De abt nooit ophouden het Woord van God te bestuderen. Hij is door zijn ambt gebonden om zichzelf onder te dompelen in alle teksten en riten van de heilige liturgie. Hij moet onderlegd zijn, niet naar de mening van theologen en in voorbijgaande intellectuele trends, maar in de eeuwenoude wijsheid van de heiligen. Van de abt wordt verlangd dat hij onderricht zij in de wet van God; dit verwijst niet naar academische graden, maar naar het onderricht dat komt tot degene die zich toelegt op al wat Psalm 119 uitdrukt: “Ik houd uw bevelen altijd voor ogen en let op de weg die Gij wijst. Wat Gij hebt beschikt is mij welkom, uw woorden vergeet ik nooit” (Psalm 119,15-16).

“Ook moet hij onbaatzuchtig[1], matig en barmhartig zijn, en altijd late hij de barmhartigheid het winnen van de rechtvaardigheid, opdat hijzelf dit ook eens wedervaren mag”. De abt moet matig zijn omdat de onmatige niet juist kan zien; zijn kijk op zaken wordt gehinderd. Een van de effecten van onmatigheid is een soort geestelijke blindheid. Jezus zegt: “Kan de ene blinde de andere leiden? Vallen niet beide in de kuil?” (Lk. 6,39). De abt moet barmhartig zijn opdat, wanneer hij geoordeeld wordt, Onze Heer niet tot hem zegt: “Jij lelijke knecht, heel die schuld heb ik je kwijtgescholden omdat je mij erom gesmeekt hebt. Had jij dan ook geen medelijden moeten hebben met je mededienaar zoals ik met jou medelijden heb gehad?” (Matt.  18,32-33).


Noot

[1] In oudere vertalingen “kuis, matig en barmhartig”.


De eenheid van de Geest door de band van vrede

volgende
vorige
naar boven

HOOFDSTUK LXV. Over de prior van het klooster

  • 22 april, 22 augustus, 22 december (LVX,1-10)
  • Het komt maar al te vaak voor dat de aanstelling van een prior ernstige onenigheid in de kloosters doet ontstaan. Er zijn er inderdaad, die door een kwaadaardige geest van hoogmoed tot zelfverheffing gebracht worden: zij wanen zich een tweede abt, eigenen zich wederrechtelijk de macht toe, werken de tweedracht in de hand en doen verdeeldheid ontstaan in de gemeente. Dat gebeurt vooral daar waar de prior wordt aangesteld door dezelfde bisschop en dezelfde abten, die ook de abt aanstellen. Hoe ongerijmd dit is, valt makkelijk te onderkennen: want van het begin van zijn aanstelling af wordt de prior alle aanleiding gegeven tot zelfverheffing, omdat zijn gedachten hem influisteren, dat hij aan het gezag van zijn abt onttrokken is: “jij bent evengoed door diezelfde mensen aangesteld door wie ook de abt is aangesteld”. Daar komt uit voort afgunst, twist, kwaadsprekerij, naijver, tweedracht, opstand; en doordat de abt en de prior het oneens zijn is het onvermijdelijk, dat niet alleen hun eigen zielen, zolang die tweedracht duurt, gevaar lopen, maar ook hun onderhorigen hun ondergang tegemoet gaan doordat zij partij kiezen. De verantwoordelijkheid voor deze rampzalige gang van zaken berust op de allereerste plaats bij hen die een dergelijke wantoestand in het leven geroepen hebben.

Onze vader Sint Benedictus is niet enthousiast wat betreft een onderbevelhebber in het klooster. In dit hoofdstuk behandelt hij de mogelijkheid met extreme omzichtigheid en ernstige bedenkingen. Hoewel Sint Benedictus uiteindelijk toegeeft dat een onderbevelhebber noodzakelijk kan zijn, doet hij dat met enige tegenzin en met omzichtige waarschuwingen tegen elke soort van misbruik van de positie. De term prior, praepositus, ofprovost, betekent superieur. Reeds in Sint Benedictus’ tijd werd de term gebruikt om de onderbevelhebber van het klooster aan te duiden. In ons klooster wordt de abt (abdis) is de prior (priorin) genoemd, en de prior (priorin) subprior (subpriorin).

Alles wat hier gezegd wordt over de prior en subprior,
kan ook gelezen worden als priorin en subpriorin. Waar nodig leest men zij en haar voor hij en hem
.

Er is niets ergers in een klooster dan lageren in rang die als kleine tirannen optreden. Sint Benedictus waarschuwt voor de geest van hoogmoed die al te gemakkelijk het uitoefenen van het ambt vergiftigt. Hij zinspeelt op de verdeeldheid die een klooster kan ontstaan wanneer sommige gemeenschapsleden zich scharen achter de abt en anderen achter de prior, waarmee twee tegengestelde partijen ontstaan. Sint Benedictus’ realisme is ontnuchterend. Met de woorden van Sint Paulus in Galaten 5,20, spreekt Sint Benedictus van “haat, tweespalt, afgunst, driftbuien en intriges, ruzies, partijschappen en jaloersheden”. Sint Paulus zegt: “wie zich zo misdragen zullen het koninkrijk van God nooit erven” (Gal. 5:21).

De duivel verheugt zich nergens meer in dan in het zaaien van verdeeldheid. Als de duivel een wig drijft tussen de abt en de prior, is het slechts een kwestie van tijd voor de hele communiteit uiteenvalt. Wanneer de abt en de prior niet één van geest en hart zijn, loopt het hele klooster gevaar. De situatie is te vergelijken met een huishouden waarin vader en moeder voortdurend ruziën en het met elkaar oneens zijn. In zo’n huishouden lijden de eenheid en stabiliteit van het gezin onherstelbare schade. De abt en de prior moeten daarom in diepe eenheid met elkaar zijn, waarbij de prior in alle zaken volstrekt loyaal en gehoorzaam is aan de abt.

Het is de plicht van de subprior om de prior terzijde te staan,
hem te vervangen bij afwezigheid, en om over de Gemeenschap te waken. Hierdoor weet hij of de broeders trouw zijn in het uitoefenen van hun verantwoordelijkheden, of er eenheid en vrede onder hen is; of zij eerbiedig en gehoorzaam zijn jegens de prior; of de stilte nauwgezet in acht wordt genomen; of men stipt is in de gang naar het Goddelijk Office, de refter, de lectio divina, de aanbidding of samenkomsten van de communiteit.

Zou de subprior moeten straffen, dan doet hij dat steeds in de vorm van een aanbeveling, die de broeders met liefde moeten aannemen; de prior zal diegene streng straffen die de aanmerkingen van de subprior trotseert.

Bij afwezigheid van de prior, of op diens verzoek, leidt de subprior het kapittel en andere samenkomsten van de communiteit. Hij moet volstrekt één zijn met vader prior, en diens gezag hoog houden. Hij voert zijn opdrachten terstond uit en ziet erop toe dat ook anderen dat doen. Hij geeft geen uiting aan eventuele tegengestelde gevoelens, en zonder enige kritiek op wat de prior wenst. Zijn perfecte gehoorzaamheid en nederigheid moeten overal het toonbeeld zijn van een onderwerping van ganser harte, om de broeders te steunen in hun plichten en een heilige eenheid onder hen te bewaren. Wanneer een broeder bij hem klaagt, dan doet hij wat hij kan door zijn minzaamheid en omzichtigheid, om de zorgen te verdrijven die de broeder heeft.

De prior benoemt de subprior en andere ambten van de klooster jaarlijks op een dag van zijn keuze, echter tussen 15 augustus en 14 september. In kleine gemeenschappen zijn allen evenzeer verantwoordelijk voor de goede orde, trouwe observantie en opgewekte discipline. Van allen wordt loyaliteit jegens de prior verwacht, gehoorzaamheid in alles, en “ijver om de eenheid des Geestes te behouden door de band van de vrede” (Ef. 4,3):

Ik, de gevangene in de Heer, vraag u met aandrang:
leidt een leven dat beantwoordt aan de roeping die gij van God ontvangen hebt, in alle deemoed en zachtheid, in lankmoedigheid, liefdevol elkaar verdragend. Beijvert u de eenheid des Geestes te behouden door de band van de vrede: één lichaam en één Geest, zoals gij ook geroepen zijt tot een en dezelfde hoop, waarvoor Gods roeping borg staat. Één Heer, één geloof, één doop. Één God, en Vader van allen, die is boven allen, en met allen, en in allen (Ef. 4,1-6)


Propter pacis caritatisque custodiam

volgende
vorige
naar boven

HOOFDSTUK LXV. Over de prior van het klooster

  • 23 april, 23 augustus, 23 december (LVX,11-22)
  • Het lijkt ons dan ook veel beter voor het behoud van de vrede en de liefde, dat de abt naar eigen goeddunken alle benoemingen in zijn klooster zelf regelt. Als het mogelijk is moet men – zoals wij dat boven al hebben vastgesteld – de ambtsbezigheden in het klooster door dekenen laten behartigen volgens de beslissingen van de abt, zodat een enkeling geen reden meer heeft tot zelfverheffing, omdat meerderen ermee belast zijn. Als de plaatselijke omstandigheden het zouden vereisen of de gemeente vraagt erom op redelijke gronden en met nederigheid en de abt oordeelt het een goede zaak, dan benoemt de abt zelf diegene tot zijn prior, die hij met de raad van godvrezende broeders daartoe heeft uitgekozen. Deze prior echter moet met eerbied dat ten uitvoer brengen wat zijn abt hem opdraagt, zonder iets te doen wat tegen de wil of de regeling van de abt ingaat, want hoe hoger hij boven de anderen geplaatst is, met des te groter nauwgezetheid moet hij zich houden aan de voorschriften van de Regel. Als deze prior blijk geeft behept te zijn met ondeugden of zich door hoogmoed laat verleiden tot een verwaand gedrag, of wanneer hij bewijst de heilige Regel te minachten, dan krijgt hij tot viermaal toe een mondelinge terechtwijzing. Als hij zich niet betert, wordt hij onderworpen aan de door de Regel vastgestelde straf. Als hij zelfs dan nog niet tot inkeer komt, wordt hij ontzet uit zijn ambt van prior en wordt een ander, die dat waardig is, in zijn plaats benoemd. Als hij zich daarna nog niet rustig en gehoorzaam betoont in de gemeente, wordt hij zelfs uit het klooster gezet. Wel moet de abt eraan denken, dat hij over al zijn oordelen aan God rekenschap zal moeten geven, om te voorkomen dat het vuur van de afgunst en de naijver zijn ziel in vlam zet.

Hoewel Sint Benedictus in dit hoofdstuk spreekt over de provoost of tweede in de kloosterhiërarchie, onthult het hele hoofdstuk op een dieper niveau de zaken die de heilige het meest belangrijk vindt in ons samenleven. Zijn eerste zorg, zijn voornaamste motivatie, is “het behoud van de vrede en de liefde” – propter pacis caritatisque custodiam. Vrede en liefde zijn goddelijk gaven die van omhoog neerdalen “van de Vader der lichten” (Jac. 1:17), maar wij zijn beheerders van de gaven. Het is aan ons om ze te bewaren en te cultiveren. Als een Benedictijner klooster niet de woonplaats is van vrede en liefde, moet het zijn deuren sluiten.

De pax benedictina is niet een door mensen gemaakte vrede; het is de vrede van de verrezen Christus. Het is de vrede die uitstraalt van de Heilige Hostie. Het is Zijn gaven die vrijelijk geschonken, in nederigheid ontvangen en met vreugde gekoesterd wordt. “Op de avond van de eerste dag van de week, toen de deuren van de verblijfplaats der leerlingen gesloten waren uit vrees voor de Joden, kwam Jezus binnen, ging in hun midden staan en zei: Vrede zij u” (Joh. 20,19). Jezus blijft
in ons midden in het Allerheiligst Sacrament van het altaar en Hij spreekt telkens weer tot allen die Hem daar naderen: “Vrede zij u”.

Zolang wij trouw zijn aan ons leven van aanbidding, zullen wij de vrede bezitten die de wereld niet kan geven. “Vrede laat Ik, mijn vrede geef Ik u: niet zoals de wereld die geeft geef Ik hem u. Laat uw hart niet verontrust of kleinmoedig worden” (Joh. 14,27). Wij zijn niettemin verantwoordelijk voor het bewaren van Christus’ gave van vrede. Hoe bewaren wij de vrede die ons elke dag weer wordt aangeboden vanaf het altaar?

  1. Door zijn gedachten te bewaken. Het echte slagveld waar een monnik vrede wint, is dat van zijn gedachten. Duistere, broedende gedachten; oordelen; gedachten van zelfmedelijden en ontsnapping, van elders te zijn, van andere dingen te doen, van samen te leven met andere personen of van alleen te leven; gedachten van hoogmoed, droefheid, ontmoediging, afgunst, boosheid, onzuiverheid, ongerustheid en verveling: elk van deze gedachten zijn onverenigbaar met de Benedictijnse vrede en bedreigen die. De heilige Joannes Cassianus omschrijft acht gedachtenpatronen die een monnik’s vrede van hart aanvallen:”De eerste is gulzigheid, dat wil zeggen de vraatzucht; de tweede is overspel; de derde is gierigheid of de liefde voor geld; de vierde is kwaadheid; de vijfde is droefheid; de zesde acedia, de onrust of vermoeienis van hart; de zevende is opschepperij of ijdelheid; en de achtste is hoogmoed”.
  2. Door de stilte te bewaren. Stilte is de wachter van de vrede. Stilte is de vriend van de vrede. Stilte is de basis van vrede en zijn uitdrukking naar buiten. Ik bedoel niet enkel een beperking van het spreken, maar ook stilte in onze handelingen: lopen, werken, deuren openen en sluiten. Ik bedoel een stilte van ons gedrag: niet gehaast zijn, niet koortsachtig en druk met zaken bezig zijn, maar de dingen doen met kalmte en eerbied. De stilte van de Heilige Hostie moet heersen, niet slechts over de harten, geesten en lippen van de monniken, maar over het gehele klooster en zijn landerijen, teneinde een atmosfeer van orde en van vrede te kweken die bevorderlijk is voor het gebed van het hart in een geest van altijddurende aanbidding.
  3. Door het bevorderen van netheid en orde in het klooster, te beginnen met de eigen cel. Vrede is volgens to Sint Augustinus en Sint Thomas “de kalmte van orde”. Iedere persoon is verantwoordelijk voor de goede orde van het klooster. Dit betekent niet de dingen zomaar door elkaar laten liggen; het betekent voortdurend de kleine inspanning verrichten van de dingen op hun plaats te leggen, om orde te scheppen uit de chaos.
  4. Door beetje bij beetje de eerbied die karakteristiek is voor de Benedictijnse liturgie uit te breiden naar het gehele leven. Dit is de toepassing van wat Sint Benedictus zegt in Hoofdstuk XXXI: “Alle gerei en bezit van het klooster moet hij beschouwen als vaatwerk dat aan de altaardienst gewijd is” (XXI,10). In een ware zin is het gehele Benedictijnse leven liturgisch.
  5. Door stipt te zijn in de gang naar de statio, naar het koor, naar de refter, naar de lectio divina, naar aanbidding, naar het werk, naar de recreatie, en ook om dingen te beëindigen op de gestelde tijd. De verleiding om “nog net even” iets ergens in te passen is contraproductief omdat het stress veroorzaakt; en stress op zijn beurt neemt niet slechts de vrede weg maar vermindert het vermogen om zich op iets te richten.
  6. Om naar de letter het voorschrift van Sint Benedictus in Hoofdstuk IV toe te passen: “Zich vóór zonsondergang weer verzoenen met wie men onenigheid heeft”.
  7. Door een gezond gevoel voor humor te onderhouden. Men moet niet het soort monnik zijn dat zichzelf zo serieus neemt dat alles in zijn leven een drama wordt. Het is goed o mom zichzelf te kunnen lachen en afstand te nemen van zaken. Dit is een kwestie van psychologische hygiëne, maar een natuurlijk middel om de vrede te bewaren die komt van God en waarin wij zullen terugkeren naar God.

Congregavit nos in unum Christi amor

volgende
vorige
naar boven

HOOFDSTUK LXIX. Dat men in het klooster elkaar niet mag verdedigen

  • 27 april, 27 augustus, 27 december (LXIX,1-4)
  • Men moet ervoor waken, dat in het klooster onder geen enkel voorwendsel een monnik een ander durft verdedigen of hem als het ware in bescherming nemen, zelfs niet als zij enigermate door bloedverwantschap met elkaar verbonden zouden zijn. Hieraan mogen de monniken zich beslist niet schuldig maken, want dat kan aanleiding geven tot ernstige geschillen. Als iemand dit voorschrift overtreedt, wordt hij streng gestraft.

Sint Benedictus was een scherpzinnig waarnemer de innerlijke bewegingen van de monastieke familie. Hij waarschuwt ons voor potentieel schadelijke relatiepatronen. Partijdige loyaliteit, facties en coalities hebben christelijke gemeenschappen bedreigd sinds de tijd van de Apostel:

Is het geen uiting van egoïsme
en kleimenselijk gedrag dat er onder u naijver en twist voorkomt? Als de een zegt “Ik ben voor Paulus”, en de ander “Ik voor Apollos”, zij gij dan niet al te menselijk? Wat zijn Apollos en Paulus eigenlijk? Niet meer dan ondergeschikten, die behulpzaam waren bij uw bekering, en wel ieder van ons op zijn eigen manier zoals de Heer het ons vergund heeft. Ik heb geplant, Apollos heeft begoten, maar God gaf de groei. Noch hij die plant betekent iets noch hij die begiet, maar alleen God die de wasdom geeft (1 Kor. 3,3-7).

Soms gebeurt het, met name in grotere communiteiten, dat twee of meer broeders zich opsluiten in een exclusieve kleine kliek, gebaseerd op natuurlijke affiniteit of zelfs, wat God verhoede, op zondige neigingen. Sint Benedictus zegt dat dergelijke klieken aanleiding kunnen geven tot de meest pijnlijke soort van schandalen. Voortekenen van dit soort zaken zijn: gevoelens van jaloezie en van bezitterigheid, afkeer van anderen, en de toename van non-verbale signalen die derden uitsluiten van dat wat gecommuniceerd wordt. Men moet in dergelijke zaken op rigoureuze wijze eerlijk zijn en daarop het 50ste instrument van goede werken toepassen:

Slechte gedachten die in het hart opkomen,
onmiddellijk tegen Christus te pletter slaan en ze aan de geestelijke vader bekend maken.

Vraag Onze Heer vandaag om ons te bewaren in de eenheid van boven die overeenkomt met het verlangen van zijn eigen Hart voor ons:

Dat zij allen één mogen zijn zoals Gij,
Vader in Mij en Ik in U; dat zij ook in Ons mogen zijn (Joh. 17:21).